woensdag 26 februari 2014

Graafschade (Peter Drehmanns)


In de brief die de uitgever meestuurde met de dichtbundel Graafschade, van Peter Drehmanns, staat dat Drehmanns leerling was op een katholieke jongensschool in Haelen (bij Roermond). Toen er een reünie was, besloot hij niet te gaan.

Eigenlijk heeft Drehmanns met Graafschade zijn eigen reünie georganiseerd. Voorin staat een tekening met daarop alle leerlingen in silhouët weergegeven. Elke leerling heeft een nummer, dat correspondeert met een gedicht. In de gedichten die volgen, portretteert Drehmanns zijn oud-klasgenoten. Waarschijnlijk zijn het gefingeerde klasgenoten, want achter in de bundel staat dat alle namen, behalve die van Drehmanns zelf, gefingeerd zijn.

In de gedichten laat Drehmanns de geportretteerden aan het woord. Ze vertellen voornamelijk wat ze na hun schooltijd hebben gedaan. Een paar reünisten halen herinneringen op aan hun schooltijd.

Eerlijk gezegd vielen de gedichten me niet mee. Je zou denken dat zoveel verschillende mensen moeten zorgen voor variatie in de gedichten: iedereen heeft immers zijn eigen stem. Maar dat is juist niet het geval. De meeste gedichten lijken erg op elkaar. Het zijn levensbeschrijvinkjes, waarbij er op taalgebied niet veel gebeurt.

Een voorbeeld:
Rob Brentjens (19)
Op de plek waar nu een warenhuis staat
waar men geuren voor vrouwen
riemen voor mannen verkoopt
daar deed ik de havo, het was een dependance,
ik studeerde af en nog eens af, opgeleid
tot leerkracht maar ineens werkend
als tractorenverkoper, een mooie job.
Er kwam een ommezwaai: schepen
voeren mijn leven in en uit, ik
was sluismeester, elf jaar lang. Intussen
betrok ik een huis langs de spoorlijn -
met zoon en dochter keek ik 's avonds
na het werk naar de treinen die almaar
voorbijgingen.
De zin 'schepen / voeren mijn leven in en uit' vind ik nog aardig en natuurlijk het kijken naar die voorbijrijdende treinen, die verlangen oproepen. Maar dat is wel weinig voor een gedicht.

Het gedicht over Drehmanns zelf is beter, wat logisch is. Er komen heel aardige formuleringen in voor, zoals: 'daarna groef hij tijdenlang / zijn eigen graf (drie dynastieën lang)' en 'gaande de jaren liet hij zijn leven / gecontroleerd uitbranden.'

Voor de rest sukkelt de bundel van gedicht tot gedicht verder. In elk gedicht staan hetzelfde soort zaken. Misschien is dat wel wat je voornamelijk hoort op een reünie en misschien dat Drehmanns er daarom ook van weggebleven is, maar dat levert geen goede bundel op. Ik moest me er echt toe zetten om steeds weer een nieuw gedicht te gaan lezen, dat bijna altijd weer net zo kleurloos was als het voorgaande.

Ik had de moed al bijna opgegeven, toen ik verrast werd door het slot van de bundel. De laatste twee gedichten, over de intussen overleden onderwijzer en over Nol Timmermans zijn verrassend fris.
Nol Timmermans (38)
Ik dacht ik word gewoon priester en ga naar 't seminarie en dien
de Heer en word gewijd en verspreid 't Woord en loop achter
een rouwkoets en sproei met een dooie egel op 'n stok heilig
bloed op een kist van kersenhout maar toen ging mijn pap
dood dus
en heel lang rook ik naar rundervet toen
en mijn wereld paste in een puntzak
patatmet en frikandelspeciaal was wat ik
te bieden had en de meisjes bleven
verrekte ver van mij en mijn handen
maar toen ging ook mijn mam onder de grond
liggen en
dacht ik er is gewoon meer tussen aarde en hemel en zo
en toen droomde ik ook nog dat ik wakker werd
tussen de krokussen als reizend koopman in barometers
en ja
ineens wist ik wat ik wilde
toen en nu: bijenhouder zijn
in een astronautenpak
en  de jeugd trakteren
op honing en voorhuid.
Kijk, dat is een persoon naar wie ik wil luisteren als hij praat. Hij heeft een eigen stem, hij klinkt als geen ander uit de klas van de jongensschool. Hij intrigeert: iemand die eerst naar het seminarie wil, later zegt dat de meiden toch wel van hem af blijven en aan het eind is er nog die voorhuid waarop hij de jeugd wil trakteren.

Van dit soort gedichten had ik er meer gewild in Graafschade, maar ik moet ze zoeken met een lichtbak en dan nog tref ik er maar een handvol aan. Hoogstens. Is dat genoeg? Mager is de oogst wel.

Al vaker heb ik geschreven dat een dichter het verdient om beoordeeld te worden op het beste wat hij geschreven heeft. Het beste in deze bundel is goed, maar het is wel weinig. Een strenge redacteur had Drehmanns eens goed achter de vodden moeten zitten en hij had geen genoegen moeten nemen met de oninteressante gedichten waarvan er veel te veel in deze bundel staan.

Kom op, Drehmanns, aan het werk! We willen je pas weer zien als je een bundel vol goede gedichten hebt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen