Van muziek heb ik geen verstand. Ik luister er graag naar, maar dat is het dan. Ik ben een amateur, in de meest letterlijke betekenis van het woord. Vanochtend, net na het opstaan, meende ik iets opmerkelijks te horen, maar ik twijfel. Misschien is het niet zo bijzonder of misschien vergis ik me wel.
Van tijd tot tijd luister ik naar een gepodcaste uitzending van Smooth 70s waarin de Amerikaanse presentator (ik zal wel 'dj' moeten schrijven) Casey Casem te horen is in een uitzending van een top 40 uit de jaren zeventig. Daarin kwam een nummer voorbij dat ik niet kende: 'Shining star' van Earth, Wind & Fire. Dat is ook niet zo gek, want in Nederland heeft het weinig gedaan. Op 14 juni 1975 kwam het nummer de Top 40 in, kwam niet hoger dan plaats 23 en was er na vijf weken weer uit.
Maar het intro meende ik wel te herkennen, juist omdat ik dat altijd erg mooi heb gevonden: 'I wish', van Stevie Wonder, terug te vinden op de LP Songs in the key of life. Dat kwam pas drie jaar later in de hitlijsten: op 9 januari 1977 kwam het in de Top 40, bleef er negen weken en reikte tot plaats 4. Ik heb het idee dat de intro's erg op elkaar lijken, maar misschien hoor ik het verkeerd en komt het gewoon door de gitaren.
Maar misschien klopt het ook wel en wil ik domweg niet accepteren dat het intro van 'I wish' voor een deel een citaat is.
Twee keer in één week naar het toneel, wat een weelde! Dinsdag was het genieten bij Tsjechovs Oom Wanja, door Gerardjan Rijnders, gisteren ging ik met mijn twee jongste kinderen naar Qualitiy Time, geschreven door Joan Nederlof (die ook de moeder speelde) en gespeeld door Mug met de gouden tand.
In het stuk figureren twee ouders (Marcel Musters en Joan Nederlof) en twee kinderen (Lineke Rijxman en Dick van den Toorn). De ouders hebben het heel erg druk met hun carrière en hebben daardoor weinig oog voor elkaar en voor hun kinderen, die zich zorgen maken. Het zoontje is bang voor zwemles en het dochtertje is net naar de basisschool gegaan en vindt dat eng.
Vooral Lineke Rijxman valt op door haar knappe spel. De kinderen hebben geen gemakkelijke rol. Aan de ene kant moeten ze kinderen zijn, aan de andere kant hebben ze af en toe teksten die uit de volwassen wereld komen. Rijxman en van Van den Toorn weten dat dubbele heel goed vast te houden.
Het stuk werd in de pers wel 'een vlijmscherpe satire' genoemd, maar dat gaat me te ver. Daarvoor is het allemaal net iets te vet, te nadrukkelijk aangezet. Dat de emoties heel groot worden uitgespeeld is niet zo erg: dat komt het humoristische wel ten goede. Maar soms ook zijn er wendingen in die emoties die niet gefundeerd blijken, zoals de uitval van de vader die ineens jaloers lijkt op het zoontje.
Ook zijn er dingen die domweg niet kloppen. Het dochtertje vertelt eerst dat ze niet kan lezen, maar later blijkt ze wel te kunnen schrijven en aan het eind van het stuk kan ze wel een briefje lezen waarop staat dat ze niet zo dominant moet doen. Ook lijkt het of de auteur aan het eind van het stuk er niet helemaal uit kwam, waardoor er een wat bevreemdend slot ontstaan is.
Doordat het toneelstuk zo duidelijk op de lach speelt, vallen de ernstige momenten extra op. Die maken dan ook stuk voor stuk indruk.
Het is alweer bijna twee jaar geleden dat Mooi is dat! verscheen, een verstripping van meer dan vijftig literaire klassiekers. Elk werk kreeg één pagina strips. Opmerkelijk was dat er niet alleen complete werken waren verstript, maar ook klassieke gedichten, zoals ´Het lied der dwaze bijen´ van Nijhoff. Mooi is dat! is een prachtig boek, dat in kort bestek een literatuurgeschiedenis geeft, maar ook dat ook een staalkaart is van Nederlandse striptekenaars.
Nu is er iets soortgelijks voor de Nederlandse film: Filmfanfare. Veel klassiekers uit de Nederlandse film vind je hierin terug; van Fanfare tot Simon, van Flodder tot Dorp aan de rivier en van Spetters tot Antonia. Natuurlijk zijn er altijd films die iedereen kent en die je toch niet terugvindt in deze bloemlezing. Dat is de schuld van de striptekenaars. Er was een voorselectie gemaakt waaruit zij mochten kiezen en niet iedere film kon gekozen worden, want er waren meer films dan striptekenaars.
Welke films hebben wel in de voorselectie gezeten? Een van de volgende: Vroeger is dood, Schatjes, Gebroken spiegels, Ober,De Tweeling, Oorlogswinter? We weten het niet en dat geeft niet. Een boek als dit nodigt altijd uit tot discussie.
Het is altijd lastig waar je een grens moet trekken. Kinderfilms? Het zakmes en Minoes staan er in, maar niet Leve de koningin! of Krassen in het tafelblad. Wel veel documentaires trouwens. Een greep: Het is een schone dag geweest, 4 elements, Stand van de maan, Zij gelooft in mij, O amor natural. En weer niet Foute vrienden of Beperkt houdbaar.
Van sommige films verwacht je wel dat ze erin staan (bijvoorbeeld Turks fruit, Karakter, Zusje), van andere had ik het gehoopt en ik was blij dat ik ze terugvond (De Poolse bruid, Wilde mossels). Dat Zwartboek er niet in zou staan en New Kids Turbo wel verbaasde me weer. Maar goed.
Filmfanfare is een heerlijk boek. Veel goede verstrippingen, mooie inleidingen bij de films van Dana Linssenen informatieve biografietjes van de tekenaars.
Hieronder een paar voorbeelden. Vanwege het formaat van het boek, moest ik een bladzijde in twee stukken scannen. Sommige tekenaars (die een fraaie compositie van de bladzijde gemaakt hadden) vielen daardoor automatisch buiten de boot.
Jolein Kirpestein verstripte Spoorloos
(een verfilming van Het gouden ei)
Gisteren zag ik, samen met mijn lief, in Wageningen het toneelstuk Oom Wanja. Het is geregisseerd door Gerardjan Rijnders, die vorig jaar al De meeuw op de planken en volgend jaar is het de beurt aan De kersentuin. De visie die Rijnders heeft op de drie toneelstukken komt mooi tot uitdrukking in de drie affiches die hij voor de voorstellingen heeft laten maken.
De Meeuw, foto Erwin Olaf
Oom Wanja, foto Erwin Olaf
De Kersentuin, foto Erwin Olaf
Hij liet Erwin Olaf drie foto's maken. Op de foto's zie je iemand vooruitkijken, iemand in zichzelf kijken en iemand terugkijken. Volgens Rijnders draait het in De Meeuw om de jonge mensen die hun leven nog voor zich hebben, in Oom Wanja om veertigers die vastgelopen zijn in hun leven en in De kersentuin om oude mensen die alleen nog om kunnen kijken.
Vorig jaar zagen we De Meeuw, dit jaar dus Oom Wanja. De veertigers in dit stuk zijn Oom Wanja (Pierre Bokma) en dokter Astrov (Hein van der Heijden). De karakters worden overigens prachtig gespeeld door de auteurs. Eerder dit seizoen schitterde Hein van der Heijden ook al in het stuk Vincent en Theo.
Oom Wanja en dokter Astrov hebben het idee dat hun leven mislukt is en dat daar ook niets meer aan te doen. De jongere generatie is overigens net zo min hoopvol gestemd. Jelena (Eline ten Camp) en Sonja (Randy Fokke) leiden ook een ellendig leven. In haar slotclaus betoogt Sonja dat uiteindelijk alles, alles, goedkomt, maar je hebt het idee dat ze dat vooral zegt om zichzelf te overtuigen en dat ze daarbij steeds harder moet roepen, omdat het stemmetje van twijfel in haar hoofd haar anders overstemt.
Oom Wanja is een toneelstuk met een sombere ondertoon, maar dat wil niet zeggen dat het een sombere voorstelling is. Er valt veel te lachen en dat is wellicht ook wel nodig om de zwaarte van de thematiek draaglijk te houden.
Het lijkt me dat deze voorstelling volle zalen verdient. Wie meteen wil gaan kijken: deze week is het stuk nog te zien in Spijkenisse, Helmond en Waalwijk en volgende week in Den Haag, Deventer, Heerlen, Veghel en Arnhem. De tournee eindigt begin juni met dertien voorstellingen in het De La Mar in Amsterdam.
In de onderste trailer zegt Saskia Temmink dat ze Jelena speelt, maar dat klopt niet. Die rol wordt door Eline ten Camp gespeeld.
De bijlage Lux van NRC Handelsblad blader ik altijd wel door, maar eigenlijk lees ik er nooit wat in. Nou ja, soms waag ik me aan het cryptogram.
Afgelopen weekend viel mijn blik op de kop 'Copy Kates', boven een artikel over de kleding van Kate Middleton. De kleren die zij draagt, wil iedereen dragen. Zo gauw ze ergens in een bepaald kledingstuk gezien is, stijgt de verkoop ervan explosief.
Titia Ketelaar zette daarom 'Copy Kates' boven het artikel, waarmee ze duidelijk knipoogde naar Copycat een film van Jon Amiel, over een seriemoordenaar die andere seriemoordenaars kopieert. Een aardige film, herinner ik me. En blijkbaar intussen zo bekend dat je er in een kop naar kunt verwijzen.
Misschien dat Jon Alien teruggreep op het stripfiguurtje Copycat uit de stal van Marvel. Later zouden the Cranberries nog een nummer opnemen met dezelfde titel. Toen was een copycat al iemand die niet origineel is en andere nadoet: 'Everybody wears the same clothes now / and everybody plays the game [...] Copy, copy, copy everyone else.
Hieronder de trailer van de film. Je hebt hem vast gezien:
Van Ezels, de
nieuwe verhalenbundel van Sanneke van
Hassel, had ik veel verwacht. Zo´n zin bereidt al voor op een
teleurstelling. Dat was het boek niet, maar wel was ik minder onder de indruk
dan van eerdere bundels IJsregen en Witte Veder en de roman Nest. Dat laatste boek werd overigens
ook meteen door mijn leerlingen omarmd, waarschijnlijk ook vanwege de
thematiek. Het laatste exemplaar is intussen uit de klassenbibliotheek gejat.
Bij de verhalen van Van Hassel hoef je geen vette plot te
verwachten. Vaker zijn er subtiele verschuivingen. In het titelverhaal ben je
in het begin al alert. Een man en een vrouw parkeren hun auto bij een
boerderij. De vrouw kan de auto niet uit, want de man heeft de dag ervoor zijn
dochtertje vervoerd en het portier zit nog op het kinderslot.
De omgeving is deprimerend: modder, smeltend ijs en de
ezels zien er ook niet al te florissant uit: ‘Al met al was het een armetierig,
onappetijtelijk tafereel. Maar zij maakte zulke enthousiaste geluiden dat het
hem beter leek te zwijgen.’ Aan het eind van het verhaal opent de man het perspectief:
‘Meisje, je bent bijna veertig,’zei hij. ‘We kunnen alle kanten op, weekendjes
weg, zeilen.’ Hij pakte zijn telefoon uit zijn zak. ‘Als je wilt, boek ik nu
een weekend Rome.’
Zij blijkt vooral het begin van wat hij zei gehoord te
hebben: ‘Ze keek hem aan. ‘Ik weet dat ik bijna veertig ben,’zei ze zacht. Toen
draaide ze zich om en liep weg, in de richting van de parkeerplaats.’ Je ziet
haar houding voor zich. Erg kwiek zal ze niet gelopen hebben, haar kin zal niet
omhoog gewezen hebben. Hij kan nog zachtjes fluiten ‘These are the days of
miracle and wonder’ maar eigenlijk zijn de kansen al verkeken: ‘Toen hij bij de
parkeerplaats kwam, was de zon weg.’
Over wat er precies tussen die twee aan de hand is, wordt
weinig uitgelegd en dat hoeft ook niet: de lezer ontkomt niet aan de
treurigheid die er in het verhaal hangt. Dat kan Sanneke van Hassel als geen
ander: een wereld oproepen in enkele zinnetjes. De verlangens, de onvrede, het
verdriet – je voelt het, ook als het niet expliciet wordt gemaakt.
Altijd formuleert Van Hassel zorgvuldig, waardoor het
lezen van haar verhalen altijd prettig is. Maar niet altijd werken haar
verhalen. Je leest de kleine gebeurtenisjes en soms blijft het daarbij.
Misschien ligt dat wel aan mij. Misschien heb ik sommige verhalen met te weinig
aandacht gelezen. Misschien ook zijn de verschuivingen te miniem, heeft Van
Hassel er te veel op vertrouwd dat de bovenwereld van het verhaal vanzelf wel
een onderwereld oproept. Dat er wel van alles gaat woelen onder het
verhaaloppervlak. Bij mij gebeurde dat niet altijd.
Thematisch zijn de verhalen verwant. In veel verhalen is
er een verlangen waaraan de personages al dan niet toegeven. Sukkel je door in
je bestaan of stel je een daad? En maak dat dan iets uit? De moeder die met
haar kind naar het Como-meer gaat zegt tegen zichzelf: ‘Veel rustiger, ik voel
me al veel rustiger.’ Geen lezer die het gelooft en zijzelf wil het graag
geloven, maar het is de vraag of ze het zichzelf wijs kan maken.