woensdag 8 augustus 2018

Onder een hemel van sproeten (Alex Boogers)


Het is altijd lekker om te beginnen aan een boek van een auteur wiens werk je nog niet kent. Van Alex Boogers kwam ik de naam hier en daar tegen, vaak in combinatie met de titel Alleen met de goden. Er was ook iets met vechtsport, wat een zeldzame combinatie met literatuur is. Ik las met dat thema alleen De hoeken van de ring van Hans Moll. Maar ik had nog geen roman van Boogers gelezen.

Vaak is het een interview dat mij doet besluiten een boek te kopen. Deze keer was dat het gesprek in Kunststof. Dat ging over de nieuwe roman van Boogers, Onder een hemel van sproeten. De recensie in NRC Handelsblad (waarin een oude man een 'ouderling' wordt genoemd) was nogal negatief (twee ballen), maar hield me toch niet van aankoop af.

Harvey, Amy, Jacob

Het verhaal in het boek wordt verteld door Harvey, een zwarte jongen die op school gepest wordt. Hij is op zijn negende gestopt met praten na een gevecht tussen zijn dronken vader en zijn moeder waarin hij ingreep. Vader werd daarbij door moeder gedood met een kandelaar. Harvey begint pas weer te praten als het Joodse meisje Amy onder hem komt wonen.

Ook heeft hij contact met de kreupele Italiaan Angelo, die op de ene bladzij een buurman wordt genoemd en van wie twee bladzijden verder wordt verteld dat hij een paar straten verderop woont. Die leest boeken en hij laat ook Harvey boeken lezen.

Dan is er nog de oude man Jacob, die ook wel Cor genoemd wordt, een weduwnaar, die veel rondzwerft bij het meer, waar hij een ijsvogel hoopt te spotten. Hij heeft daar Amy ontmoet.

Bij het begin van het boek is alles eigenlijk al achter de rug. In de proloog vertelt Harvey dat hij het verhaal zal vertellen, maar dat hij iedereen zijn eigen stem wil laten houden. We lezen dus wel het verhaal van Jacob (in de ik-vorm), maar verteld door Harvey. De stem van Amy haalt hij uit haar schrift, een dagboek dat ze schrijft op aanraden van dokter Bertrand, waarschijnlijk een psycholoog.

Dat Harvey het verhaal van Jacob zo gedetailleerd kan vertellen is niet zo geloofwaardig, ook al vindt hij zichzelf de ideale getuige. Blijkbaar is het schrijven belangrijk voor hem. Aan het eind van het boek is hij klaar met het schrijven van deze roman. Het lijkt erop dat hij eindelijk tot zijn recht is gekomen.

Buurt

De wijk waarin het verhaal zich afspeelt is niet erg opwekkend. Harvey zegt daarover:
Je weet pas wat een buurt kan doen als je er echt woont, en als je er niet woont, dan denk je al snel dat iedereen overdrijft, of dat zulke wijken niet bestaan in Nederland, maar iedereen die er woont weet precies hoe het is, en daarom zeggen de jongens op straat vaak: 'Je weet toch.' De jongens weten hoe hun ouders zijn en hun ouders weten hoe moeilijk het is om de eindjes aan elkaar te knopen. Daarbuiten wonen de mensen voor wie het leven aan komt waaien, en die beweren vaak dat geluk of succes een keuze is. Dat er voor iedereen een weg naar buiten is. Maar dat ligt eraan of je de kracht hebt om te blijven lopen, of dat je ergens vast komt te zitten en er niemand is die je komt helpen. 
Met deze passage lijkt Boogers de critici voor te willen zijn die gaan beweren dat het wel een opeenstapeling van problemen is. Ook in dit boek zit iedereen dik in de problemen. De zwarte Harvey wordt uitgesloten en praat lang niet; Amy heeft een nare stiefvader, een oma met een kampverleden en ze loopt bij een psycholoog; Jacobs vrouw Claire heeft lang in een hospice gelegen voordat ze overleed toen hij de dood een handje hielp, maar Jacob blijkt ook nog een #metoo-verleden te hebben. Toen ik dat laatste las moest ik wel fronsen.

Alsof het allemaal nog niet treurig genoeg was. Op deze manier wordt het allemaal wel erg vet aangezet en dat doet, in mijn ogen, het boek geen goed. Hetzelfde bezwaar voelde ik bij het lezen van het boek van Lize Spit. Juist doordat het allemaal nog erger en nog uitzichtlozer moet, haakt de lezer op dat punt af. Deze lezer, in ieder geval.

Titel 

Waarnaar de titel verwijst, wordt duidelijk in de volgende passage.
Later, op mijn kamer, moest ik denken aan de woorden van oma, dat ze zei dat ik moest opkijken naar de hemel, juist als je het gevoel hebt dat iedereen je afbrandt. 'Kijk dan hoe de as omhoogwervelt, hoe de vlokken om elkaar heen dansen, elk stukje uniek en bijzonder, en daarachter is het licht, zie je? Voorbij de bewolking. Voorbij de vlokken. Zoek het licht onder een hemel van sproeten, lieverd. Wat moeten we anders?'
We hebben niet een onbelemmerde blik op de hemel. Daar zitten anderen tussen die je afbranden, maar blijkbaar moet je daar doorheen kijken om zicht op het licht te houden.

De anderen proberen Harvey te vernederen en Amy krijgt het moeilijk met een stel jongeren onder wie enkele radicaal wordende moslims. Jacob krijgt het aan de stok met de stiefvader van Amy. Het zijn de verbrande stukjes waar je doorheen moet kijken. Harvey vindt de kracht om een boek te schrijven, Jacob stelt een daad, maar zal het ook niet redden en voor Amy is het wel heel lastig om het licht te blijven zien.

Erg opwekkend is Onder een hemel van sproeten dan ook niet. Het is lastig om in te grijpen in je leven of dat van een ander. Zoals Harvey schrijft:
Iedereen denkt dat hij iets had kunnen doen, maar de waarheid is dat je nooit precies weet wat je moet doen, en als je iets doet, dan gaat het vaak mis. Heel erg mis. 
De enige die het redt, is Harvey, doordat hij schrijft. Amy heeft zich ook een tijdlang aan de kunst vastgehouden, daarin gestimuleerd door haar docent beeldende kunst en bij Jacob was het de jazz die hem uittilde boven de dagelijkse ellende, zoals ook de hoop op het zien van een ijsvogel dat deed. De kunst tilt ons uit boven de wereld om ons heen, maar meestal helpt het maar tijdelijk, lijkt Boogers ons mee te willen geven.

Levenswijsheden

Dat meegeven is ook nog wel een punt. Vooral de docenten van Amy zijn nogal prekerig en strooien met levenswijsheden. Dat is in een wereld van lesplanners en studieprogramma's niet zo geloofwaardig, maar al dat boodschapperige werd me bovendien wel wat veel.

Bijna iedereen in het boek strooit met levenswijsheden en soms zijn die onbegrijpelijk: 'Een wiel draait niet door de spaken in het wiel, maar door de ruimte tussen de spaken.' Het draaien van een wiel lijkt me nooit afhankelijk van de spaken en zeker niet van de ruimte ertussen.  Boogers heeft het vaker over de tussenruimte, bijvoorbeeld als hij Harvey 'de blauwe noot' noemt:
'Je loopt tussen de regels, buiten de gebaande paden. Je bespiedt me, kijkt toe, en zegt nooit iets. En tegelijk hoor ik je, zie ik je, en ben je altijd aanwezig. Zoals een blue note in jazz.'
Harvey ervaart de kracht van het isolement. Juist door niet tot de groep te behoren, door zich buiten het systeem te plaatsen, kun je waarnemen wat er gebeurt en er verslag van doen.
Weer werd ik gezien als de stomme zwarte, die nergens iets van begreep en die overal buiten stond. Maar dat was juist de beste rol die een getuige kon hebben. Ik moest overal buiten staan. Dat zag ik nu in. Ik moest overal tussendoor bewegen, precies zoals de oude man tegen mij had gezegd. 
Het is altijd dubieus om personages te linken aan de schrijver, maar het zou zomaar kunnen zijn dat ook Boogers zelf de positie van de buitenstaander koestert.

Spanning

Zoals gezegd, er is best wat aan te merken op Onder een hemel van sproeten: de ongeloofwaardigheid van het perspectief, de overdaad aan ellende, het strooien met levenswijsheden. En aan het eind suddert het nog een hele tijd door, terwijl je het idee hebt dat het verhaal eigenlijk al afgelopen is, maar dat boek van Harvey moest er nog in en dat kost (te veel) tijd. Toch heb ik me niet verveeld tijdens het lezen en sommige dingen doet Boogers erg goed.

Op de twee spannendste momenten in het boek voert hij de spanning op door er een ander verhaal doorheen te snijden, waardoor het ontrollen de spannende verhaallijn vertraagd wordt. Een goede manier om de lezer bij de lurven te pakken.

Je blijft als lezer betrokken bij de personages en daardoor ook bij de thematiek: hoe uitzichtloosheid mensen ergens toe aanzet, hoe iedereen min of meer product is van zijn omgeving, hoe vergelding soms nodig is, terwijl het tegelijkertijd niets oplost. Dat had allemaal wat minder expliciet gemogen van mij, maar wellicht is dat ook een kwestie van smaak.

Maar wie een lezer 376 bladzijden lang behoorlijk kan boeien, doet toch het belangrijkste wat een schrijver moet doen: de lezer erbij houden. Dat is in ieder geval gelukt.

dinsdag 7 augustus 2018

De jaren Eppo (Ger Apeldoorn)


Vroeger was ik een Sjors-lezer. Bij een vriendje thuis hadden ze een abonnement en ik mocht altijd de oude nummers mee naar huis nemen. Later ging het net zo met de Eppo's, al kwamen die binnen via een vriendje van mijn broer. Toen Eppo in 2009 opnieuw werd opgericht, was ik er als de kippen bij om zelf een abonnement te nemen.

Ger Apeldoorn, wandelend vat vol feiten uit de stripgeschiedenis, schreef in 2014 de geschiedenis van het stripblad Pep: De jaren Pep en hij boog zich ook over de imitaties van Mad: Behaving madly. En nu is er dus De jaren Eppo, 35 jaar de allerbeste strips, 1975 - 2018.

Anders dan de ondertitel doet vermoeden, begint Apeldoorn niet in 1975, maar in 1954 bij de oprichting van Sjors. Het eerste hoofdstuk heet overigens 'De jaren Sjors, of in ieder geval een aantal ervan. De jaartallen die daarbij gegeven worden zijn dan ook 1969 - 1975. Dat wil zeggen dat het begin van Sjors slechts in een paar alinea's wordt aangeduid. In 1969 werd Sjors vernieuwd en vanaf dat moment duikt Apeldoorn er wat dieper in.

1975: oprichting Eppo

In 1975 fuseren Pep en Sjors tot Eppo. Apeldoorn neemt ons mee door de jaargangen, waarbij hij natuurlijk aandacht besteedt aan de verschillende strips, de tekenaars en de scenaristen, maar ook aan de vormgeving en aan het striplandschap (in de jaren tachtig werd er bijvoorbeeld op TV aandacht besteed aan strips, in Wordt vervolgd).

Apeldoorn doet dat goed: hij heeft veel mensen gesproken en wist daarvoor natuurlijk ook al veel. Doordat hij het geheel overziet, kan hij ontwikkelingen makkelijk plaatsen. Het is altijd prettig om iets te lezen van een auteur die boven de stof staat. Apeldoorn weet duidelijk waarover hij het heeft en hij schrikt niet terug voor het geven van een oordeel. Een voorbeeld:
Hoewel de verhaaltjes van De stuntels zeer vermakelijk waren, bleef het stilistisch een ongemakkelijk huwelijk. Wat dat betreft was Peter de Wit (of Gerrit de Jager en Wim Stevenhagen, die in die jaren begonnen met De familie Doorzon) een veel betere keuze geweest. 
Of je dat moet doen in zo'n boek kun je je afvragen, maar ik vind het eigenlijk wel prettig. De persoonlijke manier waarop Apeldoorn vertelt maakt het lezen prettig. Zo'n vertellende stijl heb je ook wel nodig, omdat je anders als lezer misschien wel erg vermoeid zou raken door de hoeveelheid feiten, die in een boek als dit nu eenmaal niet te vermijden zijn.

Dat ik het boek met zo'n gretigheid heb gelezen, zal ook wel te maken hebben met de herkenning. Je leest daardoor niet alleen een boek, maar ook je eigen leven.

Rijk geïllustreerd

De jaren Eppo is rijk geïllustreerd, zoals het hoort bij een dergelijk boek. Mooi is ook dat er van sommige strips twee complete pagina's zijn opgenomen. Dat betreft werk van tekenaars die intussen iconen zijn binnen de Nederlandse stripgeschiedenis (Hans G. Kresse, Dick Matena, Martin Lodewijk). Bij de verantwoording van de illustraties worden wel de rechthebbenden genoemd, maar niet de bron. Dat had misschien bij zo'n striphistorisch werk toch wel gemoeten. Ook zou het prettig geweest zijn als er een personenregister aan het werk was toegevoegd.

En als we toch aan het zeuren zijn: de redacteur van Uitgeverij L heeft hier en daar een kleinigheid over het hoofd gezien: blijkbaar is er op blz. 74, 75 een afbeelding weggevallen, maar het bijschrift staat er nog; op blz. 123 is een stuk van een zin weggevallen; aan het eind van de blz. 126 en 128 is het even zoeken naar waar de zin verder gaat. Het zijn kleinigheden, ik weet het, maar wellicht kunnen ze bij een herdruk rechtgezet worden.

De hele geschiedenis

Apeldoorn neemt de hele geschiedenis van Eppo mee, compleet met aanloop (Sjors) en uitloop (Eppo Wordt vervolgd, Sjors en Sjimmie Stripblad, SjoSji, Striparazzi) en de wederopstanding met de nieuwe Eppo, die volgend jaar tien jaar bestaat. Voor elk hoofdstuk is er een pagina afgedrukt met daarop vier keer een cover van het blad uit die tijd, waardoor de ontwikkeling goed te volgen is, zelfs als je alleen maar bladert in De jaren Eppo.

Natuurlijk heb ik het boek in zijn geheel gelezen, maar daarvoor heb ik er ook naar hartenlust in gebladerd: het is zowel een lees- als een bladerboek. Eigenlijk hoort een dergelijk boek een harde kaft te hebben, maar er is ook een softcoveruitgave, voor degenen die liever het idee hebben dat ze een fors uitgevallen stripalbum in de hand hebben.

Er zijn ongetwijfeld mensen aan wie De jaren Eppo niet besteed is, maar voor degenen die van stripbladen houden is zo'n boek heerlijk. Het moest er eigenlijk ook wel een keer komen, zeker nu volgend jaar de nieuwe Eppo zijn tweede lustrum viert. Mooi jubileumboek.

Titel: De jaren Eppo
Auteur: Ger Apeldoorn
Uitgever: Uitgeverij L
Oosterhout 2018; 160 blz. € 24,95 (sc) € 29,95 (hc).

maandag 6 augustus 2018

Het glas van Casanova (Joris van Casteren)


De klacht zal hier vaker terugkomen: ik lees te weinig. In ieder geval minder dan ik zou willen.  Jeroen Dera kwam tot de conclusie dat dat geldt voor veel docenten Nederlands. Een reden om nog dieper het hoofd te buigen.

Boeken

Zo had ik tot voor kort niets gelezen Joris van Casteren. Wel over hem, want ik kijk wel eens een krant in, kom wel eens in boekhandel, bezoek wel eens website. Zo kende ik zijn boeken Lelystad (en hoe weinig sommigen dat in die plaats konden waarderen -2008), Het been in de IJssel (de speurtocht naar de herkomst van een gevonden been - 2013) Mensen op Mars (over het project Mars One - 2016) en Een botsing op het spoor (over een aanrijding van een trein met een moeder met kinderen, een familiedrama -2017). Allemaal boeken die wortelen in de journalistiek, reportages. Voor zover ik weet, tenminste.

Op de site van Van Casteren zie ik dat hij nog meer schreef, bijvoorbeeld Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf (2006), interviews met schrijvers die het niet gemaakt hebben. Dat boek zou ik eigenlijk moeten lezen. Ik heb altijd zeer genoten van de stukken van Jeroen Brouwers en Stefan Brijs over schrijvers die in de vergeethoek terecht zijn gekomen. Hier schreef ik over Boeken die men niet meer leest van Jan Walch en voor het blad Liter maakte ik de korte serie Onder het stof over dichters als Joannes Reddingius, H.W.J.M. Keuls, Martien Beversluis, Niek Verhaagen en Willem Brandt.

Van de stukken van Van Casteren heb ik er indertijd wellicht een paar gelezen. Was hij degene die niet Judicus Verstegen interviewde? Ik las van hem alleen Een kurk in de rit. Andere romans wachten in de boekenkast. Maar dat artikel herinner ik me. Wellicht heb ik nog het een en ander aan los werk gelezen.

Het glas van Casanova

Terug naar Van Casteren. Zijn werk heeft alles om door mij gelezen te worden, maar het is er dus nooit van gekomen. Tot voor kort. Want ik heb Het glas van Casanova gekocht. En gelezen. Na het beluisteren van een interview met de schrijver, vermoed ik. Dat zal dan wel bij OBA live zijn geweest.

'Sebald en de anderen achterna' is de ondertitel van Het glas van Casanova en dat is wat Van Casteren gedaan heeft: schrijvers achterna reizen. W.G. Sebald en Joseph Roth (twee keer), maar ook Frans Coenen, Simenon, Frederik van Eeden, Aldous Huxley en Curzio Malaparte. En meer; het boek bevat  vijftien stukken, waarvan er veertien eerder gepubliceerd zijn.

De titel wordt verklaard in het eerste stuk (over Sebald):
In Duizelingen -dat vier jaar voor De ringen van Saturnus verscheen- haalt Sebald Giacomo Casanova aan. Die schrijft, in het verslag van zijn gevangenschap in het Venetiaanse Dogenpaleis, dat een mens slechts zelden krankzinnig wordt, maar dat het meestal niet veel scheelt. 'Er is slechts een geringe verschuiving nodig en niets is meer wat het was.' Casanova vergelijkt het met een glas dat niet breekt als het niet gebroken wordt. 'Maar hoe gemakkelijk gaat het kapot. Een verkeerde beweging is genoeg.'
Dat bij sommige schrijvers het lijntje tussen krankzinnigheid en niet-krankzinnigheid dun is, wordt misschien duidelijk uit sommige stukken, maar het verwijst ook naar de schrijver, die ook last heeft van de 'verlammende angsten' waar Sebald over schreeft en hij hoopt op 'een helende werking' als hij de plaatsten aandoet waar Sebalds angsten zich hebben voorgedaan.

Dat Van Casteren 'de anderen achterna' gaat, is daardoor wellicht niet alleen een fysieke verplaatsing, maar ook een mentale weg (of de vrees daarvoor).

In het titelverhaal, waarmee de bundel opent, is de verteller samen met zijn dochtertje. Van dat achterna reizen komt eigenlijk niet veel: veel van de voorgenomen plannen konden niet uitgevoerd worden. Maar daarmee is de reis niet tevergeefs geweest: 'Pas in Amsterdam besef ik dat ik dieper dan ooit in Sebalds universum ben doorgedrongen.'

Slotzin

Dat is een duidelijke slotzin, die het einde van een stuk helder aangeeft. Vaak houden de stukken van Van Casteren zomaar op. Ik had dan het idee dat er nog wat kon volgen (of dat het stuk wellicht korter had gekund). Ik snap ook wel dat in het werkelijke leven veel markeringen niet duidelijk zijn en dat de ene verhaallijn doorloopt in een volgende, maar het lukt mij niet om zo te redeneren dat ik mezelf overtuig. Voorlopig blijf ik het toch maar zien als een minpuntje.

'Is dat even verkeerd opgenomen!' gaat over een vriendschap (ik weet niet of dat het goede woord is) tussen W.F. Hermans en Hans van Straten (die van De omgevallen boekenkast). Het liep verkeerd, zoals het vaak verkeerd liep tussen Hermans en anderen. Van Casteren bezocht Van Straten in 2001 en vertelt hoe dat bezoek ging. Van Stratens vrouw krijgt het laatste woord:
'Ach, je hebt veel meer gedaan,' suste Joke. 'Je vriendschap met Max de Jong, je correspondentie met Ab Visser. Ab was veel meer een echte vriend.' 
Stuk afgelopen. Je kunt zeggen dat het we zo toch nog mooi even meekrijgen dat Hermans geen goede vriend is geweest, maar ik voel me meer iemand die op de gang luisterde naar een gesprek in de kamer, waarbij ineens iemand de kamerdeur sluit.

Ik denk dat Van Casteren zich overigens niet zo druk maakt over een hechte structuur in zijn stukken. Er is altijd iets uit het verleden en daar zijn altijd teksten bij en in het heden reist Van Casteren naar plekken die in verband gebracht kunnen worden met de schrijver. Dan krijg je vanzelf verband tussen de teksten, het verleden en het heden. Dan hoeft een verhaal misschien niet altijd 'rond' gemaakt te worden.

Lulligheid

Er staan overigens heerlijke stukken in Het glas van Casanova. Bijvoorbeeld over Frans Coenen, die in Onpersoonlijk herinneringen een niet vleiend beeld gaf van een echtpaar dat een museum naliet. Het museum bestaat nog en kampt nog steeds met de gevolgen van wat Coenen schreef. Dat boek las ik trouwens ook al niet; ik kwam nooit verder dan Zondagsrust en Verveling. Van Casteren laat zich rondleiden door het museum.

Of over Simenon, die in Delfzijl afgewezen werd door een meisje en haar vervolgens portretteerde als een slet. Van Casteren bezoekt Delfzijl en spreekt haar.

Hilarisch is ook het uitstapje met de hoogbejaarde leden van het Frederik van Eeden-Genootschap, onder wie een kleindochter van de schrijver. We krijgen niet alleen een beeld van Van Eeden, maar ook van het groepje mensen, over wie Van Casteren verder niets hoeft te zeggen: hij geeft weer wat hij ziet en hoort en daaruit blijkt dat hij een scherp oog en een even scherp oor heeft. Hij weet de mensen uitstekend te typeren, door ze alleen maar te beschrijven. Hetzelfde doet hij met een groepje dat zich bezighoudt met Joseph Roth.

Het gaat om kleine mensen die zich belangrijk voelen doordat ze zich bezighouden met iets/iemand dat/die boven henzelf uit stijgt. Je kunt zeggen dat Van Casteren vooral de lulligheid wil laten zien, maar dat is dan wel de lulligheid die ons allen aankleeft, vrees ik. Er zit een zekere treurigheid in dat er van een afdeling die uitgenodigd is voor een tocht slechts een enkel persoon is komen opdagen, maar dat zijn de verhalen die we liever lezen dan de succesverhalen. Ik in ieder geval wel.

Historische sensatie

In het stukje achteraf, 'Literair toerisme', schrijft Van Casteren dat hij op pad is gegaan om de 'historische sensatie' te zoeken: een verbinding te leggen met een wereld die er niet meer is of, zoals Van Casteren schrijft: 'de vaak veranderde wereld van een verdwenen betekenis voorzien, om zodoende dieper te kunnen doordringen in werk en persoon van de auteur. En, uiteraard, om daar een nieuwe laag -het verhaal zelf- aan toe te voegen.

Dat is wel gelukt, denk ik. Over en van Gerard Bilders las ik bijvoorbeeld al veel in het voortreffelijke, door Wiepke Loos bezorgde boek Gekleurd grijs (zie hier). Veel van wat Van Casteren schrijft over Bilders, wist ik dus al. Maar hij gaat op zoek naar de plekken in Amsterdam waar misschien nog een restje Bilders te vinden is en dat heb ik toch met veel plezier gelezen. Dat krijg je niet mee als je alleen maar de oude teksten leest.

Als Van Casteren spreekt met de vrouw achter een personage bij Simenon (in 'De borsten van Beetje'), realiseer je je hoe kort geleden het is dat de schrijver in Delfzijl rondgelopen heeft en dat dat schrijfhuisje van Van Eeden nog bestaat, zij het in niet al te beste staat, is ook heerlijk.  De hut (met de huidige eigenares) komt ook voor in onderstaand filmpje.


Smullen. Voor wie van literatuurgeschidenis houdt. Maar eigenlijk is dat niet eens nodig. Je ontmoet mensen die spreken nadat zij gestorven zijn, zoals het bij ons thuis heette als het overleden dominees ging met hun 'overjarig koren'. Er is niets aan te doen, vrees ik. ik zal meer van Van Casteren moeten gaan lezen.

En nu ervoor zorgen dat er ook iets van komt.

dinsdag 24 juli 2018

Voedingsmythes (Martijn Katan)


Er is in of op allerlei media opvallend veel aandacht voor voeding. In Nederland hoeven we er niet meer over in te zitten of we wel te eten hebben, maar we vragen ons wel af of we het goede te eten krijgen. Overal zijn er voedselgoeroe's die diëten aanprijzen (en er hun boek bij te koop aanbieden). Op Instagram, Facebook, weblogs, in praatprogramma's en levensstijltijdschriften, overal worden er voedingsadviezen gegeven.

Die adviezen zijn zeer modegevoelig. Vijfentwintig jaar geleden hoorde je nogal over het dieet van Montignac. Er zullen best nog een stel Montignacgelovigen zijn, maar je hoort er weinig meer van. En het Atkinsdieet, volgt iemand dat nog? Het brooddieet dan? Het sherrydieet? De sapkuur? Allemaal in de schemering verdwenen.

Een tijdje terug was vet de grote boosdoener, nu zijn het de suikers, geloof ik, of de koolhydraten. En er is op een verjaardag altijd wel iemand die na een lichte por een verhaal wil afsteken over de verderfelijke E-nummers.

Gelukkig is er al tijden het Voedingscentrum, dat ons adviseert om gevarieerd en niet te veel te eten. Het heeft de wetenschap aan zijn kant, al is er altijd wel een complotdenker die beweert dat Unilever achter de Schijf van Vijf zit.

Ik weet van het onderwerp natuurlijk weinig af, al lees ik wel eens wetenschapsbijlage en volg ik wetenschapspodcasts. Wel weet ik wat van taal en voel ik op mijn klompen aan dat de benaming 'superfood' weinig zegt over hoe goed een bepaald voedingsmiddel is, maar meer over hoe je iets kunt positioneren binnen de voedingsmarkt. Slimme benaming, overigens.

Aangezien ik mijn leerlingen het een en ander bij moet brengen over argumenteren en drogredenen, herken ik wel hoe slecht houdbaar de redenering is dat je gerust elke dag een pond vet spek kunt eten, omdat opa Willemsen er negentig mee geworden is of dat je geen chocola moet eten, omdat nichtje Marietje daar puistjes van gekregen heeft.

En gelukkig is er het boek Voedingsmythes van Martijn Katan. Katan, emeritus hoogleraar voedingsleer,  haalt in dat boek allerlei mythen onderuit: dat langzame koolhydraten beter zijn dan snelle; dat biologische melk en kaas gezonder zijn dan gewone melk en kaas; dat E-nummers ongezond zijn; dat antioxidanten kanker en vaatziekten voorkomen; dat tarwe niet gezond is; dat natuurlijk eten altijd het beste is - het is allemaal onzin.

Katan is wetenschapper en hij baseert zich op wat intussen algemeen aanvaard wordt door wetenschappers. Het prettige is, dat hij zich bij al zijn beweringen (dus niet alleen bij zijn conclusies) baseert op wetenschappelijke onderzoeken. Al die onderzoeken zijn opgenomen in de noten; het is een schat aan informatie. Ook verwijst Katan verschillende keren naar de EFSA, de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid

Als Katan afwijkt van de wetenschappelijke inzichten (hij denkt dat het belang van het eten van groente en fruit overschat wordt) vertelt hij dat er netjes bij.

Achter in het boek is een handig register opgenomen zodat je niet lang hoeft te zoeken als je wilt weten of kokosolie of abrikozenpitten gezond zijn..

Over Voedingsmythes ben ik behoorlijk enthousiast. Niet alleen vanwege de betrouwbaarheid, maar ook omdat het zo prettig leest. Katan heeft een heldere manier van schrijven, die bovendien erg beeldend is.

Een voorbeeld, over het slikken van multivitamines:
Vergelijk het met een telefoon. Als die leeg is, kun je niet meer bellen of internetten, dus moet je hem regelmatig voeden met stroom. Als je hem echter twaalf keer per dag oplaadt, wordt YouTube niet sneller. Als je hem oplaadt aan een laadpaal voor een elektrische auto, krijg hij een megadosis stroom en gaat hij kapot. Geen verstandig mens doet dat met zijn telefoon, maar sommige mensen doen het wel met hun lijf; ze slikken megadoses vitaminen met het idee 'hoe meer hoe beter'. Dat is niet zo. 
Ja, ja, zo'n vergelijking kan ook misleidend zijn, ik weet het. Maar Katan legt daarna wel uit hoe het zit met de hoeveelheid vitamine B6 die een capsule multivitamine zit of de hoeveelheid ijzer.

Ik hou van de lichte toon die Katan aanslaat en van de helderheid waarmee hij formuleert. Aan het eind van elk stukje geeft hij een korte conclusie. Bijvoorbeeld over het paleodieet (eten als de oermens):
Het paleodieet heeft een paar goede ideeën maar alles bij elkaar is het niet gezond. Laten we ons ook geen illusies maken over het leven in de oernatuur; dat was 'nasty, brutish, and short'.
Over het drinken van water:
Daarmee hebben we het gehad. Van meer water drinken word je niet slimmer of sneller, als je moe, bang of misselijk bent gaat dat er niet van over en je krijgt er geen strakkere huid van. Helaas, het is niet anders. 
In totaal behandelt Katan maar liefst zeventig voedingsmythes. Dat betekent alle stukjes slechts enkele bladzijden beslaan. Ideale vakantielectuur, lijkt me: aangenaam om te lezen en nog nuttig ook.


Voedingsmythen. Over valse hoop en nodeloze vrees door Prof. dr. Martijn B. Katan. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2016.

Uit de citaten heb ik de verwijzing naar andere pagina's in het boek stilzwijgend verwijderd.

maandag 16 juli 2018

Armando (1929 - 2018) overleden

Foto: Conny Meslier

Armando is overleden, we weten het intussen allemaal. Hij is 88 geworden, een leeftijd waarop iemand weg kan vallen. Maar toch. Zijn werk blijft, zeggen ze. Zijn schilderijen, zijn sculpturen, zijn boeken, zijn muziek. Ja, ja, maar na iemands dood kan het snel gaan. Wie leest bijvoorbeeld Hellema nog? Hotz? Alberts?

Aantekeningen over de vijand

Wanneer begon ik Armando's werk te lezen? Ik haal zijn boeken uit mijn boekenkast. Het zijn er meer dan twintig. Welke was de eerste? Aantekeningen over de vijand, vermoed ik. Een Salamanderpocket, uitgekomen in 1985, door mij gekocht in 'dec '86', zo lees ik voor in het boek. Later zou ik de oorspronkelijke uitgave kopen (1981).

De pocket heb ik gelezen en herlezen, zie ik: ik heb alle 'aantekeningen' genummerd (het zijn er 648) en op een kladblaadje heb ik woorden genoteerd die vaker terugkwamen: 'plek', 'landschap', 'bomen/bos', 'vijand', 'dader', 'aantekeningen'. Achter elk woord staan de nummers van de aantekeningen die erop betrekking hebben. Bij 'aantekeningen' staat bijvoorbeeld '79'. De betreffende aantekening luidt:
Daar zit hij, beneden, aan het water, hij zit aantekeningen over z'n verleden te maken. Een gewone man, zo te zien. 
Het zou de schrijver zelf kunnen zijn.

Ik heb geprobeerd grip op het boekje te krijgen, vermoed ik. Wellicht zijn de aantekeningen van enkele jaren later, nadat de roman De straat en het struikgewas (1988) uitgekomen was. Dat heb ik laten lezen door de cursisten van de Volksuniversiteit in Wageningen waar ik indertijd een cursus 'Hedendaagse literatuur' gaf.

Voor in De straat en het struikgewas staat 'Van Amber en Ingrid'. Dat waren twee dierbare leerlingen en 1988 was het jaar dat ik vertrok als docent op de christelijke mavo in Zetten, bijna aan het eind van het schooljaar. Ik vermoed dat Amber en Ingrid mij een boekenbon hebben gegeven en dat ik daar dit boek van Armando van gekocht heb. Andere boeken die ik mij van mijn afscheid van de mavo herinner zijn: de biografie van Couperus door F.L. Bastet en de Verzamelde gedichten van Willem de Mérode.

Na Aantekeningen over de vijand was ik verkocht: ik wilde alles van Armando lezen. In dezelfde maand, december 1986 dus, kocht ik Machthebbers (1983) en Krijgsgewoel (1986). Heb ik toen ook meteen Uit Berlijn (1982) gekocht? Het is een soortgelijk boek: stukken die in NRC hebben gestaan. Voor in het boek staat alleen, dun in potlood, mijn naam. Later zou ik ook dat niet meer doen.

Iedereen die bovengenoemde boeken leest, zit meteen in de thematiek van het werk van Armando. Vaak wordt er een verband gelegd met de Tweede Wereldoorlog. Als kind groeide de schrijver immers op in de buurt van kamp Amersfoort. Later zou hij er met Hans Verhagen een documentaire over maken en daar kwam weer een boek van uit: Geschiedenis van een plek (1980). Dat heb ik ooit de bibliotheek geleend.

De jongen met het mes

In De straat en het struikgewas komt een jongen voor, die best de schrijver zou kunnen zijn. De jongen steekt een soldaat neer:
Ze liepen langs de bomen en langs het struikgewas, over een hobbelig en zanderig terrein met lange, gele grassprieten, de jongen voorop, de soldaat  met het pistool achter 'm. De jongen deed of hij struikelde over een tak, hij greep met de ene hand naar z'n voet en met de andere hand naar z'n mes. De soldaat snauwde iets en schopte de jongen tegen z'n rug, greep 'm in z'n kraag om 'm overeind te trekken, de jongen draaide zich snel om en stak het mes diep in de buik van de soldaat.
Gelukkig maar dat het mes zo scherp was.
De soldaat greep naar het mes, maar de jongen schoof de bevende handen van de soldaat met een ruk opzij en trok het mes er weer uit. Hij zag nog dat de soldaat op z'n knieën viel en hij rende weg, door het bos.
Onderweg stak hij het mes diep in de aarde.
Was Armando die jongen? Ik heb er ooit een journalist naar horen vragen. Het zou kunnen dat het Peter van Ingen was, toen Armando te gast was bij Zomergasten. Hij zei onverstoorbaar dat het 'een jongen' was. De presentator had het trouwens best lastig die avond, als ik het mij tenminste goed herinner. Als Armando een fragment had laten zien, zei Van Ingen bijvoorbeeld: 'De vraag is natuurlijk: waarom?' Waarop Armando antwoordde: 'Ja, dat dacht ik al', om vervolgens geen antwoord te geven. Op zo'n vraag kon hij ook antwoorden met 'Dat zou ik ook wel eens willen weten.'

In ieder geval vertelde Armando niet dat hij die jongen was. Misschien was hij het ook niet. Het doet er waarschijnlijk niet toe. De oorlog was al dichtbij genoeg. De kleine Armando, die toen nog Herman Dirk van Dodeweerd heette, zag de plek waar hij speelde veranderd worden in een kamp. Zijn ouders hadden twee onderduikers in huis, die opgepakt werden. Armando zag de bewakers, zag de gevangenen, zag het kamp, zag de plek.

Schuldig landschap

En de bomen, die alles gezien hebben en niets gezegd hebben. 'Schuldig landschap' noemde hij dat, zowel in zijn boeken als in zijn beeldend werk. Daarover ben ik in de jaren tachtig en negentig ook meteen boeken gaan kopen, bijvoorbeeld Armando, schilder-schrijver uit 1985. Vooral de rand van het woud kon de vijand zien. Er zijn dan ook verschillende schilderijen die 'Waldrand' heten. We komen ook titels tegen als 'Feindbeobachtung', 'Gefechtsfeld' en dus ook 'Schuldig landschap'.

De uitdrukking 'schuldig landschap' werd gevleugeld en zong zich los van Armando: anderen namen hem over, maar tegelijkertijd moet iedereen bij 'schuldig landschap' aan Armando denken. Tientallen malen is hij erover ondervraagd en daar zal hij wel eens moe van geworden zijn. In 2006 schreef hij erover in Gedoe:
Schuldig 
De schaduwrijke woudzoom en het bladerdak spraken er schande van, tenminste, dat hoopte hij. De werkelijkheid was anders, ze spraken er géén schande van, hij wist wel beter, ze bekommerden zich nergens maar dan ook nergens om. Hij nam ze hun onverschilligheid nogal kwalijk. Niet dat ie ze 'schuldig' noemde zoals iemand dat ooit had gedaan, maar hij duidde het hun euvel, dat weet ik zeker.
Ik ken hem namelijk goed. Het is nog erger: soms denk ik dat ik 'hij' ben, al lopen we in tegengestelde richting. Ik ben moe. 

Hij schilderde ook vlagen ('Fahne'), die geëxposeerd werden in het Stedelijk museum in Amsterdam. Later zou Armando schrijven dat vlagen steeds meer op bijlen gaan lijken als je ze lang achter elkaar schildert. Grote zwarte valggen, zijn het. Vlaggen om achteraan te marcheren.

Dat Armando over de oorlog schrijft zal zeker te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog, maar ze gaan daar niet over. In zijn werk heeft 'de oorlog' een bredere betekenis. Het is meer de aanduiding van de natuurlijke staat van de mens en in zijn tekeningen zie je de oorlog zelfs terug in het tekenproces, het gevecht dat in de lijnvoering zit, de weerstand die nauwelijks overwonnen is.

Daarover schreef ook Ernst van Alphen in Armando; Vormen van herinnering (2000), een doorwrocht boek, aanbevolen voor ieder die dieper wil doordringen in het werk van Armando.

De SS'ers

Het werk van Armando is zeer divers, maar je zou ook kunnen zeggen dat het steeds hetzelfde is, in een andere vorm. Een opmerkelijk boek is De SS'ers (1967, met Hans Sleutelaar). Armando had toen nog niet meer gepubliceerd dan Verzamelde gedichten (1964). Het boek bevat gesprekken met Nederlandse SS'ers, maar de samenstellers haalden alle vragen weg, zodat de oud-SS'ers ononderbroken aan het woord blijven. Vaak zijn de stukjes binnen de hoofdstukken vrij kort. Armando heeft altijd een voorliefde voor korte stukjes gehouden, waarover straks meer.

Het boek riep weerstand op. In De Volkskrant van 1 juli 1967 besprak B. Groen het boek in een recensie met de titel 'Nederlandse SS huilt uit aan de borst van Armando en Sleutelaar'.
Het boek pretendeert een beeld te geven van de Nederlandse SS in oorlogstijd maar is in wezen niet anders dan een verzameling wat huilerige, niet geslaagde rechtvaardigingen.
Groen vond dat de zwakheid van het boek zat in het zomaar laten praten van de SS'ers. Dat zal ook het schokkende geweest zijn. In zijn stukjes uit Berlijn zou Armando, een kleine twintig jaar later ook 'Flarden' opnemen, opgetekende gesprekken. Geen duiding, geen kader; de lezer moet maar zien wat hij ermee doet. Het lijkt me een krachtig middel om de lezer aan het werk te zetten.

Hans van Straten noemde het in Het vrije volk van 15 juli 1967 'een knap interviewboek'. In het Limburgs Dagblad van 9 augustus schreef S.B. dat het boek geen antwoord geeft op de vraag wat lammeren in tijgers kon veranderen. De recensent signaleerde ook een 'Jan Cremeriaaanse' verteltrant, een zekere verlekkerdheid waarmee de gruwelen aan het front beschreven werden.

De recensent in Trouw van 20 juli 1967 achtte De SS'ers 'een gevaarlijk boek zonder tegenspraak'. In een kort stukje in het Algemeen Handelsblad wordt gezegd dat het hier geen gesprekken met oud-SS'ers betreft: 'men kan ze doodgewoon SS-er noemen'. Het stuk dat er in de Friese koerier aan gewijd wordt, eindigt met:


Waarnemen

De SS'ers past goed in het werk van Armando: observeren, waarnemen wat er om je heen gebeurt. Niet meteen oordelen, omdat dat het waarnemen in de weg staat. En tegelijk weten dat de ander net zo min te vertrouwen is als jijzelf.

Je weet al hoe het met de mensheid is en elke keer word je er opnieuw mee geconfronteerd. Nog steeds leidt het tot verbazing.  Armando heeft het in veel gedichten en in korte stukjes verwoord. In mijn boekenkast vind ik bundels terug als De haperende schepping (2003), Het wel en wee (2005), Gedoe (2006), Soms (2007), Nee (2008), Gedichten 2009 (2009), Eindelijk (2009) en Stemmen (2013).

Uit Eindelijk:
Gelijk 

Hij redeneerde en redeneerde, hij bezwoer, hij zwetste, hij leuterde. Ofschoon ik met een half oor luisterde, gaf ik hem gelijk, want mijn ondervinding is dat iedereen gelijk heeft. Ik soms ook. 
Ik denk dat het schrijven in korte stukjes, in momentopnamen, wel goed past bij wat Armando te vertellen heeft: er is geen groot verhaal, geen doorgaande lijn, zelfs een beroep op causaliteit is verdacht. De dingen gebeuren.

Mensen doen dingen en het heeft geen zin om naar redenen te vragen. Ze doen ze en dat is genoeg. Armando was wars van psychologiseren en was in zijn werk ook nooit op zoek naar zijn eigen drijfveren.

Uit Nee:
Ik weet nog steeds niet wie ik ben, en ik heb het voor zover mij bekend nooit geweten. 

Een weerzinwekkend schepsel

En soms zijn de dingen die gebeuren verschrikkelijk, maar dat is niet zo gek. De mens deugt immers niet.
Uit Gedoe:
Na indringende onderzoeken is het allang bekend dat de mens, op enkele uitzonderingen na, een minderwaardig, zo niet weerzinwekkend schepsel is. Daarom houd ik me bezig, liever gezegd moet ik me helaas bezighouden met een opvallende eigenschap van de mens, namelijk dat hij of zij met het grootste gemak de ander verraadt. 
Dat de mens een weerzinwekkend schepsel is, lijkt vooral een constatering, niet een emotionele afwijzing. Armando heeft niet zoveel op met emoties. Ook een emotie is immers een interpretatie van de aanleiding ervan. We hebben maar te accepteren dat de zaken zijn zoals ze zijn. We hoeven ons er niet tegen te verzetten, we kunnen ons er hooguit over verbazen.

Uit Eindelijk:
Opdracht 
Ik zeg het je midden in je smoel: ik ben op de wereld gekomen om me te verbazen. Ik heb kennelijk een opdracht meegekregen en die luidt: verbaas je en zet die verbazing om in kunst.
Want kun je me uitleggen waarom ik me dan zo druk heb gemaakt m'n leven lang? Ik vraag me dat op neerslachtige momenten af. Nee, ik heb die idiote opdracht maar te aanvaarden.
Met tegenzin, dat wel, laten we elkaar goed begrijpen. Ik vind dat juk, want het is een juk, soms net een schrikbewind, maar vertel het niet verder alsjeblieft, want dan krijg ik de grootste last.
Ondanks alles zing ik een kwiek lied. 
Je zou Armando een brenger van een sombere boodschap kunnen noemen, maar het is ook de zanger van een kwiek lied. Ik vind het werk van Armando uiterst geestig, ondanks de donkere ondertoon. Of misschien wel door die donkerheid.


Humor

De humoristische kant van Armando werd het bekendst door Herenleed, met Cherry Duyns en Johnny van Doorn. Op YouTube zijn verschillende voorbeelden te vinden. Ook zonder beeld blijven de teksten overeind. Ik heb verschillende dialogen met veel plezier voorgelezen aan mijn leerlingen en een enkele keer schiet mij, bij het aantrekken van een sok de zinsnede 'een omlfoerstheid van wol' te binnen.

De dialogen zijn we 'absurd' genoemd en dat zijn ze ook. Maar het absurde is voor Armando een gegeven van het leven. Hij kan de dingen die wij gewoon vinden met verbazing waarnemen en wat wij absurd noemen weergeven alsof het gewoon is.

Een voorbeeld ('De damesgestalte') vindt u hier.

Genoeg. En nooit genoeg. Armando was een veelzijdig kunstenaar, met een hecht oeuvre. Het is het lezen en herlezen waard. Hopelijk komt dat ervan, ook bij mensen die zijn werk tot nu toe ongelezen lieten.

Tot slot een stukje uit Gedoe:
Onherbergzaam 
Als ik erop terugkijk, op m'n zogenaamde bonte leven, dan kan ik het met één woord samenvatten en dat woord luidt: 'onherbergzaam'.
Ja, wat dacht je dan. Natuurlijk was het, en is het nog steeds, onherbergzaam, dat valt niet te ontkennen. Als je goed oplet merk je het. En dan kun je wel net doen alsof het niet zo is: het is wel zo, het is onherbergzaam. Maar, en ik zeg het met nadruk, wees niet treurig. Ben je mal. Nee, hoor.
Waarom kijk ik eigenlijk terug op m'n leven, waarom. Daar is geen enkele reden toe. Weet je wat het is? Opschepperij, dat is het. Trek je d'r niks van aan.

Wat ik ooit in het Nederlands Dagblad over Armando schreef, is verdwenen achter de betaalmuur. Op de site van Liter schreef ik over Stemmen, net als op Bunt Blogt.

De foto van Armando is beschikbaar gesteld door Conny Meslier. Haar site vindt u hier.

vrijdag 13 juli 2018

Iris (Lo Hartog van Banda / Thé Tjong Khing)


De ondertitel van Iris is 'Een roman voor kijkers' en dat is helemaal terecht. Al bij het doorbladeren van het boek raak je onder de indruk van de tekeningen: de felle kleuren, de sierlijke lijnen, de hallucinante beelden - elk plaatje is een kunstwerk.

Iris is een beeldroman, getekend door Thé Tjong Khing, naar een scenario van Lo Hartog van Banda. Het zijn niet de eersten de besten. Onder deze bijdrage plaats ik links naar werk van dit tweetal dat ik eerder besprak. Zowel scenarioschrijver als tekenaar lijken in Iris het beste uit zichzelf gehaald te hebben.

Wie door het boek bladert waant zich terug in de jaren zestig en dat is niet zo vreemd. Iris werd gepubliceerd in 1968. Het woord 'psychedelisch' dringt zich op: de droombeelden, de kleuren, de vloeiende lijnen. Dit boek is de jaren zestig.

Het meisje Iris komt terecht in handen van iemand die geld aan haar wil verdienen. Zij moet het nieuwe idool worden, maar het gaat niet om haar maar om het beeld dat van haar gecreëerd wordt. Haar vriend Mark probeert haar te bevrijden.

Identiteit en imago

Het probleem is hedendaags: identiteit en imago kunnen ver uit elkaar lopen en het imago is wat het publiek voorgeschoteld krijgt. Mark gaat de strijd aan en hij krijgt Iris inderdaad te pakken, maar uiteindelijk wint de amusementsindustrie. Opwekkend is de strekking van het verhaal niet. Toch wordt het nergens al te zwaar. Wellicht komt dat ook door  het kleurgebruik: met zulke uitbundige kleuren zonder nuancering komt er al gauw een zekere lichtheid over je.

Iris wordt gereduceerd tot een beeld: er worden poppen van haar verkocht en bij het optreden ziet het publiek een soort hologram. Met de begrippen beeld en werkelijkheid wordt het hele boek door gespeeld: maskers, verkleedpartijen, pruiken. In het begin lijkt Iris bijvoorbeeld als twee druppels water op Twiggy, met haar korte blonde haar, maar later heeft ze lang zwart haar.

In de wereld die Banda gecreëerd heeft liggen de taboes anders dan in de werkelijke wereld. Niet op seks bijvoorbeeld, maar wel op het niet dragen van een pruik. Je zou ook kunnen zeggen dat in die maatschappij echtheid vermeden moet worden. Onze sympathie ligt dan automatisch bij Mark, met zijn oprechte gevoelens voor Iris.

Dossier

Iris is een prachtig boek: niet alleen is het een intrigerend verhaal dat heerlijk getekend is, maar er is ook een uitgebreid dossier (door Rudy Vrooman) aan toegevoegd. We krijgen veel informatie over de tijd van ontstaan, met veel voorbeelden van iconische vrouwen die in strips terechtgekomen zijn. Een bekend voorbeeld is Brigitte Bardot, die duidelijk herkenbaar is in Barbarella. Françoise Hardy kende ik alleen van enkele  nummers uit de Top 40 ('Tous les garçons et les filles'), maar ik had er geen idee van dat ze ook een stijlicoon is geweest. Het dossier gaat er uitgebreid op in, evenals op de personen die Khing gebruikte als voorbeeld voor zijn personages.

Ook de link met de Pop Art is duidelijk. Vrooman maakt die  expliciet. In het dossier wordt Iris in een context geplaatst, waardoor je weet in welke culturele omgeving het album indertijd ontstaan is. Juist omdat het verhaal aanspreekt, wil je er als lezer zoveel mogelijk van weten en ik heb het complete boek dan ook bijzonder geïnteresseerd gelezen.

Natuurlijk komen we ook meer te weten over Khing en we krijgen zelfs enkele pagina's van de kleurenstrip Arman & Ilva, die ook opmerkelijk is door het kleurgebruik.

Deze uitgave van Iris is voorbeeldig: mooi vormgegeven en vooral een complete uitgave, waarbij alles wat je zou willen lezen over de tijd, over de strip, over de tekenaar en de scenarist er gewoon in staat. Een boek dat je niet uit hebt, als je het gelezen hebt, maar waarin je opnieuw gaat bladeren en lezen. Heerlijk!
Mark vindt Iris terug. Misschien wel de bekendste tekening uit het album.



Tekening van Hanco Kolk als hommage aan Thé Tjong Khing
Eerder schreef ik over Arman & Ilva: Het bevroren verledenCamilla. En verder over Student Tijloos en Opa en Oma.

Titel: Iris. Een roman voor kijkers.
Scenario: Lo Hartog van Banda
Tekeningen: Thé Tjong Khing
Uitgeverij: Sherpa, Haarlem 2018
Groot format, hardcover, 160 blz. € 45,00

maandag 2 juli 2018

Dichten met de wind mee (Harry Oonk)


Harry Oonk was de afgelopen drie jaren stadsdichter van Ede. Hoe hij dat werd, leest u hier. Het gebeurde tijdens een verkiezingsavond waarop hij verschillende ronden lang met meerderheid van stemmen verkozen werd en ook de jury wilde hem als stadsdichter. Jammer genoeg werd indertijd de uitslag bekendgemaakt door een wethouder die meende ook zelf een gedichtje in elkaar te moeten knutselen, maar die beschamende vertoning zijn we al half vergeten.

Dat Oonk stadsdichter werd, was niet zo verwonderlijk. Hij schrijft gedichten die je na de eerste keer lezen of aanhoren snapt, er zit vaak humor in zijn werk en hij kan het prima op een podium brengen.

Aan het einde van zijn stadsdichtersperiode heeft Oonk een bundel uitgebracht, met daarin een keuze uit de gedichten van de laatste drie jaren: Dichten met de wind mee. Het zijn 73 gedichten geworden, met bij elk gedicht een afbeelding, meestal een tekening die Oonk op de computer maakte/bewerkte.

Stadsdichtersgedichten

Wat precies de eisen zijn die aan een stadsdichter gesteld worden, is niet helemaal helder, maar je zou je kunnen voorstellen dat hij bij belangrijke gebeurtenissen binnen de gemeente een gedicht schrijft. Laten we zeggen: vier keer per jaar.

Maar in Dichten met de wind mee vinden we slechts vier gedichten die je zou kunnen verbinden met het stadsdichterschap: 'Ede', 'Stadsdichterstrots', 'Koopzonden in Ede', 'Vader en dichter'. Afgaand op mijn geheugen meen ik bovendien te kunnen zeggen dat minstens een van die gedichten al geschreven werd in de strijd om het stadsdichterschap. Mogelijk gaat het zelfs om twee gedichten.

We kunnen ook nog 'De schaamte voorbij' meerekenen, dat inhoudelijk weliswaar niets met Ede van doen heeft, maar het is wel geschreven voor het Taalhuis en vervult dus wel een functie binnen de Edese gemeenschap.

Al met al is het aantal stadsdichtersgedichten nogal schamel. Wellicht heeft Harry Oonk, die een veelschrijver is, meer stadsgedichten geschreven, maar zijn die niet door de selectie gekomen. Dan is er niets aan te merken op zijn productie als stadsdichter, maar kennelijk wel op de kwaliteit van de stadsgedichten.

Beeldspraak

Oonk is een voorleesdichter: zijn gedichten moeten het hebben van het horen. Dan bereiken ze de luisteraar vrij gemakkelijk. Ze zijn eenvoudig, zodat ze goed te volgen zijn en geen nadenken vereisen.

Op papier wordt het al lastiger. Een gedichtje lezen gaat vaak nog wel, maar bij herlezing valt het meestal door de mand: soms is het inhoudelijk schriel en vaak is de beeldspraak niet consistent. Dan krijg je een strofe als:
Uit de kerkers van mijn grijze brij,
sprokkel ik botjes van toen en ooit.
De weke delen zijn vergaan,
maar het juichen vergeet je nooit.
'Geheugen' heet het gedicht en het onderwerp wordt uit deze strofe ook al duidelijk. De 'kerkers' en de 'grijze brij' verwijzen natuurlijk naar de opbergruimte diep in het geheugen. Maar de twee beelden passen niet bij elkaar: kerkers in brij - dat zie ik nog niet gebeuren.

De dichter sprokkelt botjes. Hij vertelt ons dat 'de weke delen' zijn vergaan, maar dat zal wel niet het merg van het bot zijn, maar dat wat om het bot heen zat. En dan de wonderlijke zin 'Maar het juichen vergeet je nooit'. Het gaat hier toch juist om het bij elkaar sprokkelen van herinneringen? Dan is dat 'Maar' vreemd gekozen. Ook is mij niet duidelijk wat het juichen met de botjes te maken heeft.

De laatste strofe begint met: 'In de rimpels van mijn geheugen / spelen plaatjes, door de klok gezeefd.' Het gaat mij hier nu even niet over de gezeefde plaatjes, al is dat dubieus geformuleerd, maar om de herhaling: we krijgen geen nieuw inzicht, maar iets wat al eerder in het gedicht te lezen is geweest.

In een aantal gedichten van Oonk is er geen ontwikkeling, maar wordt in de verschillende strofen steeds hetzelfde gezegd, maar dan met andere woorden. Dat is in dit gedicht ook min of meer het geval. Daar wordt het gedicht niet altijd beter van. De dichter kan namelijk net zo lang variëren als hij wil; een gedicht had ook korter of langer kunnen zijn, waarmee de uiteindelijke versie wat toevalligs krijgt.

Wel blijkt daaruit het taalplezier, dat in veel van de gedichten aan te treffen is: woordspelingen, associaties, paradoxen, taalgrapjes - Oonk weet er wel raad mee. Ze doen het natuurlijk ook goed bij het voorlezen.

In het gedicht 'Stadsdichterstrots' schrijft Oonk: 'poëzie is niet bedoeld / voor boodschappen of berichten', Maar Oonk is bepaald niet vies van boodschappen al is het maar een minimale boodschap als 'We moeten helemaal niks'. Maar meestal houdt hij het bij observaties en een gedachte erover.

Geen pretentie 

Ik denk niet na over
of ik kunst maak,
of pruts of knutsel.
Ik maak maar wat.
Laat anderen bepalen
of het wat doet of niet. (...)
Dat schrijft Harry Oonk in 'Ist das Kunst oder kann das weg?' Het tekent de bescheiden opvatting die hij heeft over zijn dichterschap. Of het kunst is maakt hem niet uit. Hij knutselt wat met de taal en beleeft daar plezier aan.

Het is maar goed dat Oonk geen literaire pretentie heeft: zijn gedichtjes zijn amusement, aardig om te lezen of te horen, maar bij nauwkeurige lezing vallen ze als poëzie door de mand.

Wellicht heeft Oonk dezelfde houding ten opzichte van zijn tekeningen. Ook die zijn soms grappig en ze doen het aardig als illustratie, maar met kunst heeft het allemaal niet veel te maken. Daarvoor zijn ze te eenduidig of ligt het bedoelde effect er te dik op. Het kleurgebruik is vaak uitbundig en in sommige gevallen veel te bont (zoals bijvoorbeeld op het omslag). Binnen in de bundel zijn de illustraties overigens in zwartwit.

Vaak zijn er op de tekeningen mensen afgebeeld die dicht bij de dichter staan of die hij bewondert. Hij kan ook boeiend over hen vertellen. Ik hoor Oonk dan ook liever praten over bijvoorbeeld Goethe dan dat ik het betreffende gedichtje lees of de illustratie bekijk. Ik denk dat de tekeningen niet zozeer waarde hebben als afzonderlijke werkjes, maar samen geven ze wel een beeld van de dichter en van wat hem dierbaar is.

Publiek

Ongetwijfeld is er voor Dichten met de wind mee een publiek, zoals er ook voor de versjes van Toon Hermans indertijd publiek was. Het zullen vaak niet de gebruikelijke poëzielezers zijn, maar mensen die lol beleven aan het spelen met taal en die best af en toe een gedichtje willen lezen, als daar verder niet te veel over nagedacht hoeft te worden.

Mij zijn de gedichtjes te flodderig, wat zal komen door het hoge tempo waarin Oonk schrijft. Maar iets langer nadenken, iets meer schrappen, iets meer vijlen had ongetwijfeld betere gedichten opgeleverd. En wellicht ook gedichten die je nog eens kunt herlezen en waarin dan ook nog iets nieuws te ontdekken is. Nu lijkt alles opgeofferd aan de toegankelijkheid.

Dichten met de wind mee heet de bundel en dat lijkt te wijzen op het kiezen van de gemakkelijke weg: de dichter waait mee met de woorden. Ik zou gewenst hebben dat Oonk vaker de tegenwind had opgezocht, eigenzinniger was geweest, geen genoegen had genomen met 'wel aardig'. Dat zou de bundel ongetwijfeld interessanter hebben gemaakt.


De vorige bundel van Harry Oonk, Gediggies, besprak ik hier. En hier de bundel van de vorige stadsdichter, Arjan Keene.