De lijst van al dan niet autobiografische boeken over een jeugd in een religieuze omgeving is heel lang. Soms is er van de geschiedenis van de jeugd een roman gemaakt, soms is het wat men tegenwoordig een 'memoir' noemt. Onderaan neem ik een lijst op met recensies die ik over dit soort boeken heb geschreven. Die lijst is zeker niet compleet.
Onlangs verscheen er weer zo'n boek: Lachen door een waas van tranen van Aaltje Hendriks. Aaltje groeide op in Veenendaal in een gezin dat ter kerke ging bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Die naam komt in het taalgebruik ook wel voor als afkorting: Ger. Gem in Ned. of GGiN. Het is een afscheiding van de Gereformeerde Gemeenten (Ger. Gem. of GG), ontstaan in 1953. Wie wil snappen wat de aanleiding was, moet zich verdiepen in de theologische scherpslijperij omtrent het 'algemeen, onvoorwaardelijk, welmenend aanbod van genade'.
Uitgetredenen en synodalen
De GGiN werden door de Ger. Gem. wel de uitgetredenen genoemd, zij noemden de Ger. Gem. de synodalen. Toen de GGiN vijfentwintig jaar bestonden, werd een boek uitgebracht met de titel Uit ons uitgegaan, verwijzend naar de Bijbeltekst:
Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. (1 Joh. 2:19)
Daarmee werd gesuggereerd dat niet de GGiN uit de GG gestapt waren, maar omgekeerd. Alle afscheiders zien zichzelf als de ware kerk. Toen een aantal gemeenten bij het ontstaan van de PKN (2004) stapte een stel gemeenten uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Ze noemden zich de Hersteld Hervormde Kerk.
Intussen is er weer toenadering tussen GG en GGiN en er is zelf een document van overeenstemming, maar dat stuit ook weer op weerstand. Het Reformatorisch Dagblad volgt de ontwikkelingen op de voet.
Maar hoe is het om op te groeien binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland? Dat zal per gezin anders zijn. Aaltje Hendriks geeft een beeld van hoe het bij haar ging.
De ondertitel van haar boek is:
Het verhaal van een gereformeerd meisje dat leerde dat leven een onmogelijke opgave is - en toch niet ophield het te proberen.
Het zou me niets verbazen als de uitgever de hand heeft gehad in deze tekst. Ik vermoed dat iemand uit de GGiN zich niet 'gereformeerd' zal noemen.
Doop
Lachen door een waas van tranen begint met een proloog: Aaltje wordt gedoopt.
'Aaltje Hendrika, ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest.' Het is begin 1983 als deze woorden uitgesproken worden door een in het zwart geklede man in een kerk vol van mensen met uitgestreken gezichten. Dit zou een plek moeten zijn van blijdschap en vertrouwen. Maar treurnis en verstikkend ongeloof voeren hier de boventoon, nemen hier de leiding. Er zal ironisch genoeg alles aan worden gedaan om de kloof tussen, Vader, Zoon en Geest en dit kind zo groot mogelijk te maken.
Aan de ene kant is dit een beschrijving van een doopdienst, aan de andere kant klinkt hier al duidelijk het kritische oordeel door van de volwassen Aaltje. Zo zal het in de rest van het boek ook gaan: soms is er de vrij neutrale beschrijving van wat er gebeurt en daarin vind ik Lachen door een waas van tranen het sterkst. Het oordeel (in deze passage bijvoorbeeld in het woord 'uitgestreken') hoeft meestal niet expliciet gemaakt te worden, denk ik, om de tekst goed zijn werk te laten doen.
Tegelijk klinkt door hoe Aaltje zou willen dat het was: er zou blijdschap en vertrouwen moeten zijn. Ook dat is een lijn in het boek. Niet het geloof staat de vertelster tegen, maar hoe het door het kerkgenootschap wordt geïnterpreteerd. Er is daar een sterke nadruk op zondebesef en op de bijna onmogelijkheid om zich te bekeren. Aaltje heeft wel een bekeerde moeder, die aangaat aan het Heilig Avondmaal, als een van de weinigen in de kerk.
Lijkenkijkerij
Kinderen moet al vroeg ingeprent worden dat het leven eindig is en dat iedereen moet sterven, waarna het oordeel volgt. In het hoofdstukje 'Lijkenkijkerij' wordt verteld hoe Aaltje als vierjarige meegaat met haar vader als die gaat condoleren. Ze is benieuwd hoe een overleden mens eruit zal zien, maar ze is wel wat teleurgesteld: 'Is dit nu alles? Het valt me tegen. Hier is niet zoveel aan. Maken papa en mama hier nou zo'n drukte om?'
Aaltje groeit op in een groot gezin, waarin de geur van het zware calvinisme altijd hangt. Als het gezin naar de kerk gaat, wordt er vooraf knielend gebeden: 'We verzamelen ons om de ronde salontafel. Tien paar gebogen knieën om de hier en daar kalende vloerbedekking.' Dat zie je voor je.
Je kleedt je sober en Aaltje mag van haar moeder geen sieraden dragen. 'Het sieraad van een vrouw is haar eenvoud.' Aaltje krijgt een ringetje van de tandartsassistente, maar als haar moeder het ziet, moet ze het inleveren. Ook dat is een sterke scène in het boek. Zonder dat het expliciet gemaakt wordt, wordt duidelijk dat moeder haar dochter misschien wel het ringetje had gegund, maar haar principes staan haar moederliefde in de weg.
Op bijna elk terrein speelt het geloof een rol. Als er in de winter ijs ligt, mag Aaltje niet schaatsen, want daarmee zou ze zichzelf moedwillig in gevaar brengen. Je kunt immers zomaar in een wak schaatsen. 'Nogal wiedes als je moedwillig van zwemles af gehouden wordt', denkt Aaltje. Je merkt hoe ze al kind al worstelt met sommige regels.
Regels internaliseren
Aan de ene kant heeft Aaltje kritiek of begrijpt ze sommige regels niet, maar aan de andere kant internaliseert ze die ook. Op een gegeven moment wil ze niet meer groter worden. Als je jarig bent, ben je weer een jaar dichter bij de dood.
Daarom kijken papa en mama natuurlijk zo ernstig als ze me feliciteren. Ze fluisteren me niet toe dat ze me lief vinden. Ze geven me een hand, geen knuffel. Het is alsof ze willen laten weten dat het in het leven niet om menselijke genegenheid gaat. Ik ben niet in de eerste plaats hun kind, maar een mensenkind dat bekeerd moet worden, een nieuw hart moet krijgen, gered moet worden. En dat staat zó op de voorgrond dat hun liefde geen naam mag hebben.
Moeder en vader slikken niet alles van de kerk voor zoete koek. Niet altijd is er een dominee en dan wordt er een preek gelezen. Maar moeder merkt dat de lezende ouderling de preek aanpast: 'Ze halen het hele aanbod van genade eruit.'
Als Aaltje kritische vragen stelt tijdens de catechisatie, geven haar ouders haar een compliment. Voor Aaltje is het een stap op de weg die ze wil gaan: weg van de zwaarte, de twijfel, het zondebesef, op zoek naar een liefdevolle God.
Vandaag heb ik dat opgehemelde ongeloof en de verdwaasde twijfel van de troon gestoten. Ik wil leven uit ongehoord geloof, opstandige hoop en eindeloze liefde. Daarom ben ik vastbesloten God te vinden, waar hij ook is.
Maar Aaltje beweegt zich wel verder weg van het gezin. Ze gaat werken, bij een werkgever uit eenzelfde bubbel, ze wordt verliefd op iemand buiten de GGiN en uiteindelijk durft ze de regels waarmee ze zich vereenzelvigd heeft los te laten. Zo is het een hele stap als ze voor het eerst naar de kapper gaat.
Dat ze haar eigen weg zoekt, stuit thuis op weerstand, maar Aaltje krabbelt niet terug. Of misschien is het meer gepast als ik zeg dat ze niet laat varen wat haar hand is begonnen, al wordt dat in de GGiN juist van God gezegd.
Lachen door een waas van tranen wordt vooral verteld in losse scènes, maar als je al die losse gebeurtenissen na elkaar leest, zie je wel de lijn. Remco Campert schreef al dat verzet begint met jezelf een vraag stellen en daarna die vraag aan een ander stellen. Aaltje ziet steeds meer dingen die ze niet kan rijmen met de Bijbel, ze kan steeds minder geloven dat het geloof zo bedoeld is als het wordt gepredikt in de kerk van haar ouders. Haar ouders hebben ook hun kritiek, maar hebben zich nog veel meer vereenzelvigd met de regels van de kerk en houden zich daar uiteindelijk aan vast.
Tragiek
Dat is ook de tragiek in het boek: Aaltje voelt de afstand tot de ouders die het toestaan dat de uitleg van de Bijbel of van het geloof tussen hen in komt. Die zo de zekerheid van de regels nodig hebben, dat ze zich eraan vastklampen. Doordat het een groot gezin is, voelt Aaltje zich toch al minder gezien.
Er zijn bij de ouders wel momenten van zelfinzicht. De vader accepteert het als zijn dochter hem erop wijst dat in de Bijbel staat dat de vaders de kinderen niet tot toorn mogen verwekken, maar in hoeverre voelt hij dat ook? Misschien beredeneert hij het alleen. Zo zegt hij ook dat hij zijn vrouw niet half genoeg gewaardeerd heeft, maar dat heeft geen gevolg voor hoe hij met de kinderen omgaat. Een dominee van vaders kerk zou waarschijnlijk zeggen dat het in het hoofd zit, maar niet in het hart en dat het dan een voet te hoog zit.
Aaltje Hendriks heeft niet een rancuneus boek geschreven, al laat ze duidelijk zien wat haar dwars heeft gezeten en waarmee ze het moeilijk heeft gehad. Maar ze laat ook de tragiek zien van mensen die zo vast zitten in een systeem dat het hun niet lukt om warmte te laten blijken aan hun meest nabije naasten. Daarin zit de mildheid, al gaat die ook samen met ongemak.
Ik ken geen andere boeken die geschreven zijn over een jeugd in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, waardoor die uithoek van de kerkelijke kaart voor veel mensen onbekend zal zijn. Die krijgen met Lachen door een waas van tranen een beeld van wat het hypercalvinisme kan doen met mensen in het algemeen en met dit gezin in het bijzonder.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten