vrijdag 3 april 2015

Halfrust (Pauline Pisa)


Rust en onrust kennen we, maar wat is halfrust? Zitten we dan tussen rust en onrust in? Zijn we dan maar half in rust?

Pauline Pisa noemde haar bundel Halfrust. De titel komt voor in het gelijknamige gedicht: 
(...)
Straks ga ik op een afstand van je liggen
zoals een panter in de dierentuin
met één oog open
Houd mijn staart maar in de gaten
ik ben in halfrust
De rust lijkt zomaar te kunnen veranderen in activiteit. Er is rust, maar er is ook waakzaamheid en een panter in rust blijft een gevaarlijk dier. Die panter kwamen we in de bundel al eerder tegen ('Verder dan het erf ga ik niet / achter het tuinhek zwenk ik mijn poot / als een panterwijfje) en verder wemelt het in de gedichten van de dieren: zoogdieren en vogels vooral. 

De dieren lijken erg op mensen, of andersom. Soms behoren de dieren tot de buitenwereld en kun je ze observeren, soms kruip je in het dier, of het dier in jou. Een dier is niet gestraft met bewustzijn; het leven van een dier gebeurt gewoon, zonder dat hij erover nadenkt; het overkomt hem. Daarin heeft hij niet de regie. Zo hebben ook de mensen hebben niet altijd zeggenschap over hun leven. Ze beginnen ergens, gaan ergens heen, komen ergens terecht. Van tijd tot tijd kijken ze om. Bijvoorbeeld in het openingsgedicht.
De houtsnip
Achteraf gezien: mijn borsten groeiden nog
Ik herinner me de Veluwe: het huisje,
de zonnige keuken, en dat jij  - dat jij de taart aansneed,
je vingers likte, de fles met cola
aan je lippen zette, klokte
Ik vond het wat
hoe soepel onze ringen gleden
de vanzelfsprekendheid waarmee ik dacht
dat wij onze vingers voor altijd
zouden blijven vlechten
Soms bezoek ik nog je moeder
'De houtsnip' zal wel de naam van het huisje geweest zijn. In de eerste regel wordt de tijd bepaald. Achteraf bezien concludeert de 'ik' dat ze nog behoorlijk jong was. Dan de plaats: Veluwe, huisje, keuken; we zoomen in op die ene plek en dan krijgen we de details.

Het is een bijzonder zintuiglijk gedicht: we zien het likken van de vingers voor ons, we horen het klokken. We komen zo dichtbij, dat we merken hoe intiem dit moment is. Dit moment was het startpunt voor de 'ik' en de 'jij'. Zij dacht dat het 'voor altijd' zou zijn. Dat dat niet zo is geweest, hoeft niet eens meer gezegd te worden; de slotzin zegt genoeg. Het wordt nooit meer als toen, weten we.

Ook in het tweede gedicht ('Vuile dagen') zit zo'n knip in de tijd: 'Nu is het later'. In de eerste afdeling zit veel vroeger, maar meer nog zijn er de nabijen, de familie bijvoorbeeld. En de dood, natuurlijk, want die is er altijd als mensen dichtbij komen.

De gedichten van Pisa zijn niet zomaar te vangen, je kunt niet altijd precies zeggen waarover ze gaan, maar ze hebben altijd een sfeer die je bijblijft. Vaak iets zachts met een schrijnend randje. En ze schetsen een omgeving. In de tweede afdeling is dat een ruraal decor: er is een wildrooster, een bosrand, een molen of een erf. We snuiven de geuren.

De laatste afdeling wijkt behoorlijk af van de rest. Veel gedichten hebben als titel het nummer van een patiënt. Ook hier worden de mensen soms als dieren beschreven: 'Dit wijfje is pas binnen'. In veel gedichten zit een knappe combinatie van afstand en betrokkenheid.

Sommige van deze gedichten zijn reportageachtig: er wordt geobserveerd, beschreven. Het zou me niet verbazen als Pauline Pisa daadwerkelijk in een verzorgingshuis of een ziekenhuis heeft rondgelopen om indrukken op te doen.

Halfrust heb ik de afgelopen maanden verschillende keren gelezen, zodat de sfeer mij eigen geworden is. Die 'ik' in de gedichten is me vertrouwder geworden. Ze heeft haar eigen positie, hoort er nooit helemaal bij. Ze zoekt naar een verband waartoe ze zou kunnen behoren, maar wil zichzelf daar tegelijk niet in vastleggen. Ze koestert de verbanden die er al van oudsher zijn, maar wil ook ontsnappingsmogelijkheden houden. Ze beziet zichzelf, beziet de ander en beziet zo de dus de mensheid. We zijn allemaal maar dieren die hier rondscharrelen en er het beste van proberen te maken.

Nog eenmaal Pisa:
Niet goed groot geworden
Als het misgaat en ik tot kruimels val
is er altijd wel iemand die mij als een tafellaken
bij de punten pakt en meeneemt
Ze verschonen mijn gebied en stoppen mij hun voedsel toe
Ik ben niet goed groot geworden
word in de luwte gehouden
Ik heb vrouwen zich kapot zien föhnen
ze probeerden de jaren weg te liegen in de kleding
van hun dochters terwijl ik klein bleef
en de vestjes van mijn moeder leende haar geur
gebruikte om in de buurt te blijven
Op een feestje vergeleek ik mijn gewrichten
met iemand uit mijn jaar
onze vingerkootjes
vulden zich met blaasjes

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen