woensdag 20 augustus 2014

La Superba (Ilja Leonard Pfeijffer)


Eind vorig jaar maakte ik een lijstje met 'De beste romans van 2013 die ik niet gelezen heb'. De top van die lijst bestond uit boeken van Arnon Grunberg, Ilja Leonard Pfeijffer en Tom Lanoye. Intussen heb ik La Superba van Pfeijffer wel gelezen. Wat een boek! Het is ongetwijfeld de beste roman die ik dit jaar las. De enige die in de buurt komt, is Door de waterspiegel van Tomas Lieske.

La Superba (de hoogmoedige) is de bijnaam die de verteller geeft aan de stad waar hij woont, Genua. Maar in de loop van het boek krijgen ook andere personages deze bijnaam: het mooiste meisje van Genua bijvoorbeeld, en ook de verteller zelf.

'De hoogmoedige' is kortweg betekenis van La Superba, maar er is meer over te zeggen: 'Het betekent zowel super als overmoedig, mooi en trots, aanlokkelijk en ongenaakbaar'. La Superba is de titel van de roman en alle betekenissen die het woord heeft, zijn ook van toepassing op het boek.

Maar even naar het verhaal: hoofdpersoon van La Superba is de dichter Ilja Leonard, die in Genua woont. In zijn vaderland is hij zo beroemd dat hij niet meer over straat kan zonder herkend te worden. Je hebt de neiging om dat personage gelijk te stellen aan de schrijver. Dat mag en dat mag niet. De verteller is een personage, die veel overeenkomsten vertoont met de schrijver. Maar hij is ook een uitvergroting, een vertekening van de schrijver en een ironisch commentaar.

De verteller vindt op een nacht een been in een steegje. Verder is hij gefascineerd door 'het mooiste meisje van Genua', een serveerster in 'de Bar met de Spiegels'. Het eerste deel van het boek is grotendeels aan haar gewijd.

In de volgende delen komen we de andere belangrijke personages tegen: Don, een oude man die zijn stand probeert op te houden; Monia, een misschien wel rijke minnares; Djiby, een Senegalese vluchteling. En dan zijn er nog de problemen bij de aankoop van een theater, dat verkocht wordt door iemand die de eigenaar niet is.

La Superba suggereert niet meer te zijn dan aantekeningen die de dichter aan een vriend stuurt. Verschillende keren zegt hij dat er natuurlijk wel wat aan veranderd moet worden als hij er een roman van wil maken. Een voorbeeld:
Als ik deze notities die ik jou met enige regelmaat stuur, ooit zou omwerken tot een roman, zou ik dat beschamende gehannes met het been natuurlijk verzwijgen. Dat blijft tussen ons, goede vriend, dat begrijp je. Maar ergens is dat jammer, want daarmee laat ik een uitgelezen kans liggen om de affaire uit te buiten als een treffende metafoor voor het misverstand dat liefde heet. 
 Het is een vondst. De auteur staat zichzelf toe om van tijd tot tijd heerlijk uit de bocht te vliegen en er daarna commentaar op te geven. Daarmee wordt La Superba de blauwdruk van een nooit geschreven roman. Tegelijk is het natuurlijk de betere versie van die ongeschreven roman.

Er komen heel wat thema's langs in La Superba. De dichter is een vreemdeling, een inwijkeling, al woont hij al verschillende jaren in Genua. Djiby en Rashid zijn ook vreemdelingen. Ze kwamen uit respectievelijk Senegal en Marokko om hun geluk te beproeven. Hoezeer hun situatie vergelijkbaar is, blijkt als die in nagenoeg dezelfde bewoordingen (pagina's 72 en 268) beschreven wordt.

Er worden niet alleen immigranten beschreven; we lezen ook hoe mensen vertrekken uit Genua: ze gaan op zoek naar het beloofde land. Dat kan 'La Merica' zijn, maar ook Israël, waar de kruisvaarders naar toe gaan. Al die landverhuizers jagen een droom na, die maar ten dele of helemaal niet uitkomt. Djiby en Rashid houden tegenover het thuisfront vol dat ze geslaagd zijn in Europa, maar ze moeten geld lenen om die illusie in stand te kunnen houden.

Ook de vertellende dichter houdt een illusie in stand: in zijn vaderland is hij een beroemdheid, zegt hij steeds, maar in de roman blijkt dat uit dat land voorlopig alleen een fikse belastingaanslag komt. Zolang het hem niet lukt om die te betalen, zal hij niet terug kunnen.

Dat het beeld dat de dichter ophangt van zichzelf niet altijd klopt, geeft hij toe aan de vriend aan wie hij brieven schrijft:
Als Genua echt zo leuk was als ik beweer zou je er niets over horen, mijn vriend. Alles wat ik schrijf is nep, omdat ik niet schrijf als ik mijzelf ben. Het is een vlucht uit de realiteit op een wankel vlot van taal, zoals de schepen gingen naar La Merica, zoals ze komen, stumpers naar het beloofde land van Europa.
Uiteindelijk doet dat er niet toe. Verschillende keren komt het voor in La Superba dat iemand toegeeft dat hij overdrijft of dat iets niet werkelijk is gebeurd, maar dat het daarom niet onwaar hoeft te zijn.

Door het hele boek heen is de verbeelding de stuwende kracht. Dat begint al bij 'het mooiste meisje van Genua' van wie gezegd wordt:
Zij is gemaakt van ander spul dan meisjes: hetzelfde spul waarvan glimlachjes zijn gemaakt, ontroering en zomerdagen. 
 We denken natuurlijk meteen aan Shakespeare: 'We are such stuff as dreams are made on'. Het mooiste meisje is gemaakt van dromen, van fantasie. Niet voor niets werkt zij in een bar met spiegels. Die spiegels komen ook later in de roman nog terug en dan blijkt het spiegelbeeld soms iets heel anders te tonen dan in de werkelijkheid. Wie in de spiegel kijkt, ziet wat hij wil zien.

Zelfs de stad Genua, misschien wel het belangrijkste personage in de roman, heeft de verbeelding nodig om in de roman te kunnen bestaan. 'In zekere zin bestaat de stad ook zonder mij, althans dat wil ik wel aannemen', zegt de verteller. Maar in de roman bestaat de stad alleen zoals hij dat wil.

Een meisje zegt tegen de dichter: 'Je leeft te veel in je fantasie.' Zijn reactie:
Natuurlijk leef ik te veel in mijn fantasie. Het is mijn beroep. Elke dag weer moet ik Genua verzinnen en bevolken met de mensen die ik zie en tot leven wekken met de gedachten die ze hebben. Ik moet Genua elke dag met hamer en beitel tevoorschijn strelen uit de betekenisloze, ruwe blokken marmer van de palazzi en modelleren naar het beeld van mijn zelfverzonnen geliefde. 
Het is mijn beroep, zegt de verteller en daarom mag hij bijvoorbeeld bepalen wat een oude man op een bankje denkt. Niet voor niets is hij bezig met het kopen van een theater, de plaats waar je een toneelstuk opvoert, waar je  een andere werkelijkheid creëert.

Als hij een vrouwenbeen vindt, fantaseert hij er een lichaam aan vast en die fantasie is net zo opwindend als het werkelijke lichaam. Daarom ook lopen er travestieten rond in de roman. Zij moeten het hebben van de illusie en daarom ook kan de verteller in een vrouw transformeren. De travestiet Ornella zegt: 'Er zijn mensen die beweren dat ik verzonnen ben. Maar dat kun je van iedereen wel zeggen.'

Of de personages in werkelijkheid bestaan is niet belangrijk. Don, die net als Monia, in zijn fantasie leeft in een wereld die hij in de hand heeft, is misschien naar het leven getekend, maar hij is ook een personage. Als hij zich bemoeit met de loop van het verhaal, zegt de dichter: 'Sinds wanneer hou jij je bezig met de compositie van mijn roman? Je bent maar een personage, onthoud dat goed.' Het deed me denken aan de roman Vóór alles een dame van Renate Dorrestein, waarin de personages in opstand komen, de schrijfster vastbinden en zelf het verhaal verder vertellen. 

Ornella vertelt het verhaal van Pygmalion, die verliefd was op Aphrodite en daarom een beeld van haar maakte. 
Ik heb het verhaal misschien niet helemaal goed verteld. Want nu lijkt het alsof er drie personages zijn: Pygmalion, Aphrodite en het tot leven gewekte beeld. Maar zo is het niet. Ze zijn alle drie één en dezelfde persoon.
Toegepast op de roman betekent dat dat de schrijver, de personages en de roman samenvallen. Het beeld dat de schrijver tot leven wekt, is de werkelijkheid die hij verbeeldt en tegelijkertijd is hij het zelf.

La Superba is een prachtige roman. Bij vlagen is het boek hilarisch: er zijn verschillende passages waarom ik heb moeten grinniken. Soms zit het in kleine dingetjes, zoals wanneer de dichter voor Rashid wat te eten besteld heeft:
Hij at als een hond. Hij at als iemand die al een week niets had gegeten. Waarschijnlijk had hij al een week niets gegeten.
'Ik heb al een week niets gegeten, Ilja.'
Op het eerste gezicht lijkt het boek te bestaan uit verschillende brokken: het verhaal van de koop van het theater lijkt in het begin geen verband te houden met dat van het mooiste meisje van Genua of met het gevonden been of met de travestieten. Maar aan het eind blijkt de schrijver alle lijntjes stevig in zijn vuist geklemd te hebben. In zijn losheid is La Superba een hecht gecomponeerde roman.

Stilistisch is het boek ook een genot. Pfeijffer houdt van het grote gebaar en af en toe pakt hij flink uit. Homerische vergelijkingen komen we in de hedendaagse literatuur niet veel meer tegen, maar Pfeijffer schrikt er (terecht) niet voor terug:
En dan die naam. Wie ter wereld wil niet wandelen door Vico Amandorla? Het is een naam die geurt als een belofte, zacht als marsepein, gerijpt als likeur op vergeten vaten, in de kelder van een verafgelegen klooster waar de laatste monnik twintig jaar geleden op een namiddag is gestorven met een onschuldig kindergebedje op zijn lippen in de kloostertuin, in de schaduw van de amandelboom, gelukkig als een man na een rijke maaltijd met dierbare vrienden. Zeg de naam zacht als je bang bent en je zult niet meer bang zijn. Vico Amandorla.
Zo hebben we ze sinds Komrij niet meer gelezen. Nog maar eeentje:
De zondag was over Genua gevallen. De stad lag erbij als een vrouw met een zware verkoudheid die besloten had een dag in bed te blijven. De kussens klam, het onderlaken gekreukeld, het dekbed gedraaid in de overtrek, maar ze had de kracht niet om het bed te verschonen of op te maken. Felle zon scheen door de vitrage op haar snotterige hoofdje. Ze draaide zich om en sloot haar ogen. De vuile vaat van gisteren stond nog op het aanrecht. Haar gevaarlijke avondjurk lag in een hoek van de kamer. Vanavond zou ze niet dansen en ruisen onder de hongerige blikken van de nacht. Zuchtend strekte ze haar arm naar het halflege pakje sigaretten op het nachtkastje en naar de aansteker. Na twee trekjes drukte ze de sigaret uit op het schoteltje van haar kopje lauw geworden thee. Niets smaakte haar vandaag. Het was warm, ondraaglijk warm. Ze schopte het dekbed half op de grond en viel toen in slaap. Ze droomde over niets in het bijzonder. Ze droomde grijze, slepende dromen als een taaie, kleverige film en ze zou zich er niets van herinneren. Toen ze wakker werd, was het avond. Maar ze voelde zich niet beter. 
Twee bladzijden verder fantaseert de dichter over een meisje: 'Over hoe van dichtbij, en wat onder al die kleren, en hoe ze zou zuchten en haar arm zou uitstrekken naar het halflege pakje sigaretten op jouw nachtkastje.'

Over Genua wordt net zo gefantaseerd als over het meisje en je zou evengoed kunnen zeggen dat alle personages een metafoor zijn voor Genua als dat Genua een metafoor is voor alle personen die de roman rondlopen.

Ik zeg het nog maar eens: La Superba  is een heerlijke roman. Natuurlijk vond ik, met de frikkerigheid mij eigen, toch nog een vliegenpoepje. Twee keer laat Pfeijffer iemand gillen als een varken aan het spit. De ene keer (blz. 67) is het een biggetje, de andere keer (blz. 127) is het een speenvarkentje. Iemand kan wel gillen als een mager speenvarken, maar aan het spit plegen varkens niet te gillen. Zoals Jeroen Brouwers al opmerkte toen hij de dood vergeleek met een beeldschoon meisje: 'aan ieder meisje is wel iets' (Zonder trommels en trompetten).

La Superba is een beeldschone vrouw, ook al is er aan ieder meisje wel iets. Ze is 'zowel super als overmoedig, mooi en trots, aanlokkelijk en ongenaakbaar'. Ze is misschien wel gemaakt van hetzelfde spul als waar romans van gemaakt worden, maar dan wel op een superieure manier. Ook als we weten dat er veel onecht is aan deze vrouw, zullen we ons graag door haar laten verleiden. Wie meegaat met La Superba kan onvergetelijke uren met haar meemaken.  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen