dinsdag 29 april 2014

De gierenclub


De tijd dat je in stripvorm alleen maar aardige verhaaltjes kon vertellen, is al lang voorbij. Er zijn reeksen getekende biografieën en autobiografische boeken, documentaires in stripvorm en combinaties van strip en journalistiek. Aan het begin van dit jaar richtte Joos Pollmann de site stripjournalistiek.nl op, waarop over dat laatste genre meer te lezen is. Onder aan deze bijdrage zal ik nog wat linkjes aanleggen naar strips in het non-fictiegebied.

In dat gebied past ook De gierenclub van Rudi Vranckx en Caryl Strzelecki. Het boek kwam vorig jaar al uit en het lag bij mij al een tijdje op de stapel met boeken die ik in ieder geval wilde lezen, maar het kwam er maar steeds niet van. Nu dus wel. En gelukkig maar, want De Gierenclub is een goed boek.

De gieren uit de titel zijn de journalisten, die elkaar ontmoeten op plekken waar de wereld brandt, waar doden vallen. Het is een wat ironische benaming. Het is niet de bedoeling van de makers van het boek om afstand te nemen van de lijkenpikkers en die benaming is dan ook niet terecht. Bij een lijkenpikker denk ik aan iemand die uit is op eigen voordeel en dat is hier niet het geval.

Rudi Vranckx rekent zichzelf tot de gierenclub. Hij is oorlogsverslaggever en ik heb begrepen dat televisiekijkers hem kennen. In dit boek wordt niet alleen verteld wat hij meegemaakt heeft in de verschillende brandhaarden, maar er worden ook gesprekken weergegeven tussen hem en de tekenaar, Carl Strzelecki. Aan hem moet Vranckx natuurlijk eerst het verhaal vertellen.

In het gesprek stelt Strzelecki vragen die wij als lezers ook hebben: Wat doet dat een mens? Begreep je wat er gebeurde? Went het niet, al die gruwel? Vranckx vertelt. En dan worden we ineens naar de plaats van handeling geplaatst, door de strip. We zijn erbij en maken de gruwel mee.

Directer dan de krantenberichten brengt de stripreportage de beklemming over, de angst, de ellende, het hopeloze. Daarnaast geeft De gierenclub het overzicht. We reizen langs de fronten: Tunesië, Egypte, Libië, Syrië. Elke situatie is anders, elke situatie is hetzelfde. 'Het stopt nooit', heet het laatste hoofdstuk, een waarheid waarmee we het zullen moeten doen, maar waarmee niet te leven valt.

De journalisten in de oorlogsgebieden lopen natuurlijk gevaar en er vallen ook doden. In De gierenclub worden sommige van die journalisten herdacht. Aan het eind van het boek is een lijst opgenomen van collega's van Vranckx die vermoord zijn. De lijst vult een hele pagina.

Strzelecki heeft een bijna ouderwetse manier van tekenen met veel arcerinkjes. De pentekeningen kleurt hij in met waterverf, zodat de kleuren zich niet opdringen. In alles zijn de tekeningen dienstbaar aan het verhaal.

Opvallend zijn de bladzijden waarop Strzelecki het YouTubefilmpje uitgetekend heeft waarop te zien is hoe Khaddafi gevangengenomen en gedood wordt. Het zijn gruwelijke beelden. De plaatjes zijn dan ook geplaatst op zwarte bladzijden. De tekenaar gebruikte alleen rood als steunkleur, waardoor goed te zien is hoe bloederig het eraantoe ging.

De gierenclub is een goed boek. Het geeft persoonlijk verslag van de oorlogen die er de laatste jaren gewoed hebben of nog woeden. Het is zowel informatief als betrokken, zowel zakelijk als subjectief. De kinderen van Joe Sacco worden groot.



Eerder schreef ik over Joe Sacco:
Reportages
Onder Palestijnen
Moslimenclave Gorazde
Gaza 1956

Een keuze uit andere non-fictiestrips
Margreet de Heer, Strips! 200 jaar Nederlands beeldverhaal
Lars Fiske, Herr Merz
Mauri Kunnas, The Beatles. De begindagen.
Margreet de Heer, Fijne vrienden

zondag 27 april 2014

Chrétien Breukers en de paus


In Een zoon van Limburg wijdt Chrétien Breukers een kort hoofdstuk ('Rooms', blz. 55-57) aan wat hij gelezen heeft in de Katholieke Encyclopedie. Ik heb er wat 'hm's' bij in de kantlijn geschreven. Laten we even naar dat hoofdstuk bladeren.

Breukers begint met dit citaat:
Alleen het geloof vormt de weg waarop de mens te weten komt hoe hij verlost kan worden uit zonde en dood. De rede staat machteloos als ze geconfronteerd wordt met de diepste vragen en verlangens van de mens. Daarvoor is de goddelijke openbaring vereist.
Dat betekent dat Breukers aan het lezen was op de encyclopediepagina over Geloof en rede. Op het citaat lijkt me nogal wat af te dingen. Bij elk van de drie zinnen zou je 'Hoezo?' kunnen vragen. Breukers gaat alleen in op het woord 'diepste': volgens hem zijn er wel vragen en verlangens, maar is er geen diepte: 'Er is alleen maar oppervlakte, en dat is al meer dan genoeg.'

Daarover verschil ik met hem van mening. Ik denk dat er verschil is tussen 'ik zou nu wel een neut lusten' en het verlangen naar bevrijding door iemand die zucht onder terreur. Het een is een verlangen naar wat ik maar iets kleins noem, het ander naar iets groots. Als die neut nog even niet beschikbaar is, is dat minder erg dan dat de onderdrukking nog lang duurt.

Er zijn verlangens die op hun fiets voorbijkomen en die je zo vergeten bent als je even afgeleid wordt en er zijn verlangens die een leven kunnen beheersen. Dan leg ik 'diepste verlangens' uit als 'wezenlijkste verlangens'.

Er is ook een andere uitleg mogelijk. Er zijn verlangens aan de oppervlakte, in die zin dat ze voor iedereen zichtbaar zijn. Er zijn ook verlangens die iemand diep in zich verborgen houdt. Dat zal de Encyclopedie niet bedoelen. Ik noem het alleen maar omdat ik het nog niet zo gek vind dat er gesproken wordt over 'de diepste vragen en verlangens'.

Maar eigenlijk wilde ik het over iets anders hebben. Ik citeer Breukers die de Encyclopedie citeert:
Op dezelfde encyclopediepagina lees ik: 'Johannes Paulus II doceert in zijn encycliek [Fides et ratio, 1998] dat filosofie noodzakelijk blijft in het oprecht zoeken naar zin. Met spijt stelt hij vast dat sommige wijsgerige stromingen de mens op een dwaalspoor brengen: "Sommige filosofen hebben de zoektocht naar waarheid opgegeven. Het enige doel van hun wijsgerige activiteit is een subjectieve zekerheid of een bepaalde zin die in pragmatisch opzicht nuttig blijkt te zijn. Dat soort denken verduistert de ware waardigheid van de rede. Want die is dan niet meer toegerust om kennis te verwerven van de waarheid en het absolute te zoeken"'.
Meteen na dit citaat reageert Breukers met: 'Wat deze paus deed, is geformuleerd in een mooie katholiek lus, niet minder dan schokkend.' Breukers zegt niet voor wie dit schokkend is. Voor de gemiddelde katholiek? Ik denk dat hij bedoelt: voor hemzelf. Dan is wat in de rest van de alinea volgt de uitleg waarom hij het schokkend vindt wat de paus beweert.
Ik kan dan weliswaar niet geloven, maar ik vertrouw soms wel op de wetenschap, op de 'subjectieve zekerheid' die kan worden gecontroleerd en desnoods verworpen. De paus gebruikt 'filosofie' als vlag op zijn modderschuit, het is zonde dat ik het zeg, en hij eist ook nog eens dat die filosofie in dienst staat van het geloof, van God.'
 Dat vind ík nou weer schokkend. Niet het feit dat Breukers het opneemt voor de wetenschap, maar wel het feit dat hij zo slecht leest. Dat ben ik niet van hem gewend. In bijvoorbeeld Het eerste gedicht staan mooie voorbeelden van hoe nauwkeurig Breukers kan lezen. Een enkele keer heb ik ook bij dat boek de indruk dat Breukers een voor de hand liggende interpretatie mist. Bijvoorbeeld waar hij een God in een gedicht van Geert van Istendael leest, terwijl het logischer zou zijn om de 'hij' te zien als een ladder. Het betreffende gedicht heette niet voor niets 'Ladder'.

In zijn reactie op de uitlating van Paus JPII verbindt Breukers 'subjectieve zekerheid' met 'wetenschap'. Waar haalt hij dat vandaan? Op de pagina over 'Geloof en rede' neemt de paus het juist op voor de wetenschap. Van hem wordt bijvoorbeeld geciteerd: 'Nieuwe kennis brengt ons tot de erkenning dat de evolutietheorie meer is dan een hypothese.'

De paus verzet zich (althans in dit citaat) niet tegen de wetenschap, maar tegen de postmoderne opvatting dat er geen objectieve waarheid is. Ik citeer nog maar een keer:
Sommige filosofen hebben de zoektocht naar waarheid opgegeven. Het enige doel van hun wijsgerige activiteit is een subjectieve zekerheid of een bepaalde zin die in pragmatisch opzicht nuttig blijkt te zijn.
Volgens hen is er geen absolute waarheid; iedereen heeft zijn persoonlijke waarheid. Het heeft dus geen zin om te kijken wat nu 'echt' waar is, maar we moeten ons richten op hoe we om kunnen gaan met wat wij als waarheid ervaren, wat 'in pragmatisch opzicht nuttig blijkt te zijn'.

Ook de wetenschap kampt met het probleem dat het lastig is om absolute uitspraken te doen. We kunnen de werkelijkheid observeren, maar beïnvloeden die al doordat we ze observeren. Dat gezegd hebbende, kan ik ik toch niet anders zien dat dat juist de wetenschap nogal ver verwijderd is van een subjectieve zekerheid. Wetenschap probeert juist tot 'harde' resultaten te komen.

Het lijkt me dat de paus zich daar positief over uitlaat. Blijkens het citaat dat Breukers geeft, wil de paus dat kennis van de waarheid verworven wordt en dat het absolute gezocht wordt.

Die filosofie waarover de paus het heeft, wordt hier volgens mij juist als tegenhanger van het geloof geposteerd. In Fides et ratio neemt de paus zowel stelling tegen het rationalisme als tegen het fideïsme. Kortweg zegt de paus: niet alleen het geloof, niet alleen de rede.

Ik lees het citaat dan ook als volgt: Naast geloof blijft filosofie noodzakelijk in het oprecht zoeken naar zin. Dat zou schokkend kunnen zijn voor de katholiek die altijd het Sola fide heeft aangehangen, maar ik kan mij niet voorstellen dat Breukers dat het schokkende vindt.

Intussen bevind ik mij in een lastige positie. Ik geef hier weer wat een paus volgens mij bedoelt, terwijl ik de paus helemaal niet wil verdedigen. De hoezo's die ik hierboven noemde, kan de paus niet wegnemen; hij heeft ze juist opgeroepen. Ik wil nog wel erkennen dat er meer is dan alleen de rede, maar dat er goddelijke openbaring nodig is wanneer we worden geconfronteerd met de diepste vragen en verlangens, ontken ik. Dat is mijn 'subjectieve zekerheid'.

Aan de andere kant zit ik ook helemaal niet te springen om Breukers aan te vallen, die met een zoon van Limburg een mooi boek geschreven heeft. Maar het hoofdstukje 'Rooms' acht ik dubieus.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over de 'hm' die ik noteerde bij deze observatie van Breukers:
Daarnaast wil de mens boeten, almaar boeten. Ook als er geen sprake is van schuld, en er is nooit sprake van schuld.
 Van zichzelf zegt Breukers dat hij geen aanleg heeft voor schuldgevoel. Hoe komt hij dan op het idee dat 'de mens' altijd wil boeten? Ik vraag mij af of de mens wel zo boetvaardig is. En is er nooit sprake van schuld? Misschien moet ik, in navolging van Breukers zo'n uitspraak 'schokkend' noemen. Wat moeten we met ons rechtssysteem als schuld niet bestaat?

Goed, dat laat ik nu verder maar zitten. We hoeven niet roomser te zijn dan de paus.


Meer over Breukers:
Over Een zoon van Limburg.
Over Naar een einde waar niemand ons bijstaat
Over Het eerste gedicht

vrijdag 25 april 2014

De scharensliep (Aan de deur 9)

Scharensliep, ongemotoriseerd, 1974
Bijna nooit meer hoor ik het woord 'scharensliep', maar eind februari van dit jaar was er ineens een scharensliep in het nieuws: kijk hier maar eens. Het is een bericht over iemand die aan een boer aanbood om diens freesmessen en boorkoppen te slijpen. Nadat de boer het afgesproken bedrag overgemaakt had, eiste de slijper duizend euro meer. Omdat de boer niet toegaf, kreeg hij een serie bedreigende telefoontjes: brand en de dood zouden hem te wachten staan.

Zo gaat dat tegenwoordig dus. Ik herinner me de scharensliep als iemand die aanbelde om te vragen of de vrouw des huizes messen of scharen te slijpen had. Je had goede scharenslijpers en klungels, die je messen of scharen zo konden slijpen dat ze nooit meer te gebruiken waren.

Op één scharenslijper kon je blind vertrouwen. Ik weet niet of ik zijn naam goed spel, maar mijn moeder sprak die uit als Valiezen. Valiezen leverde altijd goed werk. Ik herinner me ook wel slijpers waarover mijn moeder niet tevreden was.
Het vrije volk, 2 december 1968

Een van die slijpers nam een groot mes van mijn moeder aan om dat te slijpen. Ze vroeg vooraf hoeveel het was. Hij noemde de prijs. 'Een knaak of zo',  vertelde mijn moeder die zich het exacte bedrag niet meer kon herinneren. Een jonge vrouw (zijn dochter?) bracht het mes terug en zei dat het vijf gulden was, wat mijn moeder natuurlijk niet wilde betalen. Het was erg veel werk geweest, vertelde de vrouw, maar daarmee vermurwde ze mijn moeder niet. De vrouw dreigde het mes te houden, waarop mijn moeder zei dat dat goed was, maar dat ze dan wel de politie ging bellen. Ze kreeg het mes terug en betaalde de vooraf afgesproken prijs.

Het verhaal is te vergelijken met dat van de scharensliep met wie ik opende: een bedrag afspreken en dan achteraf zeggen dat het duurder was. Indertijd was het zeker niet de gebruikelijke gang van zaken; anders had mijn moeder het verhaal over deze ene keer niet op die manier verteld. Uniek was het ook niet: In Het vrije volk van 2 december 1968 wordt er gewaarschuwd tegen dergelijke slijperspraktijken.

Scharenslijpers had je volgens mij alleen maar langs de weg. Nergens bij ons in de omtrek was een slijperij waar je met je botte messen naar toe kon. Ik vroeg mij af of het woord 'straatslijper' daarmee te maken had. De etymologiebank leert mij dat een straatslijper hetzelfde is als een baliekluiver, een kaailoper of een lanterfanter. Iemand die de straat 'slijpt', dus glad maakt, doordat hij altijd buiten rondloopt.

Al in de jaren zestig (als ik het mij tenminste goed herinner) waren de scharenslijpers gemotoriseerd: ze zetten een motortje aan dat de slijpsteen rond liet draaien. Nog langer geleden moest de slijper zelf de steen in beweging brengen: er hing een boom onder de slijpwagen waarop de scharensliep trapte. Het aandrijfsysteem zal wel ongeveer hetzelfde gewerkt hebben als bij de trapnaaimachine van mijn moeder.

Dat gegeven was in mijn jeugd nog wel bekend. Ik heb 'op bruiloften en partijen' nog wel opgetreden als scharensliep, samen met iemand anders. De eerste keer was dat mijn kamergenoot op het internaat, later vervulden neven de rol van slijperskar. We kwamen binnen, al kruiwagen rijdend: ik had mijn hulp bij de enkels vast en hij liep op zijn handen vooruit. Met enige fantasie zag het eruit als een kruiwagen.Daarbij zong ik een eenvoudig lied, dat slechts bestond uit twee regels die steeds herhaald werden:
Scharensliep! Scharensliep!
Alles wat de man verdient, verzuupt het wief.
1977
1982
Mijn hulp was gekleed in een overall en had een zakdoek voor zijn gezicht. Ik zette hem op een stoel en sloeg zijn ene been over het andere. Ik liet hem zijn handen ophouden en schoof daar twee pannendeksels aan. Dan haalde ik een panty uit mijn zak. Ik trok die onder de voet door van het been dat niet op de grond stond en bond de voeten van de panty aan elkaar, over de pols van een van de handen. Als ik dan op de voet trapte, bewoog mijn hulp de pannendeksels langs elkaar, zo de suggestie wekkend dat er een slijpsteen draaide. Intussen had ik de botte messen opgehaald, die van tevoren in de zaal waren uitgedeeld.

Onder het slijpen vertelde ik over mijn leven als scharensliep. Eigenlijk kwam het verhaal neer op een stel moppen die ik verzameld had. Tussendoor nam ik slokken water uit een jeneverfles. Omdat de steen nogal droog was, spuugde ik er geregeld water over en aan het eind gooide ik mijn hulp helemaal nat. Men vond dat leuk.

Of scharenslijpers een reputatie als dronkelap hadden, weet ik niet. Ik weet ook niet of ze sowieso een slechte reputatie hadden. In Neerlands volksleven van D.J. van de Ven uit 1920 las ik:
De scharesliep was in den Gelderschen en Overijselschen Achterhoek lang niet de maatschappelijke paria, zooals sentimenteele zedeprekes wel eens hebben trachten aan te toonen. Lustige, vroolijke kwanten waren het.
Verderop wordt het nog gesproken over ‘de bandelooze vrijheid, welke het scharenslijpersvolkje altijd als eerste en voornaamste recht heeft beschouwd in zijn tekkend bestaan.’ Het lijkt me dat Van der Ven niet vies is van generaliseren. Ik kan me niet voorstellen dat scharenslijpers alleen maar 'vroolijke kwanten' waren.

Van de Ven citeert een slijperslied:
Toen ik jong was van jaren
Liep ik met mijn slijpersteen
In mijn vak zeer goed ervaren
Liep ik naar alle oorden heen
‘k Liep overal in ’t rond
Of ik iets te slijpen vond
Al van den vroegen morgen
Tot aan den avondstond.
In de Indische Courant van 15 januari 1942 staat een berichtje over een 'scharensliep-fonds'. Ik kan niet achterhalen wat de context is. Ging het de scharenslijpers slecht en moest er voor hen een fonds opgericht worden?

De scharensliep is er in ieder geval al heel lang. Al in de zeventiende eeuw komen er afbeeldingen voor van de scharensliep.

Adriaan van Ostade, ca. 1671
Het bekende volksliedje over de scharensliep (Komt vrienden in het ronde) stamt zelfs al uit de zestiende eeuw, volgens Erfgoedbank Meentjesland. In het lied wordt het beroep van scharenslijper vergeleken met andere beroepen. De laatste strofe luidt:
Sa vrienden voor het leste:
Al' ambachten zijn goed,
Maar 't mijn is toch het beste,
Schoon ik soms slapen moet
Op hooi of stro of in enen stal,
Daar heb ik kost voor niemendal.
Ik vond nog een andere, langere versie, maar ik weet niet hoe betrouwbaar die is. De strekking is dezelfde. 

Er is tegenwoordig niemand meer die zijn keukenmessen of zijn scharen laat slijpen. Wat niet goed meer functioneert, wordt vervangen. Vroeger werd het slijpen trouwens niet altijd aan professionals overgelaten. Mijn opa had bij het kippenhok een slijpsteen staan, met een waterbak eronder. Als je die vulde, draaide de steen door het water, zodat hij nat bleef. Mijn moeder haalde wel eens buiten een mes over de stenen bij een hoek van het huis. Ik ken ook nog verhalen over aanzetriemen waarlangs scheermessen gehaald werden. Dat heb ik niet meer meegemaakt. 

Strekel, haarhamer, haarspit
Mijn vader scherpte zijn zeis met een strekel als hij een stuk gemaaid had. Een strekel was een lat waarop een cementkleurig goedje vastgeplakt was. Mijn vader droeg de lat in het de langwerpige broekzak aan de buitenkant van zijn dij. Daar waar anders de duimstok zat.

Eens in de zoveel tijd werd de zeis 'gehaard'. Daartoe werd er een metalen aambeeldje (haarspit) met een pin in de grond geslagen. Mijn vader ging er plat op zijn billen bij zitten, benen om het aambeeldje heen. Met zogeheten haarhamer klopte hij dan het snijvlak van de zeis weer scherp. Volgens mij gebeurde het maar een paar keer per jaar. Er zullen nog wel folkloristische groepen zijn die dat in ere houden, maar het is nu een curiositeit geworden; vroeger zag je het geregeld. 


Voor de scharensliep is er intussen geen werk meer, net zoals voor de olieboerkolenboer of de koeienschetser

maandag 21 april 2014

Kop en staart (Catherine Lewis)



Als je een verhaal vertelt, moet er wel een kop en een staart aan zitten. Catherine Lewis noemde haar boek dat de verhaaltheorie behandelt dan ook Kop en staart. Ze neemt daarbij een heel kort gedichtje als uitgangspunt:
Drie blinde muizen renden de boerin achterna.
Ze hakte hun de staart af met een vleesmes uit de la.
Je zou kunnen zeggen dat dat nu juist een verhaal zonder staart is, maar de mededeling is duidelijk. Dit gedichtje staat op de bladzijde 'Verhaal'. In de rest van het boek komt dit gegeven steeds terug. Bij elk onderwerp dat Lewis behandelt, illustreert ze het aan de hand van de muizengeschiedenis.

'Stijl' legt ze bijvoorbeeld uit door het verhaal te vertellen in verschillende stijlen. In de stijl van Dickens wordt het:
Het waren de besten der muizen, het waren de slechtsten der muizen, ze leefden in een kooi van wanhoop, ze leefden in een eeuw van wijsheid, ze hadden alles voor zich in het lab, ze hadden niets voor zich in het wild, ze zouden het allemaal overleven, ze zouden dat allemaal niet doen - kortom, hun leven was tot dusver precies als het onze...
Homerus zou het anders doen:
Muze, verhaal van de muizen van velerlei wegen, die jarenlang rondzwierven na heel het lab in vlammen te hebben doen opgaan. 
Fraai is de Hemingwaynabootsing:
Drie muizen. Vrouw met mes. Geen staarten. 
 Intussen krijgen we ook het een en ander van de voorgeschiedenis mee: de muizen zaten in een lab, waar er proeven met hen werden gedaan. Daardoor zijn ze blind. Ze zijn ontsnapt uit het lab, waarbij het hele gebouw in de hens is gegaan.

De behandeling van de verschillende aspecten van een verhaal doet Lewis nauwkeurig, maar dat doen meer studieboeken. Lewis blijft er ook nog lichtvoetig en onderhoudend bij, waardoor Kop en staart ook nog eens leuk is om te lezen.

Achter in het boek staan alle aspecten keurig op een rijtje, nog wat verder uitgewerkt, los van het muizenverhaal. Dat gedeelte kan als naslagwerk dienen. Wie wil weten wat een allegorie, een archetype, een leidmotief of een onbetrouwbare verteller is, kan dat snel opzoeken.

De aantrekkelijkheid van het boek van Lewis wordt nog eens verhoogd door de schitterende tekeningen van Joost Swarte. Het is hem gelukt om bij elk onderdeeltje een mooie, strakke muizentekening te maken. Dat was niet altijd gemakkelijk: hoe teken je 'Personage' of 'Bildungsroman' of 'Vertaling'? Swarte kan het.

Ten slotte is Kop en staart ook nog als boek mooi: harde kaft, gebonden, het goede papier. Als ik het niet al had, ging ik het kopen.

Illustratie bij 'Vertaling'

Illustratie bij 'Proloog'


Catherine Lewis, Kop en staart. Literaire encyclopedie met muizen. Vertaling Krijn Peter Hesselink.Illustraties Joost Swarte. Oog&Blik/De Bezige Bi, Amsterdam 2014. Gebonden, hardcover. 144 blz. € 22,50

zondag 20 april 2014

Beproevingen (Jan-Willem Anker)


Tja, wat heeft Jan-Willem Anker eigenlijk geschreven in het boekje Beproevingen? Achterin schrijft hij 'teksten' en dat is waar. Ze zien er niet uit als gedichten, al heeft het boekje toch iets dichtbundelachtigs. Maar verhaaltjes zijn het eigenlijk ook niet. Daarvoor hebben ze te weinig verhaal.

Laten we er eerst maar eens eentje lezen:
Buitenstaander
Ik hoorde er niet meer bij. Ik deed niet mee. Ik lag uit de groep. Waarom had ik niet het borsthaar van een Siciliaan? Of een brede, geoliede tors? Ik was hip noch gewild. Ik had er de kop ook niet voor. Op cocktailparty's zat niemand op mij te wachten, hoewel ik thuis mijn eigen shaker had. Natuurlijk, ik wilde er niet bij horen en meedoen interesseerde me al helemaal geen moer. Ik hulde me nooit in designerlompen en hield me ver van kreten en credo's. Ik laafde me aan verschoppelingen die elkaar buiten bereik van de televisiecamera's snotterend stonden te omhelzen.
Dit is wel een typerende tekst uit 'Beproevingen', maar misschien zijn alle teksten daarin wel typerende teksten. 'Buitenstaander' gaat over een 'ik', zoals alle teksten in de bundel. Die 'ik' houdt zich afzijdig van de anderen. Er zijn anderen, maar hij hoort er niet bij.

In veel verhalen (zo noem ik ze dan toch maar) is er een ik die binnen blijft en juist in het verhaal de buitenwereld opzoekt. Eigenlijk wordt het nooit wat. Soms maakt hij vreemde dingen mee, die echter verteld worden alsof ze de gewoonste zaak van de wereld zijn. Het gebeurt om hem heen, maar meestal is hij niet degene die de actie onderneemt, behalve dan het op pad gaan.

In veel stukken zitten mooie zinnen en sommige zijn ook humoristisch: 'Dagelijks fouilleerde ik mezelf, hoewel dat kietelde.' Of: 'Ik overwoog mijn laatste geld te spenderen aan een reis naar Beiroet om daar bij een aanlandig windje stijlvol te verkommeren.' Van die zinnen moet Beproevingen het, wat mij betreft, dan ook wel hebben.

Over het algemeen worden de omstandigheden vaag gehouden en het lijkt alsof ook voor de 'ik' veel onduidelijk is: 'Ik dacht aan ontsnappen maar vroeg me af waaraan.' Mij was dat op den duur te onbestemd. Het zal wel de bedoeling zijn, maar het had tot gevolg dat ik er maar moeilijk mijn aandacht bij kon houden. Gaandeweg kreeg ik het idee dat Anker met gemak nog tweehonderd van dit soort teksten zou kunnen schrijven of dat hij had kunnen volstaan met de helft van de teksten en dat dat eigenlijk niet uitgemaakt zou hebben.

Een sfeer, een 'ik', wat gebeurtenisjes, wat mooie zinnen - meer hou ik niet over aan Beproevingen. Dat is me te weinig.

Jan-Willem Anker, Beproevingen.
Uitg. De Arbeiderspers, Utrecht/Amsterdam/Antwerpen 2013
64 blz. € 18,95 

Vijftig tinten grijs (Knipoog 32)


In zo'n beetje iedere krant kreeg het boek een slechte kritiek, maar de verkoopcijfers waren duizelingwekkend van Vijftig tinten grijs en in iets mindere mate van de opvolgers Vijftig tinten donkerder en Vijftig tinten vrij. Vooral vrouwen zouden deze boeken van E.L. James lezen, al weet ik niet in hoeverre dat daadwerkelijk onderzocht is.

Ook iedereen die het boek niet gelezen heeft, en daar behoor ik ook bij, kent op zijn minst de titel. Toen ik in een antiquariaat de dichtbundel Veertien tinten blauw van Aleidis Dierick zag liggen, moest ik meteen aan de boeken van James denken. Zo dringt de pulp de literatuur binnen.


Intussen is er al heel wat geknipoogd naar Vijftig tinten grijs. De uitdrukking 'Zoveel (vul zelf een getal in) tinten (vul zelf nog wat in)' ben ik al tientallen keren (gok ik) tegengekomen. In krantenkoppen nog niet. 

Maar nu wel. Boven het artikel van Robert van Dijk, dat aangekondigd stond met een knipoog naar Liefde in tijden van cholera (zie hier), in Trouw van zaterdag 19 april 2014, staat de kop 'Vijftig tinten Tinder'. De titel van James is zo bekend, dat deze knipoog voor veel mensen acceptabel zal zijn. Het woord 'tinten' heeft zijn oorspronkelijke betekenis in deze kop verloren. Het gaat hier immers niet om kleuren. 

Ik neem aan dat 'tinten' in deze context niet meer 'kleurnuances' betekent, maar 'nuances' of misschien wel 'soorten'. Het zal me niet verbazen als er in het komende jaren vaker koppen variëren op Vijftig tinten grijs en als het over Tinder gaat, gaat iemand misschien nog knipogen naar Elvis: 'Love me Tinder'. 


zaterdag 19 april 2014

Liefde in tijden van cholera (Knipoog 31)



Deze week overleed de grote Gabriel García Márquez. In Colombia reageert men gepast: er is een periode van drie dagen nationale rouw afgekondigd. De vlaggen op de overheidsgebouwen hangen dan halfstok en de burgers is gevraagd dat met hun vlag ook te doen.

Het werk van Márquez is nog bijzonder levend. Verschillende keren wordt er in krantenkoppen verwezen naar Kroniek van een aangekondigde dood. Ik wees daar bijvoorbeeld hier op. Ook noemde ik verwijzingen naar Honderd jaar eenzaamheid (hier) en naar Liefde in tijden van cholera (hier).

Naar dat laatste boek werd dit weekend opnieuw verwezen, in Trouw, op de voorpagina van het bijvoegsel 'Tijd' én op de voorpagina van de krant: 'Liefde in tijden van Tinder'. Dat is een mooie knipoog, vooral vanwege de alliteratie tijden/Tinder. Degene die het bedacht heeft, ging ervan uit dat iedereen die het leest, automatisch aan de titel van Marquez moest denken. Terecht, vermoed ik.

Ik neem aan dat de bijlage al zo ongeveer klaar was toen Marquez zijn laatste adem uitblies. Dan wordt hij onbedoeld postuum geëerd. Dat vind ik wel mooi.

Boven het artikel zelf stond ook nog een knipoog. Daarover schrijf ik in mijn volgende bijdrage.

vrijdag 18 april 2014

Een zoon van Limburg (Chrétien Breukers)


Chrétien Breukers is een zoon van Limburg, zo lezen we in Een zoon van Limburg. Maar zonen worden groot en verlaten het huis. Soms duurt het lang voordat ze terugkeren naar het ouderlijk huis en dan is het nog maar voor af en toe een bezoekje. Alles in het huis is vertrouwd, maar toch, het is niet meer de plek waar de zoon woont en misschien niet meer de plek waar hij hoort.

Breukers verliet Limburg, maar hij verloochent zijn zoonschap niet. Hij heeft kritiek op de provincie waarin hij opgroeide, maar het ergert hem ook als anderen diezelfde kritiek hebben. Dat is niet zo vreemd. Breukers' kritiek komt voort uit zijn verbondenheid met Limburg. Hij is te zeer met de provincie verbonden om zijn schouders op te halen over wat er gebeurt. Het is alsof je Jeroen Brouwers over Vlaanderen leest. De roede wordt uit liefde gehanteerd.

Nu lijkt het net of Breukers vooral aanmerkingen heeft op Limburg. Dat is niet terecht. Een zoon van Limburg is vooral een liefdevol boek, dat uitlegt dat iemand die in Limburg geboren is, altijd Limburger blijft, ook als hij er niet meer woont.

Breukers typeert zichzelf als een beschouwer: iemand die er wel bij is, maar die liever kijkt dan meedoet. Dat geeft hem een mooie tussenpositie: een positie waarin hij zich verbonden kan voelen met wat hij beschrijft en tegelijkertijd er van een afstandje naar kan kijken.

Ik had verwacht dat het hele boek zou gaan over Breukers' land van herkomst, over hoe die dorpsgemeenschap in hem was gaan zitten. Dat is niet zo. In 'Hausarrest' stapt hij over naar de literatuur. In het eerste stuk zien we hem nog als jongetje in de bus zitten, zo verdiept in Roland Holst, dat hij zijn huis voorbijrijdt. Maar in de volgende stukken is Leveroy verder weg. Niet dat dat erg is, maar ik had het niet verwacht.

Het boek kent toch al niet een hechte structuur, maar Een zoon van Limburg is het soort boek waarbij dat niet erg is. Er staan kleine hoofdstukjes met herinneringen in, maar ook een 'Brief aan voormalig bisschop Bär', die eigenlijk helemaal geen brief aan Bär is, stukken over wielrennen en snookeren en enkele recepten. Wat de verschillende stukken verbindt, is dat ze allemaal over Breukers gaan. En goed geschreven zijn.

Daarom lezen we het boek natuurlijk ook. Als het beroerd geschreven was, had het niet gehoefd. Bij Breukers kom je steeds zinnetjes tegen waarvan je moet erkennen dat ze goed gelukt zijn. Als de overbuurman de boom gaat omzagen die staat bij wat ooit het ouderlijk huis van Breukers was, zien we hoe de zaag gestart wordt. 'De achterbuurman liet zijn kettingzaag ronken en zaagde de lucht doormidden.' Je ziet het meteen voor je.

De persoonlijke betrokkenheid in elk stuk is weldadig. Ik zie bijvoorbeeld snookeren alleen bij het zappen langskomen en nooit besluit ik dan om naar zo'n wedstrijd te gaan kijken. De sport heeft voor mij niets aantrekkelijks. Ik geloof dat ik dat dien te verwoorden als 'ik heb er niets mee' of zelfs 'ik ben er niet van'. Maar als Breukers over snookeren schrijft, wil ik het lezen en blijf ik het lezen. Ten eerste omdat Breukers boeiend schrijft, maar ook omdat snookeren en snookeraars al gauw een metafoor worden. De schrijver kan dan ook over zichzelf in een bepaalde periode schrijven: 'Ik lig snooker'.

Bij een persoonlijk boek horen inconsequenties en die zijn er dan ook. Breukers kan aan de ene kant kritiek hebben op schrijvers met een Limburgs accent (Connie Palmen!) en tegelijkertijd A.H.J. Dautzenberg als 'de enige normále Limburgse schrijver' noemen, terwijl diens tongval toch ook niets te raden overlaat. Het aardige is dat Breukers zelf dat soort dingen vaak al constateert. Ergens schrijft hij: 'Uiteraard klopt deze bewering niet. Maar het is een gedachte die me nu uitkomt.'

Soms ronkt Breukers een beetje, of doet hij gewichtig over bijvoorbeeld hoe literatuur werkt, ook als hij er niet zoveel nieuws over vertelt. En soms zegt hij terloops heel mooie dingen. Het eerste neem ik voor lief, het laatste lees ik met plezier. Zoals ik al eerder schreef: dit soort dingen hoort een beetje bij een boek waarin het persoonlijke centraal staat. Het is een onaf zelfportret, dat ook niet als een voltooid beeld bedoeld is.

Uit de emigrantenliteratuur kennen we het leven tussen twee vaderlanden. Denk aan het beroemde kwatrijn van Jacob Israël de Haan of aan de schrijvers met Indische wortels. Nergens meer thuis: daar zijnde wil je naar Nederland, in Nederland zijnde wil je naar daar. Eigenlijk zie je bij Breukers iets soortgelijks: Limburg lijkt een ander land dan de rest van Nederland ('Holland'). Maar Breukers valt niet tussen twee vaderlanden in. Hij schrijft dat hij door dit boek zowel meer Limburger als meer Hollander geworden is.

Uitgebreid schrijft Breukers over zijn grote liefde: de literatuur. Die liefde uit zich zowel in het lezen als in het schrijven. Fraai schrijft Breukers over Jani Roland Holst, Jotie T'Hooft en Jeroen Brouwers. En over Maigret, wiens naam ik natuurlijk ken, maar van wie ik nooit iets las. Voor mij is hij de snookeraar onder de schrijvers, aan wie ik altijd voorbijgezapt ben. Ik zal niet zomaar iets van Maigret gaan lezen, maar Breukers brengt me toch aan het twijfelen.

Een zoon van Limburg eindigt met het gedicht 'Begraaf mijn hart in Limburg'. Dat is wel passend voor het boek, al is het mij iets te sentimenteel. En ik heb genoeg huisslachtingen meegemaakt om bezwaar te maken tegen het zinnetje 'Draai mijn darmen in de worst'. De worst gaat juist in de darmen.

Maar goed, laten we dat soort muggen maar niet ziften. Er staat veel moois in Een zoon van Limburg. Geniet ervan bij een kop koffie en een punt vlaai.

Chrétien Breukers, Een zoon van Limburg. Uitg. Marmer, Baarn 2014, 284 blz. € 19,95

Kijk ook eens bij:
Chrétien Breukers, Naar een einde waar niemand ons bijstaat
Chrétien Breukers, Het eerste gedicht
Chris van Esterik, No satisfaction

vrijdag 11 april 2014

Het probleem met mensen die naar zee gaan (Koenraad Goudeseune)


Het heeft even geduurd voordat ik me liet overtuigen door de nieuwe dichtbundel van Koenraad Goudeseune, Het probleem met mensen die naar zee gaan. De bundel opent met het titelgedicht:
Het probleem met mensen die naar zee gaan
Van Rutger Kopland wordt verteld
dat hij op het einde van zijn leven
vroeg naar het Koplandgehalte
in de nieuwste poëzie.
Dat viel erg mee.
Het probleem met mensen die naar zee gaan,
is de titel van een gedicht van zijn hand
dat niet meer werd geschreven.
Zo'n titel is wel Koplandachtig - dat is wel in orde. Maar verder vond ik het gedicht net te melig. De volgende gedichten, met titels als 'Doe eens wat', 'Verbied eens wat', 'Verander eens wat' en 'Voltooi eens wat' deden me eigenlijk niets.

'Bef eens wat' vond ik zelfs uitgesproken zwak. In het gedicht wordt 'Herman' aangesproken en dat is natuurlijk Herman Brusselmans. Het gedicht eindigt met: 'Ik zeg je, beffen deed ik ooit met overtuiging / in Brussel // mans was ik!' Tja.

Maar al lezende liet ik me toch inpakken door Goudeseune. Hij is een aards dichter die niets moet hebben van hooggestemdheid of zweverigheid. Hij vermijdt onderwerpen die bij voorbaat al geschikt lijken voor een gedicht. In 'Oostende' schrijft hij hoe lastig het is om een gedicht over de zee te schrijven, omdat de zee zo eenvoudig eeuwigheid uitdrukt. De dichter krijgt zo'n gedicht toch voor elkaar. Niet door te schrijven over de eindeloze zee, maar: 'Wij op 't klein strand in Oostende'.

In onderstaand gedicht beschrijft hij allerlei op het oog triviale bezigheden, die voldoende tegenwicht bieden aan de eindeloosheid van de zee.

De stad wordt niet rijker als het regent
Ik ben blij dat ik in deze havenstad geen enkel gedicht heb
geschreven
over mijn dode moeder.
Ik zou mij in een appartement met zicht op zee niet
overgeven aan de eindeloosheid.
Ik zou de hele dag lullige postkaarten schrijven
en al mijn sigaretten oproken
en geen enkele kaart versturen naar jou.
's Avonds zou ik naar de sterren kijken
en weten dat ik me de stem van mijn moeder niet meer
herinner,
en sentimentaliteit haten,
en misschien niet eens blij zijn dat ik haten kan.
En voor het slapen gaan zou ik aan je honden denken.
Tenminste aan de oudste.
De dode moeder, een geijkt onderwerp voor een gedicht, komt via een ontkenning het gedicht binnen: de dichter heeft juist niet over haar geschreven. Tenminste niet 'in deze havenstad'. Maar moeder dringt zich toch in het gedicht, net als de sterrenhemel. Daar helpen geen lullige postkaarten of pakjes sigaretten aan.

En de geliefde? Een kaart krijgt ze niet en de 'ik' denkt niet aan haar, maar aan haar honden of eigenlijk zelfs dat niet: alleen aan de oudste. Goudeseune doet alle moeite om de sentimentaliteit uit het gedicht te halen. Maar het gevoel blijft er wel in zitten, misschien juist doordat hij zo zijn best doet.

De bundel eindigt met 'De kruisweg van Magalia Devleeschouwer' en volgens de ondertitel bestaat die afdeling uit '14 sonnetten & 1 pastiche'. Die pastiche is een prima sonnet. De veertien sonnetten zouden samen een sonnettenkrans kunnen vormen, maar het zijn helemaal geen sonnetten. Het verhaal dat ze over Magalia vertellen is overigens wel de moeite waard. Tenminste zoals Goudeseune het vertelt.
Veertiende sonnet
Magalia Devleeschouwer uit Veurne kijkt naar boven
en ziet wat Galilei in zijn bange dagen zag.
Ze gelooft wel dat daar ergens leven is,
maar is er ook vlees? Is er ver weg spek?
En valt dat vlees wiskundig te bewijzen
als in een vergelijking met een onbekende of twee?
Is er een vermoeden dat onbewezen blijven moest
zolang er geen genie al vrijend werd verwekt?
Vlees als waaruit zij, Magalia Devleeschouwer, is
opgetrokken
als een beest, hier zacht, daar hard?
Vlees dat verlangt en naar boven kijkt en niets ziet
dat er niet al eerder was?
Kroketten eet je met mes en vork of uit de hand,
sonnetten lees je.
Kijkt dat buitenaardse vlees ook in de lucht?
Of kijkt het naar de grond en naar wat het op moet vreten?
Wordt het op zijn beurt door iets anders opgegeten?
Loopt daar al grazend alleen maar tofu rond?
Het gedicht geeft een mooi beeld van Magalia en haar overpeinzingen. Tegelijk is het, vooral door de slotzin, erg grappig. Magalia's blik verheft zich en wij hebben de neiging om mee te peinzen. Maar als we de grap horen, kunnen we niet langer omhoog kijken en Goudeseune heeft ons waar hij ons hebben wil. Geen poespas alsjeblieft.

Er komen in de gedichten in deze bundel heel wat andere dichters voor. Daarbij zijn de namen van Annie M.G. Schmidt en Charlotte Mutsaers trouwens verkeerd gespeld, maar misschien is dat met opzet. Al die gedichten gaan niet over het hoge van de poëzie, maar juist over het alledaagse. Het is Goudeseune er niet om te doen om de dichters naar beneden te halen, maar om onze gedachten aards te houden. Als hij over zichzelf als dichter schrijft, houdt hij het ook graag niet al te ver van de grond.

Fraai vond ik het gedicht 'Emily Dickinson', dat begint met 'Ik ben een gedurfd streepje tussen bestaan / en niet bestaan. // Ook jij bent zo'n streepje.' Voor wie het werk van Dickinson kent, is dat streepje heel goed getroffen en voor wie er even over nadenkt, is het ook logisch dat wijzelf zo'n streepje zijn.

In Het probleem met mensen die naar zee gaan staat genoeg wat mij weinig doet, maar dat is misschien wel inherent aan het soort poëzie dat Goudeseune schrijft. Het is ook niet erg. Er staat genoeg goeds in de bundel. Het zou me niet verbazen als onderstaand gedicht in bepaalde kringen klassiek wordt. Ook na twintig keer lezen is het grappig.

Soms klopt een gedicht
Nok, nok,
op de deur van de taal.
En jij bent het
die opendoet.
Ja, jij!
Wat ben jij toch een lul! 
Koenraad Goudeseune, Het probleem met mensen die naar zee gaan. Uitg. Leesmagazijn, z.pl. 2014. 104 blz.
(afbeelding gejat van leesmagazijn.nl.)

donderdag 10 april 2014

Door de waterspiegel (Tomas Lieske)


Alles kantelt noemde Tomas Lieske zijn vorige roman en dat was niet voor niets. De hoofdpersoon ontmoet zijn jongere ik en valt daardoor uiteen in twee personen: een belever en een herinneraar, die daardoor een herbelever is. Lieske brengt in die roman een lus in de tijd aan, waardoor die niet alleen maar lineair verloopt. Het is een ingreep waar ook K. Schippers zich wel eens van bediend heeft, bijvoorbeeld in Waar was je nou.

Ook in de nieuwe roman van Lieske, Door de waterspiegel, kantelt er heel wat. Tijd en plaats liggen niet vast, maar ook de personages niet. Zoals Alice in Through the looking glass door een spiegel stapt en in een andere wereld terechtkomt, stappen ook de personages van Lieske over van de ene wereld in de andere.

Eerst maar even in grote lijnen het verhaal, dat verteld word door een blinde oorlogsinvalide, die aangeeft dat hij sommige dingen verzint. Hij vertelt het verhaal van zichzelf en zijn gemene en liegende vader. Maar vooral ook het verhaal van de Nederlandse Sebastian Romeijn, die in Liechtenstein de Weense Eva Mertz ontmoet, in een landhuis waarin ook de Hongaar Antal Szabo is. Tussendoor vertelt hij nog het verhaal van de familie Starkow, waar een stokoude tante Roenie in huis is. De dertienjarige dochter, Eefje, blijkt zwanger.

Sebastian trouwt met Eva. Hij moet haar  alleen laten als hij naar Spanje gaat voor een groot project: de bouw van een stuwdam. Daarna zal de streek onder water gezet worden. Vlak voordat het werk van Sebastian is afgerond, is hij getuige van een verkrachting van een jong meisje, waarbij hij niet ingrijpt. Daarna raakt hij aan het zwerven door heel Europa; hij lijkt zijn leven niet meer in de hand te hebben.

Er zijn verschillende momenten waarop in dit boek de personen een ander leven in stappen. De Joodse Eva gaat in de oorlog met een kindertransport mee naar Zwitserland en dan begint van de ene dag op de andere een nieuw leven. Dat is nog te beredeneren. Veel wonderlijker is dat Sebastian in Liechtenstein door een geleiachtige wand stapt en in Leiden terechtkomt in een compleet andere tijd.

Voor op het boek staat de afbeelding van een mechanische zeemeermin. Eva schaft het automaatje aan als Sebastian in Spanje is. Op sommige momenten begint ze trekken van het zeemeerminnetje te vertonen, zeker als ze op zoek gaat naar Sebastian en van de stuwdam in het water duikt. Onder haar bevinden zich de verdronken dorpen en misschien is er in die onderwaterwereld wel leven. Lieske speelt niet alleen met het Aliceboek van Lewis Caroll, maar ook met De kleine zeemeermin. De kleine zeemeermin dringt vanuit de onderwaterwereld de bovenwereld binnen. Eva doet het omgekeerde.

Het ene personage lijkt over te kunnen gaan in het andere. De Hongaar wordt voor de verteller zijn onbetrouwbare vader. Sebastian en Antal Szabo wisselen ook van rol. Szabo is zowel een nazi als een redder en Eefje Starkow heeft trekken van de bijbelse Maria en Elizabeth: 'Eefje denkt dat het kind in haar schoot opspringt, maar daarvoor is de tijd nog niet gekomen.'

Soms maken personages hetzelfde mee: Antal komt aan bij het landhuis in Liechtenstein. Hij zegt tegen de oude mevrouw daar dat ze zijn zwerven maar moet zien als boetedoening. 'Ze raakte mijn gezicht aan  en zei dat ik een goed mens was.'

Maar ook Sebastian zwerft een groot deel van het boek en er wordt ook een verhaal verteld over iemand die over de bodem van het meer loopt, 'een volstrekt ongewone overlevende'. Later loopt hij de bodem van de Rijn af. Ook hij zegt dat het zwerven maar als boetedoening gezien moet worden. 'Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was.'

Lieske heeft in Door de waterspiegel een spiegelpaleis opgetrokken, waar je steeds reflecties tegenkomt van dingen die je al eerder hebt gelezen, waar situaties op elkaar lijken, waar thema's herhaald worden. Wat betekent identiteit in die vloeibare wereld?

Sebastian heeft het idee dat hij tijdens zijn zwerftocht in verschillende personen uiteen is gevallen en dat hij daar niets aan kon doen. 'Het is een aaneenschakeling geweest van ziekte, toeval en pech.' Maar Antal zegt hem dat hij zelf beslissingen heeft genomen en dat die beslissingen zijn identiteit bepalen.

Hoe omslachtig ook, Sebastian blijft onderweg naar Eva. Hij wil in haar liefde geloven; die houdt hem bij elkaar. Ook Eva blijft in Sebastian geloven. Maar hoe zeker weten we dat eigenlijk? De verteller fantaseert soms maar wat. We weten niet wat er nu echt is en wat niet.

Over het vertellen van verhalen zegt de verteller, die zijn naam verzwijgt:
Ik vertel het verhaal door. Dat strekt tot troost, het vertellen van verhalen. Alle andere verrichtingen die wij nog kunnen doen of waarbij wij geholpen worden, zijn alleen maar bedoeld om in leven te blijven. Die verhalen maken het leven voor ons waardevol. Daar gaat het om. Wat moeten wij anders?
Voor het vertellen van verhalen is verbeelding nodig. We moeten door de waterspiegel stappen om in de verhaalwereld terecht te komen. Op de laatste pagina wordt over een rechercheur gezegd: 'Maar hij weet ook dat het gewone leven slechts een deel van het bestaan is'. Het is dan ook niet zinvol om 'het gewone leven' te scheiden van de verhalen; we hoeven ons hoofd niet te breken over wat er nu werkelijk gebeurd is en wat er fantasie is.

Werkelijk? Ook wat niet door de verteller is gefantaseerd, is natuurlijk wel door de schrijver bedacht. Als wij het boek openen, stappen wij door de waterspiegel en betreden de wonderlijke wereld van de verbeelding. Het benadrukken van het kunstmatige van een boek, doet terugdenken aan de jaren tachtig, aan de schrijvers rond het tijdschrift De Revisor. In bijvoorbeeld Letter en geest van Frans Kellendonk verandert aan het eind van het boek het personage Felix Mandaat in een punt, die niet achter de laatste zin is afgedrukt.

Mandaat is maar een personage, net zoals Sebastian, Eva en Antal Szabo dat zijn. Maar tegelijk leven ze en als we Door de waterspiegel gelezen hebben, zullen ze voortaan door ons leven lopen en zomaar op kunnen duiken op plaatsen waar we ze niet verwachten. Wie daar niet bang voor is, kan met een gerust hart door de waterspiegel stappen.

Tomas Lieske, Door de waterspiegel. Uitg. Querido, Amsterdam-Antwerpen 2014. 256 blz. € 18,99

Eerder schreef ik over Franklin en een kort stukje over Gran Café Boulevard.

zondag 6 april 2014

Junior Suske en Wiske



Op alles wat met Suske en Wiske te maken heeft, staat nog de naam van Willy van der Steen, al is hij al lang  de weg van alle vlees gegaan. We moeten het maar zien als een postuum eerbetoon, al zal het wel met geld te maken hebben. Die naam staat dus ook op de drie uitgaven voor de jonge en zeer lezertjes: De wereld van Schanulleke, Het grote AVI-stripboek en het Strip-leesboek voor jonge lezers.

Het Schanullekeboek is een kijk- en vertelboek, waarin de pop van Wiske de hoofdrol speelt. De tekeningen zijn gemaakt voor Heidi D'Hamers, die ervoor koos om geen inktlijnen te gebruiken. Misschien maakt dat de tekeningen wat 'zachter'. Ik hou wel van de duidelijkheid van de inktlijn, maar misschien werken deze tekeningen beter bij de kleintjes.

De tekstschrijver wordt niet met name genoemd; er wordt alleen verteld dat de uitgever (WPG Uitgevers België) ervoor verantwoordelijk is. Eerlijk gezegd vond ik het boek tekstueel weinig voorstellen. Een verhaal is er eigenlijk niet en op de meeste pagina's is er voor de kinderen te weinig te doen.

Op enkele pagina's wordt er wel wat van de kinderen verwacht: ze krijgen voorwerpen te zien en moeten zoeken waar die op de pagina ervoor in het huis te zien zijn. Aan het eind van het boek is er ook nog zo'n zoekopdracht. Verder is het boek niet zo heel uitdagend.

Het grote AVI-stripboek zal wel oorspronkelijk voor de Vlaamse markt ontwikkeld zijn. Er wordt nog gebruik gemaakt van de 'oude' AVI-niveaus, die hier al enkele jaren geleden afgeschaft zijn. Voor in het boek is wel een tabelletje opgenomen waarin opgezocht kan worden hoe de nieuwe niveaus corresponderen met de oude.

De verhalen in het boek lopen op in moeilijkheidsgraad en zijn bedoeld voor leerlingen van groep 3 en 4. Het moeilijkste verhaal zit op AVI-niveau Eind 4. De personages zijn de zogeheten Junior Suske en Wiske, dus Suske en Wiske toen ze nog op de basisschool zaten.

De tekeningen zijn gemaakt door Jeff Broeckx, die we kennen van zijn werk voor de strip Bessy en zijn tekeningen in Waterland en Verdwaald in het verleden. Hij heeft een mooie, heldere stijl. Daarbij houdt hij de decors eenvoudig, zodat de jonge lezers zich gemakkelijk kunnen concentreren op wat er op de plaatjes gebeurt.

De teksten zijn van Hetty van Aar en Dirk Nielandt. Die schreven aardige verhaaltjes, die dicht bij de belevingswereld van de kinderen staan. De bijfiguren zijn Bert, die wel eens wat minder sympathieke trekjes heeft. en Dotje. De schrijvers creëren een veilige wereld, waarin ook af en toe minder leuke dingen gebeuren. Ik denk dat lezertjes uit groep 3 en 4 zeker plezier aan dit boek zullen beleven.

Het Strip-leesboek voor jonge lezers is van de drie boeken het best. Het is bedoeld voor lezers van 7 tot 9 jaar, maar ik vermoed dat ook oudere broers en zussen stiekem mee zullen lezen. De verhalen in het boek zitten namelijk prima in elkaar, wat geen wonder is, want er is gebruik gemaakt van twee uitstekende scenarioschrijvers,  de onlangs overleden Pieter van Oudheusden, en Willem Ritstier. De tekeningen zijn van de hand van de al genoemde Jeff Broeckx en van Dick Heins, wiens werk we onder andere in Eppo kunnen bewonderen: 40 hours. 

Ook in dit boek zijn Suske en Wiske nog klein. Ze leven in een gezin waarin, Lies en Tom de ouderrollen hebben. In veel verhalen komen er dromen of fantasieën voor die soms enkele bladzijden lang voortduren. Ze zijn te herkennen doordat de randen van de plaatjes niet een strakke lijn hebben. Ik vermoed dat zulke lange ingebedde verhalen wel wat vergen van lezers, maar dat geeft niet. Aan het eind van het verhaal wordt altijd duidelijk hoe het zit.

De verhalen zijn levendig, humoristisch en hebben inventieve plots. Door de fantasieën en de dromen zijn er veel verschillende settings mogelijk; van een saloon in een western tot een land waarin alles van snoep is en van een wolkenfabriek tot een sprookjesachtige wereld met een gemene, sprekende vos.Het strip-leesboek is een boek dat elke basisschooldocent graag in zijn of haar klassenbibliotheek zal plaatsen.


De wereld van Schanulleke                               
Uitgeverij Oogappel
hardcover, gebonden, € 9,95

Junior Suske en Wiske. Het grote AVI-stripboek
Uitgeverij Manteau
hardcover, gebonden, € 13,99

Junios Suske en Wiske. Strip-leesboek
Uitgeverij Manteau
hardcover, gebonden, € 13,99





Uit: Strip-leesboek

Uit: Het grote AVI-stripboek


Uit: De wereld van Schanulleke

donderdag 3 april 2014

Django Unchained


Er zijn heel wat liefhebbers van de films van Quentin Tarantino. Ik vermoed dat bijna iedereen Pulp fiction en Kill Bill heeft gezien. Het zijn harde films, waarin de humor ervoor zorgt dat het je allemaal niet te dicht op de huid gaat zitten. Zijn dialogen zijn beroemd. Er zijn mensen die uit hun hoofd er een heel stel kunnen citeren.

Tarantino's laatste film was Django Unchained (2012). Een Duitse premiejager(Dr. King Schultz) koopt een slaaf (Django) vrij, omdat hij drie mensen kent op wie Schultz jaagt. Al gauw wordt Django min of meer de zakenpartner van Schultz. Die behandelt Django als zijn gelijke, wat wel hier en daar opschudding veroorzaakt: 'Een zwarte op een paard!'

Django is ooit gescheiden van zijn geliefde Broomhilda. Schultz helpt hem zoeken. Daarbij gaan de beide mannen tot het uiterste.

Op basis van het filmscript is er een strip gemaakt, die in zes afleveringen is verschenen. In het Nederlands verschijnt die in één kloeke band, ingebonden, mooi afgewerkt. De basis is het complete filmscript, dus ook de passages die bij het monteren van de film zijn afgevallen.

Een script schrijven kan Tarantino wel. Het verhaal zit stevig in elkaar en als je eenmaal begonnen bent, wil je het ook uitlezen. Soms werkt het stripboek net iets anders dan de film. Als een stel mannen Schultz en Django 's nachts besluipen, komt in e ontploffing van de dokterswagen als een complete verrassing. In de strip zie je Schultz de dynamietlading aanbrengen. Zo zijn er nog enkele verschillen. Vaak zijn beide versies gelijkwaardig, soms is de strip iets beter, omdat er ruimer de tijd genomen kan worden om het verhaal te vertellen.

Het meeste tekenwerk is gedaan door R.M. Guéra. Enkele hoofdstukken tekende hij samen met Jason Latour, die ook een hoofdstuk samen met Denis Cowan tekende. De drie tekenaars zijn aardig aan elkaar gewaagd en hun stijlen sluiten bij elkaar aan. Het vierde hoofdstuk is getekend door Danijel Zezelj en dat is een vreemde keuze. Hij tekent namelijk in een nogal afwijkende stijl: hoekiger, minder gedetailleerd, meer zwartvlakken.

In een recensie las ik dat Zezelj zijn hoofdstuk verprutst zou hebben. Dat lijkt me niet het geval. Hij levert goed tekenwerk, maar het past niet bij de rest van het boek.

Django Unchained is een heerlijk stripboek, dat op een breed publiek mikt. Ik kan mij voorstellen dat zowel stripliefhebbers als liefhebbers van Tarantino het zullen kopen. Achter in het boek is mooi extra materiaal opgenomen: een keuze uit de covers van de verschillende afleveringen plus alternatieve coverontwerpen, een blik in het schetsboek van Guéra en schetsen voor een cover door Denis Cowan. Mooi gedaan.

Django Unchained
Western / Graphic novel / Tragikomedie
Scenario: Quentin Tarantino
Bewerking: Reginald Hudlin
Tekeningen: R.M. Guéra, Jason Latour, Danijel Zezelj, Denys Cowan
Uitgegeven door Blloan,
Hardcover, 17x24cm, 224 pagina's, adviesprijs: € 24,95

Openingsscène, door Guéra
Pagina door Danijel Zezelj


dinsdag 1 april 2014

1 april



Voor mijn gevoel speelt in het dagelijks leven 1 april nauwelijks meer een rol. De media proberen nog wel eens een nepbericht te plaatsen of uit te zenden. Zo was er dit jaar het bericht dat een raadslid van de Partij voor de Dieren bezwaar maakte tegen de naam van een mederaadslid: Hennevanger. Deze had begrip voor de ergernis, maar snapte niet dat zijn collega Visser met zijn achternaam wegkwam. Zie hier.

Toen ik nog op de lagere school zat, probeerden alle leerlingen elkaar de hele dag door te foppen. Dat stelde niet veel voor, achteraf bezien. Je kreeg verschillende keren per dag te horen dat je veter los zat, herinner ik me. Verder is me alleen bijgebleven dat we ermee bezig waren. Ook thuis trouwens, waar zowel onze ouders ons als wij hen voor de gek probeerden te houden.

Lévi Weemoedt memoreert in een van zijn gedichten ook een 1-aprilgrap:
Een hele goeie
Ik droomde wel zo'n treurige paskwil:
je zei: 'Ik hou zo van je. 1 april.'
In sommige delen van België wordt de eerste april 'verzenderkensdag' genoemd: je stuurt iemand voor niks ergens heen. Dat herinner ik me nog wel uit mijn jeugd. Volwassenen hielden kinderen graag voor de gek. In de kersentijd was er altijd wel een kersenplukker die tegen een kind zei dat de kersen dit jaar zo vast aan de boom zaten. Wilde het kind niet even de kersenschaar gaan halen?

Als een kind met zo'n vraag bij bijvoorbeeld zijn vader kwam, stuurde die hem weer door naar de buurman, aan wie de kersenschaar net uitgeleend was. Het was een sport om te kijken hoe lang het kind in de kersenschaar bleef geloven. Kinderen werden ook weggestuurd om het plintenladdertje of 'de aardbeienleer' te halen

Jongste bedienden waren ook nogal eens het slachtoffer. Iemand die pas in een garage werkte, moest erop uit om bougievonkjes te halen. Hij had door dat het een grap was, bleef een halve dag weg en kwam daarna terug met de mededeling dat ze overal op waren.

Op de lagere school hadden we de leesboekjes over Jaap en Gerdientje, van Anne de Vries. Daarin komt voor dat iemand de dichte gaatjespan moet halen. Als ik het mij goed herinner, pakt hij een vergiet waarvan hij de gaatjes dichtstopt.

Tijdens mijn middelbare-schooltijd was er natuurkundeleraar die een leerling wegstuurde om een flesje Egyptische duisternis te halen en later kwam het voor dat een docent een leerling bij de conciërge een doosje losse pixels liet halen, omdat het beeld op het scherm zo slecht was.

In de loop der jaren zijn er heel wat 1-aprilgrappen geweest en vandaag zullen die in de kranten wel gememoreerd worden. In 1960 meldde het journaal dat de toren van Pisa was omgevallen. In Ede stond op 1 april in alle vroegte een groepje treinspotters die de proef met de hogesnelheidstrein (op het gewone spoor) wel wilden meemaken. Voor degenen die nog weten wat een walkman is: die dreigde ooit op 1 april verboden te worden in treinen.

Mocht je er vandaag toch in trappen: neem dan bij je reactie een voorbeeld aan juffrouw Jannie. Nou ja, misschien ook niet.




Bron foto: zie hier.