dinsdag 8 mei 2018

Renate Dorrestein (1954 - 2018) overleden

Foto: Merlijn Doomernik
In 1983 verscheen de roman Buitenstaanders, van Renate Dorrestein. Het was de eerste roman van wat een lange lijst met boeken zou worden. Door de jaren heen bouwde Dorrestein gestaag aan haar oeuvre. Op 4 mei overleed ze, 64 jaar oud.

Debuut

Buitenstaanders was een fris boek over een gezin dat strandt met de auto op weg naar vakantie. Vader, moeder en twee zoontjes worden opgenomen in een huis waarin vreemde mensen wonen, bijvoorbeeld een vrouw die het idee heeft dat ze jong kan blijven door het bloed van jonge eendjes te drinken en een man die liefdesbrieven op bestelling schrijft. En de zwijgzame figuur Evertje Polder, van wie pas na een tijdje blijkt dat het helemaal geen mens is.

Het debuut van Dorrestein was een fris geschreven boek, waarom ik breed moest glimlachen maar het had ook iets duisters, waardoor het meer was dan een luchtig boek. Er wordt door de zusjes Biba en Ebbe een feest op touw gezet voor hun drielingzusje Sterre, maar je krijgt steeds meer het idee dat er iets in het verleden is gebeurd dat helemaal niet pluis is. Na afloop stelt de lezer zich de vraag wat eigenlijk 'normaal' is, wie er normaal is en of hij zelf wel normaal is.

Na Buitenstaanders las ik een aantal jaren lang zo'n beetje alle boeken die Dorrestein publiceerde. Die waren niet altijd even geslaagd (bijvoorbeeld Vreemde streken, 1985), maar de meeste van die romans zijn mij wel bijgebleven, zoals Noorderzon (1986) en Een nacht om te vliegeren (1987).

Rond die tijd kocht ik standaard elk nieuw werk van Dorrestein, dus ook haar verzameling columns Korte metten (1988), het dunne boekje Haar kop eraf (1988), tekst van een lezing, en zeker het half-autobiografische Het perpetuum mobile van de liefde (1988). Ik heb daar tijdens de lessen die ik gaf ook wel uit voorgelezen, herinner ik me.

Het was ook de tijd dat het tijdschrift Bzzlletin een themanummer aan Dorrestein wijdde. Ook dat tijdschrift las ik helemaal. Daarin stond bijvoorbeeld het stuk waarin Hella Haasse Dorrestein plaatste in de traditie van de gothic novel.

De meeste van die eerste romans heb ik verschillende keren gelezen. Ik herinner me dat ik in de plaatselijke bibliotheek een lezing heb gehouden over het werk van Dorrestein. Daar kwam bijna niemand op af, wat ongetwijfeld meer aan mij lag dan aan het werk van Dorrestein. Uiteindelijk kon de lezing aan een grote tafel gehouden worden, wat wel goed was voor de sfeer en voor het op gang komen van het gesprek over de lezing.

Veel van de vroege romans van Dorrestein volgen een vast stramien: ze spelen zich af op een geïsoleerde plek, zodat er geen ingrijpen van buitenaf mogelijk is. Op die plek zijn de mensen bij elkaar en dan gaat het gisten, totdat het uitloopt op een noodlottig einde.

Vóór alles een dame

In 1989 verscheen een boek dat relatief onbekend is gebleven: Vóór alles een dame. Het is een bijzonder boek. Je kunt het lezen als een soort kalender, met bij elke datum de naam van een heilige en een citaat. In die afdeling waren mannen overigens zo ongeveer afwezig. Ook in de rest van het boek zijn het de vrouwen die het voor zeggen hebben.

Er staan verder recepten in het boek, maar het lukt je niet om daarmee een complete maaltijd samen te stellen: ik herinner me vooral recepten voor taarten.

Daarnaast wordt er het verhaal verteld van mevrouw Meermin, die werkt met meisjes die een buitenstaander misschien moeilijk opvoedbaar zou noemen. Mevrouw Meermin spreekt liever over 'meisjes met potentieel'. Mevrouw Meermin leert de meisjes koken, want wie kookt heeft de macht. Haar echtgenoten zijn dan ook op mysterieuze wijze om het leven gekomen. Als het verhaal een onaangename wending dreigt te nemen, komen de meisjes in opstand en gijzelen ze de schrijfster. Een van de meisjes neemt de pen (of het toetsenbord) over.

Dorrestein speelt in het boek met de fictionaliteit: de personages zijn zich ervan bewust dat ze een personage zijn en Dorrestein maakt van zichzelf ook een personage. Het is een spel dat ook de Revisorauteurs wel speelden, bijvoorbeeld Frans Kellendonk in Letter en geest. Maar Dorrestein is luchtiger, speelser.

Jaren negentig

Een tijdlang volgde ik het werk van Dorrestein, kocht en las het: Het hemelse gerecht (1991), Ontaarde moeders (1992), Heden ik 1993, over de ziekte ME waaraan zij leed), Een sterke man (1994), Verborgen gebreken (1996) en het boekenweekgeschenk Want dit is mijn lichaam (1997). Sommige van die boeken staan mij nog goed bij.

Ik zie het restaurant in Het hemelse gerecht nog voor me. Het water begon te stijgen rondom het restaurant en dat kende ik uit mijn jeugd. Mijn opa en oma woonden buitendijks, zodat we bij hoogwater alleen met een roeiboot hun huis konden bereiken en samen met mijn vader en mijn broer heb ik (tevergeefs overigens) zandzakken gesjouwd om het water in het voorjaar achter de zomerdijk te houden.

Ontaarde moeders herinner ik me als een sterke roman. Het meisje dat daarin rondloopt voelt zich erg verantwoordelijk voor haar vader. Als je parentificatie wilt illustreren, kun je veel passages in dit boek als voorbeeld gebruiken.

Een hart van steen (1998) is een van de bekendere romans. Een meisje overleeft een familiedrama en vraagt zich af waarom haar moeder haar niet gedood heeft. Het boek komt nog geregeld op de boekenlijsten van mijn leerlingen voor, waarbij het wel vooral meisjes zijn die het boek lezen. Ik zie ook Het hemelse gerecht of Verborgen gebreken wel eens terugkomen. Bij dat laatste boek speelt misschien mee dat het verfilmd is.

Na 2000

Het geheim van de schrijver (2000) sloeg ik over, maar Zonder genade (2001) las ik, evenals Het duister dat ons scheidt (2003). Terwijl ik dit tik, begin ik te twijfelen. Of las ik Zolang er leven is (2004)? Ergens in deze periode ben ik Renate Dorrestein kwijtgeraakt. Ik heb geen beeld meer bij de inhoud van de romans en blijkbaar waren er andere boeken en andere schrijvers die om mijn aandacht vroegen.

Jaren nadat het uitgekomen was, kocht ik Echt sexy (2007) voor een euro of zo op een rommelmarkt. Het boek kwam terecht op de stapel boeken die ik misschien ooit nog een keer zou gaan lezen. Dorrestein leest immers altijd prettig, dus je weet nooit. Maar nooit haalde ik het boek van die stapel af.

Pas bij Weerwater (2015) had ik weer de neiging de nieuwe Dorrestein te gaan kopen. Ik las de recensies, was geïnteresseerd, maar kocht het boek niet. Wel heb ik een keer een mondeling examen afgenomen bij een leerling die het boek op de lijst had staan en ik bleek er genoeg van te weten om geloofwaardige vragen te kunnen stellen.

Ook Reddende engel (2017) leek me wel wat en toen ik aan het eind van dat jaar een lijstje maakte van de beste boeken van dat jaar die ik niet gelezen had, plaatste ik dat boek erop. Van aanschaffen en lezen is het sindsdien niet gekomen.

Meeleven met de personages

Dorrestein heeft een fors oeuvre bij elkaar geschreven. Het zijn niet allemaal meesterwerken, maar de boeken zijn allemaal prettig te lezen. Dorrestein heeft een zekere helderheid van vertellen die veel lezers aanspreekt, gezien de verkoopcijfers van haar boeken. Ze heeft enkele ontroerende hoofdpersonen geschapen, zoals Ontaarde moeders en Verborgen gebreken. Het is overigens in al haar boeken gemakkelijk om mee te leven met de hoofdpersoon.

Als geen ander wist Renate Dorrestein haar hoofdpersonen in lastige situaties te brengen. Dat deed ook Maria Stahlie wel in haar vroege romans. Je voelt dat het niet goed kan gaan, maar de hoofdpersoon gaat door op hetzelfde spoor totdat hij of zij niet meer terugkan. Omdat de lezer zo meeleeft met de personages, voelt ook de lezer zich ongemakkelijk bij de netelige situatie van de hoofdpersoon.

Mededogen

Altijd lees je Dorresteins boeken met mededogen voor de hoofdpersoon en altijd is  daarin ergens nog wel een sprankje hoop. Pessimistisch was Dorrestein niet, maar ze wilde wel de werkelijkheid laten zien en die is niet altijd prettig. Haar hart was bij de mensen die erg hun best deden om hun leven op orde te krijgen, maar daar net niet in slaagden, bij degenen die net te weinig macht hebben. Kinderen, bijvoorbeeld, zoals in Verborgen gebreken, waarin twee kinderen weglopen van huis en meegaan met een oude vrouw. Ook daar proberen ze greep te houden op het lot. Met noodlottige afloop, overigens.

Vaak onderzoek Dorrestein situaties. Hoe werkt het bij een familiedrama waarin een moeder haar kinderen doodt en daarna zelfmoord pleegt? Hoe werkt macht? Hoe zit het met kinderen die zich verantwoordelijk voelen voor hun ouders? Hoe reageer je als je slachtoffer (of dader) bent van zinloos geweld? Dit soort vragen dwingen de lezer om na te denken over soortgelijke situaties.

Niet lang voor haar dood publiceerde Renate Dorrestein Dagelijks werk, een autobiografie in teksten. Aan de hand van die teksten krijgen we een beeld van haar schrijversleven.

Dorrestein heeft in een groot deel van dat schrijversleven een omvangrijk publiek gehad. Niet voor niets liggen er na haar dood condoleanceregisters bij een aantal grote boekhandels in het land. Daar zullen veel mensen hun naam achterlaten. Op Hemelvaartsdag zal de uitvaart zijn. Dat is een passende dag. Renate Dorrestein heeft op school gezeten bij de nonnen en het katholieke geloof is altijd bij haar gebleven. Ze sprak daar ook over in haar recente interviews, toen al duidelijk was dat de tijd die haar nog restte op raakte.

Laat haar rusten in vrede en laat haar oeuvre nog even doorleven.

De foto van Renate Dorrestein is beschikbaar gesteld door Merlijn Doomernik. 
Voor nog meer portretfoto's: zie zijn website.

zondag 6 mei 2018

Mensen van licht en steen (Frans Willem Verbaas)

De Tweede Wereldoorlog brengt vier inwoners van het stadje Heusden bij elkaar: een zakenman (Nard), een kleine middenstander (Gijs), iemand die op de scheepswerf werkt (Levien) en een docent geschiedenis (Evert). Door de omstandigheden ontwikkelt zich een vriendschap en de vrienden besluiten wekelijks bij elkaar te komen op wat je een hangplek zou kunnen noemen: een bankje bij de katholieke kerk. Dat houden ze vol tot ze hoogbejaard zijn en voor een enkeling van hen zelfs tot het eind van zijn leven.

Dat is het grondpatroon van de roman Mensen van licht en steen van Frans Willem Verbaas, die eerder de vrij goede roman De vierde vrouw, de redelijke roman  Sneeuw in Afrika en het minder geslaagde Engelenwoede schreef. Het zijn wel boeken waarin een auteur serieus iets probeert en ze lezen ook aardig weg.

Dat laatste is ook wel het geval Mensen van licht en steen. Verbaas gaat met soms grote, soms wat kleinere stappen door de tijd, waarbij we op de hoogte worden gehouden van het doen en laten van het viertal en van hun partners en nazaten. Intussen krijgen we ook de ontwikkelingen mee van het vestingstadje Heusden en de andere ontwikkelingen in onze maatschappij.

Daarbij heeft Verbaas het wel klein gehouden. Het boek loopt van november 1944 tot nazomer 2008, maar we krijgen weinig mee van bijvoorbeeld de moord op Kennedy, de oorlog in Vietnam, de treinkapingen in de jaren zeventig of de val van de Muur. De vrienden hebben vooral aandacht voor hun directe omgeving.

Ze kunnen zich niet onttrekken aan enkele ontwikkelingen of maken er gebruik van: Gijs heeft een tabakszaak, maar het roken komt gaandeweg in een kwade reuk te staan; de zoon van Nard begint een keten van videotheken als de videobanden in zwang komen en de dochter van Levien gaat in de computers.

Ook Heusden ontwikkelt zich. De stad wordt keurig gerenoveerd, wat gevolgen heeft voor de huizenprijzen (Nard zit in het vastgoed), maar je ziet ook hoe moeilijk de middenstand het heeft. Wat dat betreft is dit boek ook een beetje Geert Mak in Heusden (Hoe God verdween uit Heusden). Hoe belangrijk Heusden is, blijkt ook uit de plattegrond die opgenomen is in het begin van het boek.

Dat kaartje is een extra service, maar eigenlijk heb je het niet nodig. Ik heb het bekeken aan het begin van het boek, maar heb het verder niet meer geraadpleegd, zonder dat het boek minder goed te volgen was. Na afloop had ik wel zin om eens een kijkje in Heusden te gaan nemen; het lijkt me een aardig stadje.

Het boek van Verbaas begint met een proloog, waarin Evert aan het woord is. Er wordt gesuggereerd dat de rest van het boek bestaat uit zijn genoteerde herinneringen. Dat is merkwaardig, want uit het grootste deel blijkt absoluut niet dat Evert de verteller is. Het eerste hoofdstuk begint bijvoorbeeld met Gijs (in 1944) en al in de tweede regel lezen we: 'Hij verlangde naar beweging en frisse lucht.' Ik geloof niet dat Evert zich dit soort dingen herinnert. De proloog had dan ook beter achterwege kunnen blijven.

Natuurlijk is het tussen de vrienden niet altijd koek en ei. In het schetsen van conflicten is Verbaas niet op zijn best. Een paar keer wordt iemand ineens kwaad en loopt daarna weg van de groep, waarbij ik nauwelijks snap waarom iemand zo ineens zo boos wordt. Tegen het eind van boek is er 'een gewelddadig incident' zoals er in de proloog staat en dat is een absoluut dieptepunt. Niet alleen is de actie tamelijk ongeloofwaardig, ook stilistisch is Verbaas hier op zijn zwakst.

Hij heeft het boek door af en toe clichématige beschrijvingen, vooral als het over het uiterlijk gaat. Van de vrouw van Gijs wordt zo'n beetje elke keer dat ze opgevoerd wordt verteld dat ze 'opaalblauwe ogen'  heeft. Maar in het gevecht tegen het eind is meer mis. Het zou juist snelheid moeten hebben,  maar de schrijver strooit met vertragende zinswendingen en vreemde beschrijvingen. Zo krijgt iemand 'een trap tegen zijn knieschijven'. Ik ga ervan uit dat de bewuste man zijn knietjes keurig bij elkaar gehouden heeft, zodat ze in een enkele trap te raken zouden zijn.

De bedroevend slechte passage tegen het slot maakt veel kapot van een voor de rest aardig boek, waarin Verbaas laat zien dat iedereen een kind van zijn tijd is en dat mensen met verschillende achtergronden elk met hun eigen problemen hebben te kampen, zoekend naar geluk of succes of beide. En ook dat er over de verschillen heen werkelijk contact tussen mensen mogelijk is. Dat is wel prettig in een samenleving, waarin het benadrukken van verschillen gebruikt wordt om contact te vermijden.

Verschillende keren komt Verbaas uit de hoek met originele observaties. Als er twee huwelijken op een echtscheiding uitlopen:
Neem nou jouw Tommy en mijn Ada. Die dubbele echtscheiding was gewoon een ordinaire reorganisatie met bijbehorende ontslagronde: Irene en Albert vlogen eruit, Tommy en Ada fuseerden en werden nog rijker dan ze al waren. 
Relaties raakten in de loop van de decennia minder tijdbestendig. Ook in vorige romans kwamen echtscheidingen of huwelijkscrises al voor. Hier neemt een man de zorg voor de kinderen op zich en ook dat kwam al eerder voor in het werk van Verbaas.

Soms is het geloof onderwerp van gesprek. Vreemd is wel dat er nooit gesproken wordt over 'rooms-katholiek', maar alleen over 'rooms', ook door de katholieken zelf. Een pastoor kan zeggen: 'De roomse kerk kampt met een groot priestertekort'. Geen pastoor zegt hem dat na.

Bij het beschrijven van een kerkdienst is Verbaas weer origineel:
Zo'n kerkdienst is net als vrijen, geweldig als je er zelf mee bezig bent, maar als je er van een afstandje naar kijkt, dan geneer je je. 
Everts beste vriendin, Heleen, roept zichzelf uit tot de uitvindster van het vrij-conservatieve protestantisme.
Daaronder versta ik een geloofsrichting die enerzijds het geheel van de christelijke traditie respectvol wil bewaren, en die anderzijds iedereen de vrijheid toekent zich de afzonderlijke onderdelen van die traditie wel of niet persoonlijk toe te eigenen. 
Dat laatste is kenmerkend voor de gelovigen in Mensen van licht en steen, zoals de pastoor. Het zijn geen zeloten, maar ze bezitten een zekere mildheid tegenover hun medemensen, die ze graag de ruimte geven. De protestant Gijs is wel koppig, maar meer in zijn streven de kerktoren herbouwd te krijgen.

Het idee achter Mensen van licht en steen is aardig en het lukt Verbaas om ons mee te laten leven met de personages. Hoewel de beschrijvingen de ene keer beter geslaagd zijn dan de andere, willen we deze vier mensen toch wel volgen. De constructie met een proloog, en een gewelddadig incident aan het eind is ongelukkig. Daar waren betere oplossingen voor te bedenken geweest. Maar goed, een schrijver probeert eens wat en dan kan het ook mislukken. Een volgende poging, een volgende roman, ga ik wellicht toch wel lezen.

Frans Willem Verbaas, Mensen van licht en steen. Uitgeverij Mozaïek, Utrecht z.j. [2018]; 288 blz. € 19,99

dinsdag 1 mei 2018

De exodus van Hendrik Peter Scholte (Michiel van Diggelen)


Op kerkelijk gebied was het roerig in de negentiende eeuw: de Nederlandse Hervormde Kerk was de officiële kerk, maar in 1834 scheidde een aantal dominees zich af. De bekendste namen zijn H. de Cock en H.P. Scholte. Zij stichtten zelfstandige gemeenten buiten de kerk. Verzet was er tegen de nieuwe reglementen en tegen de Evangelische Gezangen. Ds. Ledeboer zou ze in 1840 letterlijk begraven, waarbij hij gezegd zou hebben: 'Daar liggen moeder en kind bij elkander'.

Stuk voor stuk zijn de voormannen van de afscheiding markante figuren geweest, die tegen de stroom op wilden zwemmen. Over een van hen, Hendrik Peter Scholte, heeft Michiel van Diggelen een historische roman geschreven: De exodus van Hendrik Peter Scholte. 

Bij het begin van het boek is het tien jaar na de Afscheiding en zojuist is de vrouw Scholte, Sara, overleden. Hij is op dat moment voorganger in Utrecht. Om zijn gedachten te ordenen gaat hij een eindje rijden op zijn paard Bilderdijk. Op een gegeven moment werpt het paard hem af, waarop Scholte inziet dat dat zijn eigen schuld is: hij gaf geen leiding. In de loop van de roman zal Scholte wel duidelijk leiding geven.

Waar het boek op uitloopt, is aan de titel al te zien: een exodus. Scholte zal met zevenhonderd volgelingen vertrekken naar Amerika. De roman laat de weg daarnaartoe zien. Scholte heeft het idee dat hij niet anders kan, ondanks dat zijn (tweede) vrouw aanvankelijk niet veel voelt voor de landverhuizing. Als er een beroep op Scholte wordt gedaan gaat hij de emigratie organiseren.

Iemand zegt tot hem:
Als u zich ergens achter stelt, met al uw kracht en invloed, dan vertrouwen de mensen dat het goed komt, maar niet ieder doel is het waard om voor te strijden.
Waarop Scholte antwoordt:
Dat is waar in algemene zin, maar in dit geval niet. Ik wil een nieuwe kans creëren voor al die arme drommels die hier geen toekomst meer hebben. Zij verdienen iemand die als een richter voor hen uitloopt en de weg wijst.

Van Diggelen heeft van de geschiedenis een goed leesbare roman gemaakt, waarin we Scholte aardig leren kennen. Hij is een teleurgesteld man: van de beweging die op gang kwam met de Afscheiding is minder overgebleven dan hij gehoopt had en hij is veel medestanders in de loop der jaren kwijtgeraakt. Het idee van emigratie wakkert bij Scholte het vuur opnieuw aan.

Dat de emigratie ook een economische oorzaak had, was mij onbekend. Een aantal mensen leefde in armoede of bijna-armoede en er was weinig zorg voor hen. Verhuizen naar Amerika was voor hen een manier om zich staande te kunnen houden. Misschien was dat allemaal al wel bekend, maar ik wist het nog niet.

Amerika werd ook gezien als het land waar nog werkelijke godsdienstvrijheid was en waar de overheid de kerk niet allerlei regels op kon leggen.

Een historische roman lees je aan de ene kant als een geschiedenisboek: je komt erachter wat er in die periode in een deel van Nederland gebeurd is. Ik kwam namen tegen die ik kende of op zijn minst wel eens gehoord had: van de predikanten Kohlbrugge, Brummelkamp en Heldring bijvoorbeeld. Heldring vond overigens dat er niet een nederzetting in Amerika gesticht moest worden, maar in Nederlands-Indië. Er werd zelfs een gesprek gearrangeerd van Scholte en Heldring met minister Baud, maar die zag er geen heil in en hij gaf geen toestemming.

Aan de andere kant lees je het ook als het verhaal over een man met wie je wilt meeleven en die je wilt begrijpen. Dat lukt aardig, al is het wel vooral Scholte die goed uit de verf komt. De personen om hem heen blijven een stuk vlakker. De beschrijving van het gezin is warm, maar wellicht ook een beetje klef en dat de vrouw van Scholte eerst fel tegen de emigratie is, maar zich later schikt is ook niet helemaal goed na te voelen.

Van Diggelen heeft Scholte goed in zijn tijd geplaatst, ook qua opvattingen. Zo vindt hij dat zijn vrouw hem moet volgen; dat heeft ze immers beloofd toen ze met hem trouwde. Zijn aanvankelijk opstandige vrouw lijkt dichter bij onze tijd te staan.

Ook het taalgebruik in de kring waarin Scholte verkeerde, weet Van Diggelen goed te typeren. Er worden ook delen van preken naverteld. Wellicht had de schrijver de tekst daarvan tot zijn beschikking, evenals misschien de tekst van enkele brieven. In ieder geval is het taalgebruik geloofwaardig.

De exodus van Hendrik Peter Scholte moet het niet hebben van de plot: die is met de titel al zo ongeveer gegeven. Erg is dat niet. De periode waarin het verhaal zich afspeelt en de hoofdpersoon zijn intrigerend genoeg.

Ook het vervolg van de geschiedenis, dat buiten dit boek valt, lijkt boeiend. Het stichten van Pella in de staat Iowa, de weigering van Scholte om zich aan te sluiten bij de Dutch Reformed Church en uiteindelijk zijn afzetting lijken stof te bevatten voor een vervolgroman. Wie weet, komt dat er nog van.

Michiel van Diggelen, De exodus van Hendrik Peter Scholte. Uitgeverij IJzer, Utrecht 2018; 400 blz. € 22,50

maandag 23 april 2018

Snippers, De eindstreep (Aimée de Jongh)


Hoewel ik een treinreiziger ben, ben ik geen Metro-lezer. Dat betekent ook dat ik in dat krantje nooit de dagstrip Snippers van Aimée de Jongh las. Mocht ik dat alsnog willen gaan doen, dan kan het niet meer. De Jongh publiceerde haar stripje over de personages Arimée en Stef daar van 2012 tot halverwege 2017 en daarna zette ze er een streep onder.

Maar gelukkig hebben we de albums. Het laatste album heet De eindstreep. Die eindstreep is bereikt, maar het verwijst natuurlijk evengoed naar de laatste streep die de tekenaar zet in een strip waarvan ze afscheid moet nemen. Er is in het album nog een epiloogje opgenomen, waarin De Jongh aan het afkicken is van Snippers. Als je een aantal jaren bijna dagelijks zo'n strip moet maken, beïnvloedt dat de manier waarop je naar de wereld kijkt. Je maakt immers niet alleen maar dingen mee; je kijkt ook of het misschien materiaal is. Als dat wegvalt, is het wennen.

Snippers heeft wat je van een dagstrip verwacht. Je moet in drie of vier plaatjes een plotje hebben, een grapje. De lezer hoeft niet te schateren, maar hij moet op zijn minst glimlachen. En het is prettig als je op de actualiteit kunt reageren van tijd tot tijd. Dat doet De Jongh ook: van de verkiezingen (met hun stemwijzers) tot de discussie over Zwarte Piet en van Boer zoekt vrouw tot de rage van de spinners.

Niemand zal boos worden over wat De Jongh over die kwesties beweert of laat zien. Al haar stripjes hebben een uitermate vriendelijke toon. Er zit altijd wel wat relativering in; ze houdt ervan om de menselijke kant te laten zien, wat betekent dat de hoofdpersoon haar zwakke kanten heeft, dat haar boosheid soms niet redelijk is, dat ze soms onhandig is, dat ze zich soms van haar beste kant laat zien, omdat ze weet dat anderen dat prettig vinden (het huis schoonmaken als er bezoek komt).

Daarin herkent de lezer zich. Die heeft immers dezelfde zwakke kanten; die voelt zich ook van tijd tot tijd een loser; die kan ook blij zijn om onbenullige dingen. De held is misschien degene die we ons dromen te zijn, de antiheld ligt dichter bij ons. Die zijn we eigenlijk zelf. Vandaar ook dat lezers zich zo goed kunnen identificeren met de personages in Snippers. 

 
Veel lezers hebben van Snippers genoten en dat is niet zo vreemd: aardige grappen, vlot getekende figuurtjes met grote manga-ogen en een setting die je herkent. Maar dat een tekenaar wel eens wat anders wil, is ook te begrijpen en we weten dat De Jongh veel andere dingen kan. Indertijd schreef ik hier over haar graphic novel De terugkeer van de wespendief. Die kwam terecht in mijn lijstje beste strips van dat jaar.

De Jongh tekende verder De Blauwbloezen en in mei verschijnt er weer een beeldroman, naar een scenario van Zidrou. Daar ben ik wel nieuwsgierig naar. Nog even geduld. Snippers is goed gelukt, maar het is een fase. Aimée de Jongh gaat verder en wie weet waarheen haar weg leidt.

zondag 15 april 2018

Gebrek is een groot woord (Nina Polak)


Eigenlijk moet je vooral goede boeken lezen, vooral ook omdat elk boek dat je leest je laat denken aan de stapel die je dus niet leest. Indertijd las ik niet We zullen niet te pletter slaan van Nina Polak. Ik stond met het boek in mijn handen, maar kocht De consequenties van een auteur met bijna dezelfde voornaam: Niña Weijers. Nooit spijt van gehad, trouwens.

Totdat ik Gebrek is een groot woord van Nina Polak las. Had ik indertijd niet beide boeken moeten kopen?

De hoofdpersoon in de nieuwe roman van Polak is Nynke Nauta, zo'n dertig jaar oud, die ook wel Skip wordt genoemd. In haar achternaam zit haar band met de nautiek: bij het begin van het boek heeft Nina al zeven jaar op zee doorgebracht. De benaming Skip kan slaan op 'skipper', maar misschien heeft ze ook wel het een en ander in haar leven geskipt.

Op een parkeerplaats in Cannes wordt ze ineens onwel als ze geconfronteerd wordt met een gezin uit haar verleden, dat ze al zeven jaar niet heeft gezien: Nico en Mascha Zeno en hun zoon Juda, die haar ooit hebben opgevangen. Ze bieden Skip opnieuw gastvrij onderdak aan: het tuinhuis staat tot haar beschikking. Nynke besluit er gebruik van te maken.

Als Skip terug is in de tuin die ze zo goed kent, zal ze haar verleden aan moeten kijken en het is maar de vraag of dat een goed idee is. Nynke verwoordt het zo:
In mijn Kleine geschiedenis van slechte ideeën zou dit een eigen hoofdstuk krijgen, 'Het tuinhuis', waarin Skip Nauta zich vrijwillig laat opsluiten om een achtergelaten leven de kans te geven zich weer eens lekker strak om haar keel te wikkelen. Met bijrollen voor Mascha, Nico en Juda Zeno, warme surrogaatfamilie en levend decor waartegen alle mislukkingen van (de toch nog relatief jonge!) Skip zullen afsteken als zwarte vliegen in chardonnay.
Door terug te gaan naar de tuin van de Zeno's, gaat Skip terug naar een eerdere periode in haar leven. Ze zal daarin ook haar intussen overleden moeder Nellie tegenkomen en Borg Eldering, met wie ze een relatie heeft gehad.

Het moederschap is prikkeldraad: Nellie was er indertijd misschien wel niet geschikt voor, heeft overwogen om er niet aan te beginnen, maar zegt tegen Skip als het ter sprake komt: 'Ik wilde je houden'. De woede die er in Skip is, is die bij haar moeder begonnen? En is de ultieme hulp die ze geboden heeft uiteindelijk ook een daad van liefde?

En hoe moet Nynke over Mascha denken? Was dat een surrogaatmoeder of was ze gewoon verliefd op haar? En moet ze zelf het moederschap aanvaarden als er een boon in haar groeit? Het zijn geen gemakkelijke vragen die Skip zichzelf stelt. Niet voor niets is ze zeven jaar zonder vaste wal onder haar voeten geweest.

Er zijn drie mannen om haar heen: de zoon van de Zeno's, Juda, die ook niet bepaald door het leven huppelt; Borg, die ze opnieuw ontmoet en die de geschiedenis van hun relatie in een verhaal of novelle heeft verwerkt; Lood, haar schipper, bij wie ze vaak als matroos heeft gevaren en bij wie ze altijd aan kan meren.

Gebrek is een groot woord is geen gemakkelijk boek. Misschien is het meer een bouwwerk van tekst, dan een vloeiend doorlopend verhaal, doordat Polak verschillende soorten teksten gebruikt: chats die uitgeschreven worden; het proza van Borg, zo'n vijfentwintig bladzijden lang, als een klont in de pap; mailtjes, korte hoofdstukken, langere hoofdstukken.

Een kwaadwillende lezer zou de opbouw onevenwichtig kunnen noemen, zeker door dat proza van Borg, dat wel erg veel bladzijden in beslag neemt. Maar een boek waarin het om Skip Nauta gaat, mag misschien wel niet evenwichtig zijn en moet misschien wel hier en daar uit het lood hangen.

In ieder geval werd ik als lezer wel steeds meer naar de hoofdpersoon toe getrokken, wat overigens niet altijd een gemakkelijke positie is, want als je je met iemand identificeert, wil je dat het goed met haar gaat en je vreest dat dat misschien wel te veel gevraagd is.

Juist daardoor overtuigde Gebrek is een groot woord me, naast natuurlijk de stijl, waar misschien wel lang aan geschaafd is, maar die soepel oogt en die de personages een duidelijke stem meegeeft. En door het feit dat het boek je laat nadenken. Over hoe het verleden niet te ontlopen is. Over wat uiteindelijk wel en niet te skippen is. Over hoe ingewikkeld relaties zijn en dat helemaal goede relaties misschien wel boven onze macht liggen.

En over de titel. Die zou natuurlijk kunnen verwijzen naar een gebrek maar ook naar het gebrek hebben aan iets, het ontbreken van iets. De titel lijkt een antwoord van iemand die niet voluit 'ja' wil zeggen: 'Heb je er gebrek aan?' 'Gebrek is een groot woord'. Als dat zo is, dan informeert de vraag die aan de titel voorafgaat naar het gemis. Het gemis van een vader? Van een moeder? Van moederliefde? (En doen we Nellie niet tekort door die vraag te stellen?) Van een plek om thuis te komen of om te blijven?

Op de voorkant staat bij de titel een jong gordeldier, gepantserd en kwetsbaar tegelijk. Dat zou zomaar Skip kunnen zijn. Zo'n beestje dat bestand lijkt tegen de buitenwereld, maar misschien toch nog een moeder nodig heeft.

Is Gebrek is een groot woord een goed boek? Eigenlijk is het een vraag die ik me helemaal niet gesteld heb tijdens het lezen. Waarom zouden we onszelf een oordeel aandoen? Wie een oordeel heeft, hoeft niet meer verder te kijken of verder te denken. Die kan het boek dichtdoen en misschien wil ik dat nog even niet.

Als ik de laatste bladzijde gelezen heb en Skip is alweer van mij weggevaren, wil ik nog af en toe aan haar denken en haar in gedachten zon wensen en warme wind door haar haar en een kompas dat het blijft doen, wel wetend dat niemand uiteindelijk weet of hij op koers ligt en wat zijn bestemming is. Is dat een gebrek? Och, gebrek is een groot woord.

maandag 9 april 2018

Zeven detectives / Miss Crumble


Je kunt een verhaal op allerlei manieren vertellen. In romans roepen woorden een wereld op en nemen je mee in een of meer verhaallijnen. Je kunt ook plaatjes na elkaar plaatsen, zodat er een tijdsverloop gesuggereerd wordt. Dan vertellen de afbeeldingen het verhaal en dat gebeurt in sommige strips. In bijvoorbeeld Iedereen op Claudia van Sam Peeters ontbreekt nagenoeg elke tekst.

In de meeste strips wordt het verhaal verteld door een combinatie van afbeeldingen en tekst. Bij de verstrippingen van literaire werken door Dick Matena (bijvoorbeeld Kort Amerikaans en Kees de jongen) worden de tekeningen toegevoegd aan de romantekst, die integraal wordt weergegeven. Dat getuigt van respect voor de oorspronkelijke tekst, maar het betekent ook dat in de afbeeldingen veel herhaald wordt wat de tekst al weergeeft.

In sommige strips wordt bewust gekozen voor veel tekst. Een beroemd voorbeeld hiervan is Watchmen waarin complete bladzijden proza zijn opgenomen. Maar soms heb je het idee dat het opnemen van veel tekst geen keuze is, maar onmacht. De scenarioschrijver heeft de tekst nodig om uit te leggen hoe het allemaal zit, omdat het hem niet lukt dat duidelijk te maken in het verhaal, in de loop van de gebeurtenissen. Die indruk heb ik bij twee albums van Herik Hanna.

Het eerste is Zeven detectives, met tekeningen van Eric Canete en het tweede is de spin-off, Miss Crumble met tekeningen van Sylvain Guinebaud. In beide albums deed Lou de inkleuring.

Over de formule waarop Zeven detectives is gebaseerd, schreef ik al bij een recensie van Zeven draken, dezelfde tekenaar, andere scenarist. In Zeven detectives moeten zeven speurneuzen een moordzaak ontraadselen. We blijken hier te maken te hebben met een seriemoordenaar, die iets heeft met het getal zeven en te vrezen valt dat er evenzovele slachtoffers zullen vallen.

Een ingewikkelde zaak met veel personages, dus dat vraagt wel enige inventiviteit van de scenarist. Hij begint het boek met een bladzijde in proza en in de loop van het boek zullen er meer van dit soort bladzijden volgen. De eerste regel is: 'Deze pagina's zijn niet bedoeld om gelezen te worden.' Daardoor heb je de lezer natuurlijk meteen te pakken: hij doet iets wat wellicht verboden is en hij voelt zich tegelijkertijd bevoorrecht boven anderen die deze bladzijden niet te lezen zullen krijgen.

De verteller blijkt kapitein MacGill, die de zeven detectives bij elkaar geroepen heeft. Hanna geeft ons goed de kans de zeven detectives te leren kennen, door ze elk paginagroot ten voeten uit te tekenen met daarbij behoorlijk wat tekst, waarna ze wel geïntroduceerd zijn. Het zijn zes mannen en een vrouw, Adelaïde Crumble, die dus ook nog een eigen album heeft. Daarin is ze al bejaard, wat ze in Zeven detectives duidelijk nog niet is. In een omgeving met mannen is zij de vrouw, die overigens prima haar boontjes weet te doppen.

Het verhaal zit goed in elkaar: alle slachtoffers hebben een naam die met een 'M' begint en alle namen bestaan uit zeven letters. Het zijn aanwijzingen voor het team, die het idee hebben dat ze steeds dichter bij een oplossing komen. Spanning genoeg en je leest het album vlot verder. Af en toe is er een bladzijde proza: de aantekeningen van MacGill. Daarin is uiteindelijk ook de oplossing te lezen, al zijn daar ook wel wat tekeningen aan toegevoegd.

In Miss Crumble is het verhaal iets eenvoudiger te vertellen, doordat we maar met een enkele detective te maken hebben. Maar het is ingewikkeld genoeg, doordat ook het verleden een belangrijke rol speelt. Miss Crumble is de scherpzinnige speurder die veel dingen reeds in de gaten heeft, maar uiteindelijk moet er toch uitgelegd worden hoe het allemaal zit. Daar heeft Hanna bladzijdenlang voor nodig.

Daarna is alles duidelijk, ook dat het verhaal ingenieus in elkaar gezet is, maar dat verhaal is dan ook als een ballon leeggelopen. Het lijkt me een teken van onmacht als alles uitgelegd moet worden, als alles wat intrigeert, verklaard moet worden en als de scenarist al het werk verzet en de lezer niets meer mag doen. Ik voel mij dan als lezer als een klein kind behandeld. Blijkbaar mag ik niet met vragen blijven zitten, mag ik geen eigen interpretaties hebben. De scenarist is een dominante vader die weet wat goed is voor zijn kinderen.

In beide albums irriteert het mij dat Hanna het niet voor elkaar krijgt gewoon een goed verhaal te vertellen, maar dat hij ellenlange monologen nodig heeft met uitleg. Bovendien neemt die uitleg de kracht weg uit het verhaal. Het enige wat ik overhoud, is de scenarist, die tussen mij en het verhaal in is gaan staan en steeds maar vraagt: 'Heb ik dat ingenieus in elkaar gezet of niet?' Dat wel, maar een verhaal een beetje elegant en met snelheid afronden is ook een kunst en die kunst verstaat Hanna overduidelijk niet.

Dat is jammer, want met de tekeningen van Canete en Guinebaud is niet zoveel mis en de eerste helft van de albums is ook wel in orde. Misschien heeft Hanna meer ruimte nodig. Of een minder gecompliceerd verhaal.

Uit: Zeven detectives

Uit: Miss Crumble

Titel: Zeven detectives
Scenario: Herik Hanna
Tekeningen: Eric Canete
Uitgeverij: Silvester,  's-Hertogenbosch 2018, 64 blz. 
hardcover €16,95 

Reeks: Detectives, deel 1: Miss Crumble
Scenario: Herik Hanna
Tekeningen: Sylvain Guinebaud
Uitgeverij: Silvester,  's-Hertogenbosch 2018, 64 blz. 
softcover €8,85, hardcover €16,95 

donderdag 5 april 2018

Oscar Timmers / J. Ritzerfeld (1931 - 2018) overleden


Pas tijdens de paasdagen las ik het in NRC Handelsblad: Oscar Timmers overleden. Een paar dagen had ik niet op Tzum gekeken en blijkbaar is er verder ook weinig ophef over geweest: ik was er in de verschillende andere media geen enkel bericht over tegengekomen.

Meteen zag ik het markante hoofd van Timmers voor me en ik herinnerde me de boeken die hij schreef onder het pseudoniem J. Ritzerfeld. Ik las De Poolse vlecht (1982). Het boek kocht ik bij ECI in de fraaie reeks Schrijvers van nu. Veel van de delen kocht ik standaard bij mijn kwartaalbestelling, maar als ik het goed heb, was deze roman me ook nog geadviseerd door Dirk Zwart.

De Poolse vlecht behelst drie met elkaar verweven verhalen, weet ik nog. Oorlog, veel oorlog. En een vrouw in elke verhaallijn. Minder dan het verhaal staat me bij dat ik genoot van de stijl: een stijl om langzaam te lezen en van te genieten.

Dat is me ook bijgebleven van de volgende boeken: Grensovergang Oestiloeg (1984), Italiaans concert (1985) en Zee van marmer (1986). De inhoud is intussen weggezakt, maar ik herinner me dat ik de boeken 'goed' vond. Ik heb nog een vijfde boek aangeschaft indertijd: Anima 'Je reinste film' (1974). Ik zie het blauwe omslag voor me, maar ik geloof niet dat ik het boek ook daadwerkelijk gelezen heb.

Naast de romans/novelles onder de naam J. Ritzerfeld, schreef Timmers ook boeken onder zijn eigen naam, al vanaf 1957: Landklimaat. Na 1971 gebruikte hij het pseudoniem Ritzerfeld, maar in 2000 kwam er weer een werk uit onder de naam Oscar Timmers: Dromen van stof. Verder heeft Timmers veel werk vertaald.

Ik wist dat Oscar Timmers redacteur was bij een uitgeverij, maar ik kende hem als schrijver; als Ritzerfeld dus en niet als Timmers. Ik heb het themanummer van Bzzlletin over hem in bezit gehad en wellicht zelfs gelezen. Ik zie de voorkant voor me, met daarop een grote foto van Ritzerfeld die met zijn rechterhand zijn linkerschouder vasthoudt.

In NRC las ik de necrologie van Ritzerfeld door Toef Jaeger en ik realiseerde me dat ik me al heel lang niet had afgevraagd of hij nog leefde. Eigenlijk was hij al weg uit mijn leven, net als zijn werk, dat nog wel in dozen op mijn zolder op te zoeken is, maar dat niet meer in mijn boekenkast staat.

Zo gaat dat dus, zelfs met een schrijver wiens werk ik ooit heb gewaardeerd. Even licht zijn naam op en dan verdwijnt hij weer. Hopelijk zijn er nog mensen die af en toe aan Ritzerfeld en zijn werk denken en die op zijn minst het voornemen hebben om het te gaan (her)lezen.

Ik zou nu kunnen schrijven dat ik toch eens wat van hem moet herlezen, maar ik weet hoe loos dit soort voornemens is: meestal komt er niets van terecht. Laat ik daarom nu maar even terugdenken aan Ritzerfeld, een zorgvuldig stilist, die enkele mooie boeken heeft geschreven. Dat is meer dan je van veel andere schrijvers kunt zeggen.