maandag 12 maart 2018

Gezien de feiten (Griet Op de Beeck)


Haar boeken zijn breed verspreid, maar tot gisteren had ik nog nooit iets gelezen van Griet Op de Beeck Ik herinner me wat gepruttel bij het verschijnen van Vele hemels boven de zevende (2013): zo'n journalist die zich aan de literatuur waagde, kon dat wel wat zijn? Ik besloot het boek niet meteen te kopen en ook de boeken die daarna verschenen (Kom hier dat ik u kus 2014, Gij nu 2016 en Het beste wat we hebben 2017) kocht ik niet, hoewel er veel goeds over werd geschreven.

Wel keek ik naar de uitzending van Zomergasten waarin Griet Op de Beeck de geïnterviewde gast was en dat vond ik heel aangenaam. Ik vond haar bovendien een sympathiek mens. Ik begrijp dat ze bij het verschijnen van haar laatste roman bij De wereld draait door is geweest, maar dat programma zie ik eigenlijk nooit.  Naar aanleiding daarvan kreeg ze heel wat bagger over zich heen. Het had te maken met 'hervonden herinneringen' aan incestgebruik. Of dat soort herinneringen bestaat, is geen uitgemaakte zaak, begrijp ik, wat niets afdoet aan het persoonlijke leed. Het lijkt me dat het mij niet past in dezen een oordeel te hebben en zeker niet over de persoon Op de Beeck.

Maar nu heb ik een boekje van haar, het Boekenweekgeschenk Gezien de feiten, en ik heb het nog gelezen ook. De ontvangst was niet mals: zowel in NRC, de Volkskrant als De Groene bleef er weinig van het boekje heel. Ondermaats vond men het. Ik begon dus te lezen met niet al te hoge verwachtingen, met in mijn achterhoofd J.C. Bloem: 'Alles is veel voor wie niet veel verwacht'. Dan zou het alleen maar mee kunnen vallen.

De hoofdpersoon in Gezien de feiten is de 71-jarige Olivia, net weduwe, na een lang huwelijk met Ludo, dat zeker niet ideaal was. Dus als Ludo overleden is, voelt ze zich vooral opgelucht. En schuldig vanwege die opluchting. Ze besluit opruiming te houden in haar leven, spullen weg te doen die ze niet meer om zich heen wil en in te gaan op de suggestie van een hulporganisatie om mee te gaan naar een project in Afrika. Haar dochter Roos is daar nogal sceptisch over, maar dat houdt Olivia niet tegen.

In Afrika ontmoet ze Daniel en tussen hen bloeit iets moois op. Ook hierbij heeft dochter Roos haar bedenkingen, waarbij schoonzoon Sander probeert af en toe wat te sussen.

Tot zover gaat het nog wel met Gezien de feiten. Wel is vanaf het begin de karaktertekening nogal zwart-wit: op de begrafenis zijn er bijvoorbeeld alleen maar mensen die inadequaat reageren. Er is ook een broer van Olivia, maar die blijkt in de rest van het boek geen rol meer te spelen. Er zijn overigens meer verhaallijnen die er een beetje los bijhangen. Roos kan geen kinderen krijgen, waarbij ze al een heel traject achter de rug heeft en uiteindelijk besluit ze om niet een kind te adopteren. Waarom weten wij dit? Welke rol speelt dat in de rest van het boek? Mij werd het niet duidelijk.

Roos komt bezorgd over, maar toch vooral onsympathiek, wat getemperd wordt door Sander. Ik weet wel dat je in een boek van beperkte omvang niet alle karakters kunt uitdiepen, maar een beetje nuance had toch wel gemogen.

In de tweede helft van het boek neemt Op de Beeck verschillende keren grote stappen tussen de hoofdstukken door. Mijn benen waren soms te kort om die stappen te volgen. Ik had steeds het idee dat er dingen overgeslagen werden.

Wat wel aan de orde komt, wordt vaker vaag aangeduid dan beschreven. En als iets wel concreet wordt aangeduid, wordt er niet altijd wat mee gedaan. Dat Olivia zich schuldig voelt over de opluchting die ze ervaart na het overlijden van haar man, wordt wel genoemd, maar we merken er verder weinig van.

En wat te denken van deze passage?
Ze had dat ene gerecht gemaakt dat haar broers zo lekker hadden gevonden, dat had ze alleen nog maar in de oven hoeven schuiven. Maar ze had te veel zout gebruikt dit keer, en het was nog een beetje te koud geweest, vond ze. 
Waarom wordt het gerecht niet genoemd? Ik had me er best iets bij willen voorstellen. En nu blijkt ineens dat ze geen broer heeft, maar 'broers', die verder in het boek geen rol spelen. Ze heeft blijkbaar ooit voor hen gekookt, maar ook die gelegenheid speelt verder geen rol. Ik had het idee dat ik een overbodige passage aan het lezen was.

Misschien houdt Op de Beeck dingen met opzet vaag. Zo weten we niet naar welk Afrikaans land ze gaat en ook niet wat daar aan de hand is. Maar soms had ik toch wel een beschrijving willen hebben die concreet is.

Dat het daar in Afrika niet allemaal jofel gaat, is duidelijk. Maar ineens is er geen verkeer meer mogelijk van het Afrikaanse land naar België:
Er is nog geen officiële hongersnood, maar ge ziet ook daar de gevolgen van de klimaatverandering en ze zitten met de opvang van al die mensen uit de buurlanden, waardoor het er daar ook zit aan te komen. En dan zwijg ik nog over het geweld in de regio, de corruptie, de mensenrechten die worden geschonden.
 Het is een hele waslijst. Maar waarom hebben we dan bij het bezoek van Olivia aan Afrika daar zo weinig van gemerkt? En wat is er dan toch de oorzaak van dat opeens een Afrikaan niet meer zijn land uit kan? In de passage hierboven wordt als eerste reden de klimaatverandering gegeven, maar die zal niet zo acuut zijn dat ineens de grenzen dichtgegooid zijn.

Het lijkt wel of het de schrijfster geen bal interesseert wat er aan de hand is. Ze had het nu even nodig dat de grenzen dichtblijven en ze doet een graai in de zak met 'vreselijke dingen'. Er had ook een epidemie kunnen zijn, een aardbeving, een sprinkhanenplaag.

Plichtsgetrouw heb ik Gezien de feiten uitgelezen, maar ik was mentaal al wel afgehaakt. Eigenlijk interesseerde het mij niet meer wat er nu met Olivia zou gebeuren. Ze had de ingeving kunnen krijgen om een ruimtereis naar Mars te maken of een bordeel te starten; ik zou er niet meer van opgekeken hebben. Het tweede deel van het boek komt bedacht over; de schrijfster krijgt het niet voor elkaar de gebeurtenissen logisch op elkaar te laten volgen.

Zo is in Afrika alle hulp nodig, maar als Daniel drie maanden lang een plezierreisje wil maken naar België kan hij zomaar gemist worden en het kan ook nog deels op kosten van de hulporganisatie. Dat kwam even beter uit voor het verhaal. De lezer denkt: 'Het zal wel' en haalt zijn schouders op. Deze lezer althans.

Griet Op de Beeck komt sympathiek op mij over bij optredens op radio en televisie en ik gun haar als schrijfster alle goeds, maar Gezien de feiten is geen goed boek. Ik weet dat het schrijven van een Boekenweekgeschenk altijd een haastklus is en dat verklaart de mankementen misschien voor een deel, maar het verontschuldigt die niet. Er zijn immers genoeg betere en zelfs goede Boekenweekgeschenken geschreven. Niets meer aan te doen. Gezien de feiten is een misser.

donderdag 8 maart 2018

Zeven draken (Mitric / Guinebaud)


Sommige mensen staan midden in de stripwereld. Zij weten wat er gaande is, welke albums er verschijnen, welke prijzen uitgereikt zijn, welke verfilmingen op stapel gaan. Daar heb ik bewondering voor.

Mij ontgaat juist veel. Strips doe ik erbij: het verkeer op de snelweg van de strips raast langs mij heen, terwijl ik aan het schoffelen ben in de berm en af en toe vang ik wat op. Genoeg om ervan te kunnen genieten, maar ik weet dat er ook heel veel is dat achter mijn rug om gebeurd is.

Zo blijkt er een serie albums te zijn die steeds over 'zeven' gaan: zeven psychopaten, zeven dieven, zeven strijdsters, zeven gevangenen, zeven klonen, noem maar op. Het was mij geheel ontgaan. Maar nu heb ik toch zo'n album gelezen: Zeven draken; scenario Nicolas Mitric, tekeningen Sylvain Guinebaud. Het is al het derde album in de reeks (zeven per seizoen).

In Zeven draken moeten, je raadt het al, zeven draken verslagen worden, door zeven samenwerkende strijders. Dan zitten we in de setting van fantasy. Daar moet je van houden en eerlijk gezegd heeft het niet mijn voorkeur, maar als je in een pizzeria eet, moet je niet zeuren dat je meer van bami houdt. Je moet gewoon proeven of er goede pizza geserveerd wordt.

Ulydas, de jonge koning uit de familie der Drakonspacci heeft bezworen de laatste zeven levende draken van deze wereld te doden. Met zes andere strijders begint hij aan de missie.

Bij zo'n verhaal is het best een klus lijn helder te houden: je moet de verschillende personages introduceren en dan moeten er ook nog op zeven verschillende plekken zeven verschillende draken verslagen worden, die ook nog eerst opgespoord moeten worden. Dat wil zeggen dat het verhaal erg 'vol' is en dat het gevaar bestaat dat het de lezer gaat duizelen.

Ik geef even de tekst waarmee het album begint:
Denk je dat het haar gaat lukken, Ulydas?
Het moet, mijn Broer! Deze keer hangt alles van haar af. Ik heb haar gekozen omdat zij de meest fabelachtige boogschutter is die ik ooit heb ontmoet.
En toen ik ze vertelde dat we het monster wilden vloeren dat haar dorp had verwoest en al haar zusters levend had verbrand, zag ik in haar ogen een vuur oplaaien, angstaanjagender dan wat iemand ooit heeft gezien.
Als je deze amazone aan het werk ziet, zul je me beter begrijpen, Adamantis.
Hoppa! Meteen drie personages geïntroduceerd: Ulydas en Adamantis (van wie we ook nog weten dat het broers zijn) en een vrouwelijke boogschutter, van wie we ook meekrijgen wat het motief is om mee te doen.  Intussen volgen we op de tekeningen de actie en op de derde pagina wordt de eerste draak al in zijn volle glorie getoond.

Dit laat zien hoe het scenario vaart houdt in het verhaal, terwijl de informatie die de lezer krijgt goed gedoseerd wordt. Hij leert personage voor personage kennen en enkelen van hen worden gedurende het verhaal verder uitgediept.

Je denkt dat je de loop van het verhaal kunt voorspellen: natuurlijk worden de draken verslagen al zal het heel moeilijk gaan. De strijders zullen zelf gevaar lopen en hoogstwaarschijnlijk redden ze het niet allemaal.

Dat klopt ook wel en wat dat betreft is Zeven draken gewoon een degelijk album dat voortborduurt op een al bekend stramien. Maar Nicolas Mitric is een uitstekende plotter. Tegen het eind van het album blijken de motieven van de strijders toch anders te zijn dan we aanvankelijk dachten. In tekst die in een rode letter gedrukt is, wordt het allemaal uitgelegd.

Die rode letter herinneren we ons ook nog van het begin van het album, waar we wat meer achtergrondinformatie krijgen over de centrale figuur, Ulydas. Het is wel erg veel tekst zo aan het eind van het verhaal: de laatste pagina staat propvol.

Hoe inventief de verhaallijn ook bedacht is, eigenlijk zou zo'n grote hoeveelheid uitleg niet nodig moeten zijn. Juist in een stripboek zou het adagium 'show, don't tell' moeten gelden. Wellicht is dit een manier om de omvang van het album beperkt te houden en de rest van het verhaal niet af te remmen, maar ik vond het toch een beetje een zwaktebod.

De taal buiten de dialogen is een pijnpunt in het album. In sommige passages ronkt die aardig. Blijkbaar moet dat poëtisch overkomen. Bijvoorbeeld:
In de herfst, net voor alles in een diepe en stille slaap zou vallen, wanneer de wouden hun laatste bladeren huilden, ademde ik een laatste keer het unieke en zoete parfum in van hun grotere vochtigheid.
Jan van Veen zou het met gezwollen krop kunnen voorlezen. Met andere woorden: er wordt gegrossierd in clichés; schitterende kleuren, gras dat wiegt in de warme wind, het rijk heeft een 'wilde en absolute schoonheid', de draken zijn angstaanjagend en monsterlijk. Misschien is het bedoeld om de lezer in de automatische leesstand te krijgen, maar met wat meer soberheid, wat minder aanstellerij, hadden we ook een goed verhaal gehad.

Er zijn intussen zoveel series op fantasygebied, dat zich ook een soort fantasystijl heeft ontwikkeld. Zoals je bij het doorbladeren van een strip kunt zien dat het een western is of een science-fictionstrip, is ook fantasy goed te herkennen, al is het lastig om de vinger te leggen op de exacte kenmerken.

In Zeven draken zal ook het kleurgebruik meespelen. Veel blauwen en roden/bruinen en weinig groenen. Het blauw, dat vaak aan de donkere kant is, contrasteert goed met het rood, wat het vooral bij bijvoorbeeld bloed goed doet en toch minder hard is dan het contrast rood/groen zou zijn, aangezien dit immers complementaire kleuren zijn.

Het bruin en het rood harmoniëren met elkaar, doordat de roden vaak donker zijn. Het lichtere bruin steekt weer mooi af tegen het donkere blauw. Verder zijn er gelen, die je natuurlijk nodig hebt als er bijvoorbeeld de kleur van vuur weergegeven moet worden en het geel kleurt harmonisch bij bruin.

De uitgekiende kleurstelling zorgt ervoor dat er een zekere rust in het album is, wat ook nodig is, omdat de gebeurtenissen al heftig genoeg zijn. Tegelijkertijd blijven de kleuren wel levendig. Sébastien Gérard, die de inkleuring verzorgd heeft, heeft een fraai palet gekozen.

Het tekenwerk van Guinebaud is degelijk. De bewegingen van de personages zijn natuurlijk en hij kan goed overweg met dynamiek. Met zichtbaar genot heeft hij de heftige scènes getekend. Natuurlijk zijn de personages flink aangezet: de mannen gespierd, de vrouwelijke boogschutter fors geboezemd. Het zijn zo'n beetje de archetypische strijders. Dat ze toch een eigen persoonlijkheid hebben meegekregen en niet schematisch geworden zijn is niet alleen een verdienste van de tekenaar, maar zeker ook van de scenarist.

Zeven draken is niet een wonder van originaliteit, maar het is degelijk gemaakt, boeiend opgezet en lekker om te lezen. Aan het eind loopt het verhaal ook net even anders dan je verwacht. De poëtasterstaal moeten we dan maar voor lief nemen.

Titel: Zeven draken
Tekeningen: Sylvain Guinebaud
Scenario: Nicolas Mitric
Uigeverij: Silvester
's-Hertogenbosch 2017, hardcover, 64 blz; €16,95

woensdag 7 maart 2018

Marshal Bass deel 1: Black & White


Strips hebben van oudsher meer een mannen- dan een vrouwenpubliek en dat zal in nog sterkere mate gelden voor de westerns. Veel mannen hebben als jongen cowboytje gespeeld en zijn opgegroeid met Arendsoog, Old Shatterhand of Kid Colt. Intussen staat de western weer volop in de belangstelling en dat resulteert ook in nieuwe strips, zoals de serie Marshal Bass.

In het eerste deel start de hoofdpersoon, River Bass, nog niet zo florissant: we zien hem met een strop om zijn nek. Maar al op de derde bladzijde krijgt hij het voorstel om de ster te gaan dragen die hoort bij een functie als deputy. Dat is bijzonder, gezien zijn Afro-Amerikaanse afkomst.

River Bass zal gebaseerd zijn op de werkelijk bestaand hebbende Bass Reeves, een zwarte marshal die legendarisch werd. Reeves was analfabeet, zag er onberispelijk uit met zijn glanzend gepoetste laarzen en kreeg in zijn leven heel wat outlaws te pakken.

Marshal Bass wordt gevraagd een bende op te rollen die onder leiding staat van ene Milord. Bass weet tot deze bende door te dringen, zonder argwaan te wekken. Van binnenuit kan hij proberen verder te komen. Bass figureert onder de naam Bill Derby, wiens hoed hij draagt, compleet met kogelgat.

Bass komt in benarde omstandigheden en zijn leven loopt gevaar, maar natuurlijk redt hij het: hij moet immers nog een serie lang mee.

Het scenario zit behoorlijk in elkaar: het gaat niet alleen om de avonturen van de deputy, maar aan het begin en het eind speelt ook zijn gezinsleven een rol. Het is een basis waarop hij terug kan vallen en zijn vrouw is bepaald geen doetje.

De dialogen lezen lekker en zijn soms ook humoristisch. De humor zit bijvoorbeeld ook in twee personages die de namen Beef en Pork dragen.

In tekeningen en kleurgebruik is er wel aardig wat effectbejag. In de openingsscène zijn het geel en oranje van de avond wel erg nadrukkelijk aangezet. Bij de inkleuring (door Desko) wordt er ook in heel veel kleurvlakken en -vlakjes gebruik gemaakt van witten, die oplichten moeten suggereren. Dat had van mij wel wat minder gemogen, al wende ik er tijdens het lezen wel aan.

Ook bij gezichtsuitdrukkingen kiest Kordey niet voor subtiliteit. Er worden wat dat betreft planken gezaagd van dik hout, net als bijvoorbeeld bij de gewelddadige scènes. Die zijn bloederig. Als een vrouw door het hoofd geschoten wordt, spuit het bloed er aan de achterkant uit. Dat heeft iets kitscherigs, maar blijkbaar is dat de keuze die Kordey en Macan gemaakt hebben.

De tekenaar kan ook goed overweg met onoverzichtelijke scènes, zoals een overval, waarbij hij kan uitpakken met een tekening die twee bladzijden beslaat. Een wirwar van personages op een hoek van de straat, waardoor je aan elke kant een verdwijnpunt hebt. Het camerastandpunt is vrij laag, zodat je als lezer nog meer het idee hebt dat de horde over je heen komt. Ondanks de chaotische inhoud is het een fraaie, overzichtelijke tekening geworden.

Het ronkende, het vet aangezette, het overdrevene misschien, zal sommigen doen fronsen, maar blijkbaar is Marshal Bass het soort strip dat het niet van subtiliteiten moet hebben. Het gaat er meer om dat het verhaal vaart heeft,  dat de hoofdpersoon een interessant karakter heeft en dat je gemakkelijk meegaat in de wereld die Macan en Kordey voor je oproepen.

Het verhaal speelt zich af in 1875. De slavernij is afgeschaft, maar er zijn natuurlijk wel veel mensen die in onvrijheid geboren zijn en nu proberen een bestaan op te bouwen. Dat deed River Bass ook, voordat hij hulpsheriff werd. Uit alles blijkt hoe chaotisch de tijd was, hoe onzeker het bestaan. De hardheid van die tijd is door de auteurs van Marshal Bass goed opgeroepen. Er is een wet en er zijn marshals die de orde proberen te handhaven, maar er zijn ook genoeg mensen die menen dat ze boven de wet staan, die alleen uit zijn op eigen voordeel ten koste van mensen en mensenlevens.

Je zou kunnen zeggen dat de makers van Marshal Bass de kant van de wet kiezen. Dat is voor de lezer prettig; die kan zich op die manier met de 'goede' kant vereenzelvigen. Tegelijkertijd wordt het geweld op een niet kleinzerige manier gepresenteerd, waardoor je je als lezer ook af moet vragen of je je tijdens het lezen niet aan het verlekkeren bent. Maar misschien heeft geweld altijd wel het effect dat het zowel afstoot als aantrekt.

Het verhaal over Marshal Bass is niet alleen een spannend verhaal, maar ook de schets van de emancipatie van een zwarte man. Bij zijn eerste opdracht zou hij nog kunnen denken dat hij gekozen is vanwege zijn kleur: hij kan binnenkomen in een bende die voor een groot deel uit zwarten bestaat. Als zijn missie afgelopen is, vraagt hij dan ook aan zijn opdrachtgever: 'Moet ik nog meer negers gaan afknallen? Is dat wat ik nu ben, Helena? Een huurling, speciaal voor de nikkerjacht?'

Maar zijn volgende taak zal zijn om een witte man op te sporen. Bass: 'Een echte marshal-opdracht! Ik ben geen hond of negerjager, maar een echte adjunct!'

Hoe het verder zal gaan met met Marshal Bass zullen we lezen in deel 2: Familiemoorden.
Serie: Marshal Bass
Titel: 1. Black & White
Tekeningen: Igor Kordey
Scenario: Darko Macan
Uitgever: Silvester
's-Hertogenbosch 2018; hardcover, 56 blz.

dinsdag 6 maart 2018

Ongemakkelijke mensen (Elly Biesters)


Als fervente podcastluisteraar loop je tegen allerlei soorten informatie en amusement op. Zo belandde ik ook, min of meer bij toeval, bij 'Lopen met Lebowski', waarin de schrijfster Elly Biesters werd geïnterviewd tijdens een wandeling in Heerewaarden. Daar speelt haar roman Ongemakkelijke mensen zich af.

Meteen wist ik dat ik dat boek wel wilde lezen. Ook ik groeide, zij het wat eerder, op in een dorp dat ik als overzichtelijk ervoer. Heerewaarden is in de roman wel erg overzichtelijk: er staat zelfs een keurig plattegrondje voor in het boek, waaruit blijkt dat het dorp uit slechts enkele straten bestaat. Het land van Maas en Waal is op die plek bijzonder smal: Heerewaarden past net tussen de twee rivieren in.

Ongemakkelijke mensen begint in april 1987. Daarna volgt er een fiks deel dat zich tien jaar daarvoor afspeelt en daarna krijgen we nog hoofdstukken over mei, augustus en september 1987.

Met de datering is Biesters trouwens niet zo precies. Ze noemt de hit die Vader Abraham had, samen met Pierre Kartner. 'Vorig jaar' staat er. Dat was in 1974, zodat het betreffende hoofdstuk zich dus in 1975 moet afspelen. Maar de kinderen kijken op tv naar George en Mildred, een programma dat pas in oktober 1978 in Nederland op de buis kwam.

Eigenlijk doet dat er ook niet toe. Biesters toont ons een dorpsgemeenschap zoals die er in de tweede helft van de jaren zeventig uit moet hebben gezien. Het gaat om die gemeenschap en de grotere geschiedenis speelt zich op de achtergrond af. Zo werd er in 1977 een trein gekaapt bij De Punt. Dat wordt slechts zijdelings vermeld en dan vooral door de reactie van opa te geven, die krachtige maatregelen wil: 'we moeten ze bij de lurven vatten, en meteen.' Opa neemt in een brede zwaai ook de voetballer Tahamata mee in zijn betoog.

De grootvader is de  meest markante figuur in Biesters' roman. Hij teert op zijn visserijverleden, toen hij nog op zalm viste. Altijd heeft hij een klein knuppeltje bij zich en aan ieder die hem voor het eerst ontmoet, vraagt hij of die persoon weet hoe je een zalm 'krimp' slaat. Grootvader is een weerbarstige man, een van de 'ongemakkelijke mensen' uit de titel, en dat maakt hem intrigerend.

Aan het begin en aan het eind van het boek zien we opa in zijn nadagen. Hij heeft zowel iets ergerlijks als iets aandoenlijks in zijn stoerdoenerij, die zijn kwetsbaarheid niet kan verbergen. Het is al een tijdje geleden dat ik Ongemakkelijke mensen las, maar de grootvader is de figuur die mij het duidelijkst bijgebleven is.

Dat zal niet alleen komen door zijn daden, al zijn die ook opmerkelijk genoeg. Zo is opa ervan overtuigd dat hij aan de minister duidelijk kan maken wat er moet gebeuren, waarna hij ook daadwerkelijk naar Den Haag gaat. Biesters laat de grootvader zo praten, dat je meteen weet wat voor soort persoon het is. Opa vertelt bijvoorbeeld het volgende aan de taxichauffeur:
Op een goeie dag voeren we op de Rijn bij de Lorelei, ge weet wel tussen Koblenz en Wiesbaden en wat dinkte gij? Unne zeehond in de netten! Unne zeehond, ik zweer het. Zo'n mooi geticheld beestje, met van die stippen. Hij had z'n buik al vol meej vis, de vuilik. Ik heb hem kapot geknuppeld en overboord gedonderd. Ja, dat was wat, joh...
Zo'n passage heeft altijd effect: opa noemt de zeehond eerst 'een mooi geticheld beestje', maar vlak daarna een 'vuilik' en daarna volgt het doodknuppelen van het dier. Dat komt hard aan, juist doordat er eerst iets positief over de zeehond is gezegd.

De verteller is een meisje, een 'derke', zoals het in het dialect heet. Zij is degene die zich een weg moet zoeken naar de volwassenheid, te midden van die krachtige figuren. Ze heeft ogen en oren open staan en registreert scherp wat er om haar heen gebeurt.

Een duidelijke verhaallijn ontbreekt in het middengedeelte. Natuurlijk zijn er wel ontwikkelingen, maar meer zijn het schetsen, die samen een inkijk geven in het dorpsleven en dus in het leven van het meisje dat de vertelster is. Biesters is wel vergeleken met Franca Treur, die in Dorsvloer vol confetti eenzelfde manier van vertellen heeft. Bovendien beschrijven beide auteurs een plattelandsgemeenschap.

Eigenlijk heb ik de verhaallijn niet zo gemist, zoals ik die bijvoorbeeld ook niet miste in Pier en oceaan van Oek de Jong. Ongemakkelijke mensen roept een wereld voor je op waar je doorheen kunt wandelen, waar je deel van kunt uitmaken, terwijl die wereld in de werkelijkheid buiten het boek al niet meer bestaat en er alleen nog in woorden is.

Dit debuut van Elly Biesters lijkt me zo'n boek dat geschreven moest worden, een boek waar je van af moet, omdat je het altijd hebt meegedragen. Biesters heeft dat op een goede manier gedaan. De vraag is wel wat er nog meer gaat volgen. Nog een keer over dezelfde gemeenschap, maar dan met een andere verhaallijn? Auteurs als Maarten 't Hart en Jan Siebelink hebben dat wel gedaan. Franca Treur schreef eerst een roman en een verhalenbundel die een andere setting hadden en kwam met Hoor nu mijn stem weer terug in de wereld van haar debuut, maar dan krachtiger. We moeten afwachten hoe Biesters dat gaat doen. Dit derke zal haar weg wel vinden.

vrijdag 2 maart 2018

Ravian en Laureline integraal deel 9 en 10 (Mézières & Christin)


















Al eerder heb ik op deze plaats verklaard dat science fiction niet mijn eerste keus is. Maar van tijd tot tijd pak ik er toch graag iets van mee en bij sommige stripseries laat ik mijn reserves al gauw varen. De strips over Ravian en Laureline (van Jean-Claude Mézières en Pierre Christin) ken ik nog van vroeger. Ik heb ze altijd graag gelezen. Herlezen van deze strips doe je eigenlijk altijd op twee manieren: je probeert er fris naar te kijken, als waren het nieuwe strips, en je ontkomt tegelijkertijd niet aan het gevoel dat je ooit had toen je de strips voor het eerst las.

Bij Sherpa wordt gestaag gewerkt aan de heruitgave van Ravian en Laureline. Intussen zijn het negende en tiende deel er, met hardcover en in beperkte oplage: Halte Châtelet, richting Cassiopeia en Brooklyn Station, eindpunt Kosmos.

Vaak verkeren Ravian en Laureline ergens in het universum, hoppend van planeet naar planeet, maar in deze delen is Ravian op aarde. Zijn metgezel is meneer Albert, een goedmoedige agent van Galaxy en een fraai personage, dat altijd zijn goede humeur behoudt. Hij is ieders gedroomde oom.

Laureline is wel in de ruimte en zij houdt op afstand contact met Ravian. Aan het eind van het tweede deel van dit tweeluik heeft zij beslissende invloed als ze verschijnt in de spannende kleding van een escortdame en twee monsters het hoofd op hol brengt.

Bij integrale uitgaven gaat het niet alleen om de verhalen. Die kennen we immers, ook al is er nu extra aandacht besteed aan een zorgvuldige uitgave. Het gaat ook om de extraatjes. In deel 9 is dat een mooi stuk van de hand van Stan Barets, die bijvoorbeeld ingaat op het engagement van de reeks maar ook op de vraag of Ravian links is.

Verder worden er foto's van locaties (het Centre Pompidou, bijvoorbeeld) gelegd naast de tekeningen van Mézières en dat is bijzonder aardig. Er zijn fraaie  afbeeldingen van covers en van verschillende ontwerpen van wezens/machines, waaruit de zoektocht duidelijk wordt die de tekenaar heeft afgelegd voordat hij tot zijn uiteindelijke keuze is gekomen.

In deel 10 is het extraatje van geheel andere orde: een grappig kort verhaal over Ravian ('Triomf der techniek') uit 1970.

Sherpa heeft weer twee fraaie delen toegevoegd aan de reeks. De verhalen zijn leuk om te lezen, de albums zijn als vanouds verzorgd. Alleen al de covers zijn heerlijk. Bij deel 9 bijvoorbeeld is het lijnenwerk scherp en de penseelstreek van de inkleuring is mooi te zien. De liefhebbers hebben de twee ongetwijfeld aangeschaft en naast de eerdere acht in de kast gezet.

 Titel: deel 9: Halte Châtelet, richting Cassiopeia
           deel 10: Brooklyn Station, eindpunt Kosmos
Tekst: Pierre Christin
Tekeningen: Jean-Claude Mézières
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2017, hardcover;64 blz.  € 24,95


woensdag 21 februari 2018

De tweepeer en de klok


Het is al jaren geleden: de groep belijdeniscatechisanten ging op bezoek bij de dominee voor een kopje koffie. Ik was een van de jongeren en ik herinner mij nog dat ik met enig ontzag het huis van de predikant betrad. Wat er die avond gezegd is, ben ik vergeten. Ik weet alleen nog dat mij opviel dat dominee zoveel klokken bezat: overal tikte het en van alle kanten werden wij gewezen op het voorbijgaan van de tijd.

Ik vond het indertijd zeer passend: dominee hield zijn gemeenteleden voor dat zij slechts tentbewoners zijn op aarde en dat ze hier geen blijvende stad hebben, maar hij bepaalde zichzelf er ook voortdurend bij dat de tijd doortikt.

In de kunst zijn klokken en zandlopers bekende vanitassymbolen, net als schedels, gedoofde kaarsen, zeepbellen. Ze wijzen de kijkers op de eindigheid van het leven.

Ook in het werk van Eveline Kieskamp komen we thema’s tegen die ons bepalen bij de vergankelijkheid: dode hazen en vogels, verlepte bloemen, fruit dat over de houdbaarheidsdatum is. De thema’s die in voorbije eeuwen vooral terugkwamen in schilderijen, stelt zij aan de orde in ruimtelijk werk. Zo’n werk is ‘Tweepeer’.

De titel is een woordspeling op ‘kweepeer’: we zien twee kweeperen, die op elkaar rusten. Kieskamp heeft veel geëxperimenteerd met Delfts blauw en ook hier zien we het wit als hoofdkleur, met daarbij de blauwe tak, waarvan het blauw over de peren loopt. Bij de onderste peer lijkt het blauw te komen uit het gaatje waarin het steeltje heeft gezeten. Als sap, misschien, maar het doet ook aan bloed denken.

Kweeperen zijn wat bonkig van vorm, dus misschien heeft Kieskamp twee prima peren als voorbeeld genomen, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze peren hun beste tijd gehad hebben en al een beetje aan het bederven zijn. Ze zijn tegen elkaar aan gezakt en als ze verder rotten, zullen ze alleen maar meer met elkaar vergroeien.

Kieskamp laat ons niet het gave fruit zien, maar het fruit dat al op zijn retour is. Daarmee wijst ze de kijker en ook mij dus, net als de klokken van de dominee, op de eindigheid van het leven. Daarbij helpt ook de afgebroken tak, een bekend symbool voor een afgebroken leven.

De peren worden niet gepresenteerd op een schitterend bord, maar op een bordje dat eruitziet alsof het van karton is. Het is niet mooi recht en het oog nauwelijks stabiel: geen bordje voor de eeuwigheid, maar een weggooibordje.

De dood is een gegeven, een zekerheid, in ieders leven. Zowel de eigen dood als de dood van de geliefden. Je kunt de dood als gruwelijk weergeven. Je kunt ook opstandig zijn, vechtend tegen de bierkaai, maar toch vechtend. Je kunt uitbundig leven en jezelf voorhouden dat de dood er niet is. Niet voor jou, tenminste.

Dat doet Kieskamp niet. In haar werk lijkt ze de dood als gegeven te accepteren. Het verval, de afweg naar de dood, is bij haar dan ook niet iets waaronder we moeten lijden. Bij haar werk betrap ik me erop dat ik het ‘mooi’ vind, terwijl ik sta te kijken naar aftakeling, bederf, dood. Blijkbaar gaat er een rust uit van haar werk, dat ons, al is het maar voor de tijd dat we ernaar kijken, verzoent met het feit dat we over ons hoogtepunt heen zijn en leven naar de dood toe.

Juist bij het kijken naar de Tweepeer heb ik het idee dat mij een spiegel wordt voorgehouden: het verval is al ingezet, maar dat is niet erg. Ik zie mij en mijn geliefde als de twee peren die tegen elkaar aan gezakt zijn. Het verval gaat door, maar je hebt elkaar, je bent niet meer twee afzonderlijke peren, maar een tweepeer. Juist door het verval ben je meer op elkaar aangewezen, word je meer een met de ander. Dat is belangrijk. Belangrijker dan hoe lang je nog samen op een bordje ligt voordat je weggekiept wordt.

Tweepeer toont ons onze eindigheid, maar laat ons daar niet om treuren. Juist door ons te wijzen op die eindigheid, heft het ons daarbovenuit. In ons wordt vredigheid wakkergemaakt.

Mogelijk heeft de dominee indertijd met dezelfde vredigheid geluisterd naar het tikken van zijn klokken.


Deze 'beeldmeditatie' is geschreven voor Artway. Zie daar voor meer kunst.

dinsdag 13 februari 2018

Pruimen van ooit


Opal
Ze zijn er niet meer de boomgaarden uit mijn jeugd, maar ik weet er nog moeiteloos de weg. Die in Herveld, tussen de Merkenhorststraat en de Dijkstraat, bestond uit twee boomgaarden, verbonden door een brug van bielzen, die mijn vader eigenhandig heeft gebouwd. Er kon met gemak een wagen
volgeladen met kisten fruit overheen. Later kwam daar de boomgaard van mijn opa bij, in Loenen, bij Slijk-Ewijk. In beide boomgaarden stonden, naast de appels en de peren, pruimenbomen.

Op deze plaats haalde ik eerder herinneringen op aan de appelrassen en de perenrassen uit mijn jeugd. Nu zijn de pruimenrassen aan de beurt.

Early Laxton
Ik vermoed dat er in de boomgaard in Herveld niet zo heel veel pruimenbomen stonden. Ik heb er maar weinig herinneringen aan. Wel aan de Early Laxton, een hoogstammetje vlak achter het schuurtje dat misschien vroeger wel een kippenhok geweest was, maar waarin later een of twee varkens huisden. Het was een wat gammel gebouwtje en in een strenge winter vroor het in het schuurtje zo hard dat een zeug bevriezingsverschijnselen vertoonde.

De Early Laxton noemden wij 'Allyakson', tenminste zo verstond ik het. Het was een vroege pruim en als de Early Laxtons begonnen te rijpen, was het pruimenseizoen begonnen. Pas nu ik dit typ, realiseer ik me, of meen ik me te herinneren, dat er ook een paar Opals in de buurt van het hoogstammetje stonden. In Loenen hadden we die ook. Ik heb de Opal altijd een smakelijke pruim gevonden en hij heeft zich goed gehouden. We treffen hem na zoveel decennia nog steeds in de supermarkt aan.

In de achterste boomgaard stond een oude pruimenboom, die een beetje scheefgezakt was. Ik zie nog hoe mijn moeder de hoge brandnetels eromheen met haar klompen plattrapte en mij daarna optilde, zodat ik kon kijken in een holletje in de stam. Daarin zat een nest jonge vogels. Koolmeesjes, zei mijn moeder. Ik vond het een wonderlijke ervaring.
Eldense Blauwe

Ik gok erop dat de boom een Eldense Blauwe was, een ras dat toen al als oud werd gezien. In mijn herinnering zijn de pruimen heerlijk. Er zat een dof waasje op, dat je er ook af kon poetsen, zodat de pruimen glommen, maar met waas waren ze eigenlijk mooier. Als de pruim goed rijp was, kleurde het vruchtvlees een beetje rood. De blauwe pruimen werden liefkozend 'Blauwkes' genoemd.

Er waren ook 'Gruuntjes', Reine Claude Verte, die een beetje geel werden als ze goed rijp waren. Ook dat pruimenras was in mijn jeugd al oud. Lekkere pruimen, vonden we. Mijn moeder maakte er ook wel jam van. Soms stoofde mijn moeder pruimen. Wij noemden dat 'slemp' en we deden het zowel over de pap als op brood. In de pruimentijd was er altijd slemp, meestal gemaakt van de 'stek', de pruimen die niet gaaf meer waren, maar bijvoorbeeld aangepikt door de vogels.
Gruuntjes

In 1969 verhuisden we naar de Schoolstraat in Herveld. De boerderij werd eerst bewoond door twee broers. Nog voordat die weg waren, vroeg mijn vader of hij alvast in het weitje achter de boerderij pruimenbomen mocht poten. Er stonden al wat bomen (waaronder een boom Gruuntjes), aan de rand, bij de muur van de mestvaalt. Mijn vader pootte het weitje vol met hoogstammen. Dan kon het jongvee eronder weiden. We hebben het weitje ook wel eens gehooid.

Wat voor pruimen waren het? Czaren? De Czar ('Saar', zeiden we) was een vrij grote, maar flauwe pruim. We hebben die zeker gehad. In mijn herinnering plantte mijn vader twee rassen in het weitje, om en om. Misschien toch niet de Czar? Die is zelfbestuivend, voor zover ik weet. Stonden er 'Bellevijns' in het weitje? 'Bellevijn', zo zeiden wij het, maar eigenlijk heette de pruim Belle de Louvain, Schone van Leuven. De pruimen hadden ook een bijnaam, die wij veelvuldig gebruikten: 'Hingstekloten'.

In Loenen hadden we ook pruimen. Langs de sloot, aan twee kanten van de boomgaard, stond een rij 'Wijnpruimen'. Zo noemden wij ze, maar ze hadden ook andere namen: Perzikpruim of Monsieur Hâtif. Ze brachten altijd veel op bij de veiling, herinner ik me, terwijl ik ze helemaal niet zo lekker vond. De Wijnpruim had 'beurtjaren': op sommige jaren zat er bijna niets aan de bomen en op andere jaren waren de bomen afgeladen vol.

Of ze zo vol zaten dat ze 'gedund' moesten worden, weet ik niet meer. Het gebeurde wel. Een pruimenboom is niet zo sterk en als een boom goed vol zat, kon een tak zo zwaar worden dat hij afscheurde. Die moest dan ondersteund worden. Als een boom te vol zat, bleven de pruimen ook veel te klein en dan was het verstandig om ze uit te dunnen.

Natuurlijk hadden we ook 'Vikken', Reine Victoria. Een sterke pruim, die het altijd goed deed. Soms zat er wat hars aan de pruim en voor mijn gevoel kwam die hars uit de pit, maar dat weet ik niet zeker.
Reine Claude d'Oullins

Verder hadden we 'Daltans' (Reine Claude d'Althann), 'Doeljes' (Reine Claude d'Oullins), Ontario's en ook Vroege Tolse. Die heeft mijn vader aangepoot; in mijn allervroegste jeugd hadden we ze niet. Maar waar stonden ze? Ik heb er geen beeld meer bij.

Zo is er wel meer waar ik niet meer zeker van ben. Hadden wij Sint Hubertus? De naam komt mij bekend voor maar de herinnering is zo vaag, dat ik haar wantrouw. Misschien dat mijn broer het weet.

Hadden wij Kwetsen? Waarschijnlijk niet, maar ik ken de naam wel. Ik herinner mij ook de 'Krozen' (Oranje Kroosjespruim). Stonden die vlak bij de 'pèrdstal'? In de vroegere paardenstal had mijn vader varkenshokken gemetseld. Bij de achterdeur konden de varkens naar buiten. Er stonden bij die deur, of misschien daar in de buurt, achter de 'lòds' (de loods), ook enkele pruimenbomen. Daar zaten ook wilde pruimen bij, die zuur waren en die je eigenlijk niet kon eten. Ze werden niet geplukt. We noemden ze 'vèrkenspruimen', waarschijnlijk omdat de varkens ze altijd opaten. Varkens lusten alles.

Er waren en zijn natuurlijk meer pruimenrassen, Bleu de Belgique, Dubbele Boerenwitte, Mirabelle de Nancy. Ik heb vroeger wel eens iemand over de Mirabellen horen praten, maar eigenlijk heb ik er geen herinnering aan.

Wat de rassen tegenwoordig zijn, weet ik nauwelijks. Bij mijn broer eet ik wel eens een pruim die mij totaal onbekend voorkomt. Sommige pruimen hebben geen naam, alleen maar een nummer. Dat is een ras in ontwikkeling, voor zover ik weet. Broer oogst in een jaar meer pruimen dan ik in mijn hele leven bij elkaar heb gezien, vermoed ik. Hij en zijn (en mijn) neef hebben boomgaarden in Nederland en Polen. Ze noemen zich wel de Pruimenmeesters. Grote kans dat de pruimen die je bij Albert Heyn koopt geoogst zijn in de boomgaarden van B&B-fruit, van de Pruimenmeesters dus.

In de zomervakantie van 2017 dacht ik in Maribor, in Slovenië, de oude, vertrouwde Eldense Blauwe nog te zien. Ik kocht een kilo en stuurde een berichtje naar mijn broer, die antwoordde 'Stanley waarschijnlijk'. Van dat ras had ik zelfs nog nooit gehoord.

De hedendaagse pruimenrassen zullen ongetwijfeld voordelen hebben: meer kilo's aan de boom, minder kwetsbaar, fraai ogend. Maar ik word vooral blij bij de herinnering aan de Gruuntjes, de Blauwkes en al die andere oude pruimenrassen. In mijn herinnering worden ze elk jaar lekkerder.


De foto van de Eldense Blauwe komt van deze site en die van de Opal komt hiervandaan.

Mijn moeder, met de plukschort, bij de wijnpruimen
Mijn vader bij de wijnpruimen. Ze werden aan de groene kant geplukt en rijpten verder in de kist.