zaterdag 11 augustus 2012

De gedichten (P.C. Hooft)



Waar zou ik P.C. Hooft voor het eerst ontmoet hebben? Ongetwijfeld heeft een docent op de middelbare school hem mij voorgesteld, maar ik herinner mij niet meer of ik hem toen de hand gedrukt heb. Lazen wij toen 'Galathea, ziet, den dag komt aan'? Dat vermoed ik, maar zeker weet ik het niet meer. Waarschijnlijk las ik in die tijd toch meer van Vondel, van wiens tragedies ik erg onder de indruk was.

In mijn boekenkast vond ik de bloemlezing Overvloed van vonken, samengesteld door M.A. Schenkeveld-van der Dussen, L. Strengholt en P.E.L. Verkuyl. Verdraaid, ik dacht altijd dat het het werk van alleen Schenkeveld-van der Dussen was. De stofomslag van het oranje boekje is wit versleten bij alle randen, de rug hangt een beetje los. Ik heb het boek kapot gelezen.

Overvloed van vonken schafte ik aan toen het uitkwam, in 1981 en ik las en herlas het. P.C. Hooft kwam daardoor dicht bij mij staan. We zongen samen zijn onvergetelijke beginregels: 'Mijn lief, mijn lief, mijn lief, zo sprak mijn lief mij toe'; 'Klare, wat heeft er uw hartje verlept?'; 'Amaril, de deken zacht / van de nacht'; 'Lieve lichte Leonoor'.

En wat kon Hooft geestig zijn! Later heb ik nog vaak zijn 'Deuntje' gereciteerd: Sijbrech wil wel met Jan trouwen, maar alleen als het bij hem echte liefde is. Hij zegt dat ze daar zeker van kan zijn. Maar als ze getrouwd zijn, slaat Sijbrech Jan, waarvoor ze zelfs een zweep uit Polen laat komen. Als Jan er iets van zegt, zegt Sijbrech: 'Reine liefd' kan niet vergaan!'Jan, heeft het zich blijkbaar een tijdje laten aanleunen, maar dan  doet hij toch wat terug: 'Wel verdraagt dan ook mijn smijten.' De liefde kan immers niet van één kant komen:
Wilt ge reine liefd' doen duren,
Voegt er reine liefde bij;
Want de liefde aan ene zij
Kan in korte tijd verzuren.
Hangt ze beide zijden aan,
Reine liefd' kan niet vergaan.
 Dat Jacob Cats grappig kon zijn, wist ik al eerder, maar dat ook P.C. Hooft mij kon laten grijnzen, ontdekte ik toen pas. Ook heerlijk vond ik het gedicht/lied over Cephalus en Amarilis. Cephalus is zo verliefd als loeiende kachel en vertelt dat aan Amarilis, maar zij doet alsof hij ziek is:
C: Ach, Amarilis!
A: Zeg wat uw wil is.
C: Mijn harte gloeit als vuur van binnen.
A: Wel, neemt de zoete wei van geiten inne.
C: Maar zo 't geen baat en voelt?
A: Neemt cichorei, die koelt.
C: Al waar 't ermee bespoeld,
't En lest geen minne
Als dan het hoge woord eruit is, geeft Amaril nog geen krimp:
A: Zou 't minne wezen?
C: Ja 't, zou ik vrezen.
A: Die, hoor ik, pleegt een mens te schenden.
C: Och, 't is een zware ziekte vol ellenden.
A: Is 't ziekte die besmet?
C: Och ja zij, altemet.
A: Zo wil ik dan mijn tred
Van u gaan wenden.
 En zo gaat het dan nog een paar bladzijden door. De spitse Amaril laat de arme Cephalus alle hoeken van het kamer (of van het weiland) zien. Heerlijk.

Hooft zingt. Hij huppelt, hij is licht, hij heeft een techniek die imponeert. Ach, wat een dichter! Maar de inhoud? Waar wordt het meer dan prachtig gespeeld spel? Ik heb het mij indertijd niet afgevraagd. Ook niet toen ik in de jaren tachtig de Sonnetten en zangen uit de reeks Poëtisch erfdeel der Nederlanden aanschafte en de Sonnetten die al meer dan tien jaar daarvoor uitgekomen waren bij Atheneum-Polak & Van Gennep. Op een rommelmarkt tikte ik het mooie, kleine boekje Van liefde en min op de kop, amoureuze liederen van Hooft, uitgegeven in 1946. Er stond niets in wat ik nog niet kende, maar het was zo'n lief boekje.

En nu is er dan een dik boek, met alle gedichten van P.C. Hooft, verzorgd en uitgegeven door Johan Koppenol en Ton van Strien. De muzikale redactie had Natascha Veldhorst. Zij heeft alle melodieën opgespoord waarop de liederen van Hooft te zingen zijn en er zit zelfs een cd bij het boek, waarop te horen is hoe Hooft klinkt. Jammer genoeg ontbreekt de cd bij het boek dat ik heb. Op de redactie van de krant zoeken ze er nog na. Ach, die komt wel.

De gedichten is een voorbeeldig uitgegeven boek: handige registers, uitgebreide annotaties, goede uitleidingen, prettige bladspiegel, mooi gebonden. De spelling van de gedichten is aangepast aan de huidige, net als in Overvloed van vonken. Dat vergemakkelijkt het lezen zeer. Ik heb het boek een paar weken lang met plezier gelezen, waarbij ik mezelf een rantsoen van vijfentwintig gedichten per dag oplegde. Je moet niet al het lekkere achter elkaar opeten.

De gedichten zijn chronologisch gerangschikt, waardoor de bundel ook gaat werken als een soort dagboek en de aantekeningen als een biografie. Wordt het trouwens geen tijd voor een goede biografie over Hooft? En als die er is, waarom weet ik dat dan niet?

De gedichten van Hooft aan Huygens vielen mij op. Zo vaak zagen de dichters elkaar niet, maar je merkt dat er een warme vriendschap is, waarvan de basis wederzijdse bewondering is. Hooft was vijftien jaar ouder dan Huygens en zal voor de laatste wel een soort voorbeeld geweest zijn, maar Hooft heeft ook al snel het talent en de virtuositeit van Huygens herkend. De beide dichters bieden tegen elkaar op: Hooft schrijft een gedicht aan Huygens, waarna Huygens een gedicht terugschrijft met exact dezelfde rijmwoorden, waar Hooft dan weer met een gedicht overheen gaat. Macho's in de poëzie.

Als Hooft nog maar een jong broekje is, schrijft hij vanuit Italië een rijmbrief aan de kamer 'In liefde bloeiende'. Goed, misschien een beetje gekunsteld, misschien ook ronkt het een beetje, maar de dichter was nog geen twintig! Ik las de rijmbrief geïmponeerd.

Het mooist vond ik een gedicht over Brechje Spiegel. Hooft had best wat met haar willen beginnen en zij voelde er ook wel voor, maar de familie was tegen. Brechje overlijdt al jong. Hooft schrijft drie gedichten op haar graf. Het derde:
Groot van geest en kleen van leden,
groen van jaren, grijs van zeden,
lieflijk zonder lafferij,
goelijk zonder hovaardij,
rein van hart inzonderheid
was zij, die hieronder leit.
Een eenvoudig gedicht, waarin niet eens zo heel veel bijzonders staat, misschien. Maar het trof mij in zijn uitgekleedheid, in zijn verstilling. Iets groots heel klein houden - dat kon Hooft dus ook.

Brechje stierf waarschijnlijk ten gevolge van zelfmoord. Hooft hoort dat pas enkele jaren later en schrijft een gedicht in zijn rijmkladboek, dat onvoltooid is gebleven. Hierin vertelt hij dat ze zich eerst verwondde, maar dat ze niet doodbloedde. Vervolgens nam ze pijnstillers, maar doordat ze moest braken, werden ook die haar niet fataal. Wel werd ze ernstig ziek, maar ze genas. En dan breekt de tekst af. Ook die tekst is schrijnend, maar ik hou de voorkeur voor het eenvoudige grafgedicht.

Wie van poëzie houdt, moet maar gewoon dit dikke boek kopen. Ja, er staan ook moeilijke en taaie gedichten in, waarbij je de aantekeningen hard nodig hebt en, inderdaad, sommige gedichten spreken niet meer aan. Maar er staat ook zoveel moois in.

Laat ik eindigen met de slotstrofe van een lied uit Theseus en Ariadne dat Hooft schreef toen hij goed twintig was:
Het geile vee naar lust
zijn honger plechtig blust
van steile rotsen vlieten
de beken zeewaart in:
maar ik draag leide min
en kan ze niet genieten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen