donderdag 26 januari 2012

Dichters als u en ik




Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...

Dat schreef Annie Schmidt in het gedicht ‘Raad’. Een moeder adviseert daarin haar dochter om niet met een dichter te trouwen, maar met een kruidenier:

Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de zakjes blauw
dochter, is altijd voor jou.

Blijkbaar zag Annie Schmidt dichters niet als betrouwbare levenspartners. Zij kon het weten, want zij was zelf een dichter.

Wat zij schrijft, past bij het romantische beeld van de dichter. De dichter blijft ’s nachts op en ligt overdag in bed, drinkt liters wijn, jenever of absint, pikt elke avond een ander lief op in de kroeg en doet allerlei dingen die wij gemiddeld genomen niet doen.

Een dichter heeft geen maatschappelijke functie, kijkt geen tv en leest geen krant. In zijn hoofd vormen zich zinnen als:

laat ook de minnaars nog liggen en stilte
zwart tussen hun zilveren oren en ach
laat de meisjes hun veertjes nog schikken en glimlachen

Dat zijn toch heel andere zinnen dan ‘Mag het iets meer zijn?’ en  ‘Hebt u dat niet kleiner?’ Zinnen die gewone mensen in gewone situaties gewoon tegen elkaar zeggen.

Het spijt me, maar ik moet u dat romantische beeld van de dichter afnemen. Natuurlijk zijn er dichters die schrijven dat alleen de namen van de grote drinkers voortleven, natuurlijk zijn er dichters die zich dood gezopen of gespoten hebben. Natuurlijk zijn er dichters voor wie geen vrouw veilig is. (Moeder ga voor je dochter staan, daar komt weer een dichter aan).

Maar er zijn veel meer dichters die, net zo braaf als wij, een baan hebben en een geregeld leven leiden. Pierre Kemp was tot aan zijn pensionering loonadministrateur bij de steenkoolmijnen en schreef zijn gedichten in de trein van en naar zijn werk. Vandaar ook dat hij veel korte gedichten heeft geschreven.

Rutger Kopland verdiende zijn brood als psychiater, Esther Jansma  is archeoloog, Leo Vroman is hematoloog, drs. P is econoom, Ed Leeflang was docent, net als trouwens Driek van Wissen en Thomas Lieske.

Veel van die dichters hebben ook keurig relaties. Anton Korteweg is al jarenlang met dezelfde vrouw getrouwd en daar dicht hij dan ook over. En niet alleen maar hooggestemde gedichten over iemand die wel even de sterren zal gaan plukken of die al vroeg in de ochtend jubelt: ‘Je bent een droom die naast me ligt.’ Nee, Kortweg schrijft:

Je kan wel merken dat ik ouder word:
naakt lig ik naast je en ik hoef niet eens.
Kwam daar een jaar of twintig terug eens om.
Zag ik je knie, hij stond al voor je klaar.

U hebt natuurlijk allemaal een relatie waar nog steeds de vonken vanaf springen, zodat u nog zonder kruik of elektrische deken kunt. U en uw partner wanen zich misschien nog halfgoden. Maar dichters zijn gewone mensen; zij doen hun boodschappen bij de Aldi, betalen op tijd hun belasting en klagen over de prijs van de benzine.

Waarom houden veel mensen dan toch zo hardnekkig vast aan het beeld van de onaangepaste, zuipende en hoererende dichter? Waarom willen wij zo graag dat dichters zo zijn?

Wellicht hebben wij ooit zelf gedacht dat wij groots en meeslepend konden leven, dat wij ons niets gelegen hoefden te laten liggen aan de rest van de samenleving. Maar we zijn in een baan terecht gekomen en in een gezin. We eten stipt om halfzeven, zijn aardig voor de buren en gaan eenmaal per maand naar het cultureel café.

De dromen die wij niet waargemaakt hebben, projecteren wij op de dichters. Maar zij zijn niet anders dan wij.

Laat ik daarom eindigen met een kwatrijn dat Gerrit Komrij schreef, met een knipoog naar Kloos:
  
Ik ben een God in ´t diepst van mijn gedachten
En zit in ´t binnenst van mijn ziel ten troon
Maar verder ben ik helemaal gewoon,
Met haaruitval en spijsverteringsklachten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen