donderdag 20 februari 2014

De boekverkoper (Aan de deur 6)


Jan Siebelink schrijft in zijn violenboek over zwarte mannen die aan de deur kwamen om boeken te verkopen. Zo'n man kwam er ook bij ons, al heb ik er andere herinneringen aan dan Siebelink. In mijn herinnering was het maar één man, die verschillende keren langgekomen is, maar misschien was het elk jaar wel een andere man.

Mijn geheugen vertelt me dat ik de boekverkoper op zijn minst één keer heb meegemaakt aan de Merkenhorstraat, dus voor ik tien jaar oud was. Maar ik weet niet of ik mijn geheugen moet geloven; het vertelt me vaker dingen die achteraf niet blijken te kloppen. Maar ik zie de man binnenkomen door de voordeur en dat vond ik dat vreemd: niemand kwam daar aan de voordeur. Iedereen ging achterom, over de deel.

De man was gekleed in een zwart pak, met een zwarte, lange jas erover. Hij droeg een zwarte hoed. Mijn geheugen heeft daar een bolhoed van gemaakt, maar dat zal wel achteraf gebeurd zijn. Nu lijkt het me aannemelijker dat hij een gleufhoed op had. Hij had een grote koffer bij zich.

Zou hij met de auto gekomen zijn? Ik herinner me die auto niet. Met de fiets lijkt me onhandig, met zo'n grote koffer. Lopend misschien. Met de bus tot de bushalte bij Methorst en dan lopend de adressen af waar je een kansje hebt. Veel huizen zal hij overgeslagen hebben.

De man stapte de gang in en sloeg rechtsaf naar wat wij de keuken noemden. Dat was eigenlijk een vreemde naam, want we kookten er niet; dat deden we in 'de geut'. Het was de kamer waar we woonden en aangezien iedereen die ik kende in de keuken woonde (de kamer werd gebruikt bij verjaardagen en als er visite was), vond ik het indertijd niet vreemd dat deze ruimte de keuken heette.

De man schoof zijn koffer op de tafel en deed hem open. In de koffer zaten boeken. Dat was een heerlijkheid en ik moet met glimmende ogen gekeken hebben. Met boeken waren mijn ouders overigens niet kinderachtig. In mijn herinnering kregen we die geregeld.

Mijn vader had als kind veel boeken gehad. Daar waren nog weinig boeken van over. Ik herinner me Goof Bonk (van G. Roeland) en een boek over een bakkersknechtje, Herman van Dalen (van Francina), dat op het verkeerde pad dreigde te raken. Er waren ook boeken over Simon Gieke (van Mevahor), maar misschien waren die wel van mijn moeder. Het boek De Franse koopmanszoon (van J. Staal) was waarschijnlijk ook van haar en in ieder geval ook Keteltje in de lorzie (van Cor Bruijn). Ik geloof dat de boeken van mijn vader in de oorlog of vlak daarna verloren waren vergaan. Soms zei hij er een enkele zin over, met spijt in zijn stem.

In de koffer zaten uitsluitend verantwoorde boeken: prekenboeken vooral en kinderboeken van onverdacht christelijke snit. Mij schieten twee titels te binnen: Luyt Lievensz. de liedjeszanger (van H. te Merwe) en Lange Hans, de kleermaker van Middelburg van A.G. Eggebeen. Ik heb ze zowaar terug kunnen vinden. Maar in het boek van Te Merwe staat voorin de datum 14 juli 1971 en mijn adres: Schoolstraat 2. Dat is dus van later. En in Lange Hans zit een plakkertje van boekhandel Van Horssen in Barneveld.

Dat boek zal dus per post gekomen zijn. Elk jaar kregen we de catalogus Van Horssen, met boeken van uitgeverijen als De Banier en Den Hertog. Volgens mij kregen we later van Den Hertog ook een catalogus. Wellicht was dat behalve een uitgeverij ook een boekhandel. In mijn herinnering leken de aanbiedingsboekjes erg op elkaar.

Zo'n boekje bladerde ik altijd helemaal door en ik kruiste aan welk boek mij leuk leek. Bonisa, een kind uit donker Afrika (van M.A. Mijnders - van Woerden) bijvoorbeeld of Hij was van Gelders bloed (van Jac. Overeem). Ik weet niet of we elke keer als er een catalogus kwam een boek uit mochten zoeken, maar het kwam wel eens voor. Dan vulde mijn moeder de antwoordkaart in. De boeken werden per post bezorgd.

Lange Hans en het boek over Luyt Lievensz kan ik dus niet uitgezocht hebben bij de boekenman, tenminste niet aan de Merkenhorststraat. Wat ik dan wel uitgezocht heb, weet ik niet meer. Volgens mij kocht mijn moeder altijd wat. Ongetwijfeld omdat ze zelf van lezen hield, maar misschien ook omdat ze medelijden had met de man die met zo'n grote, zware koffer moest sjouwen. In mijn herinnering was het al een oude man, een jaar of zestig, schat ik, met een zachte stem. Hij was absoluut niet opdringerig. Een bescheiden man, lijkt hij me nu. Hij was zeker niet zo'n dwingende kraai als Siebelink beschrijft.

De man kwam ook nog toen we aan de Schoolstraat woonden. Ik heb slechts aan één keer een herinnering. Ik was toen al veel ouder en stond al voor de klas. Mijn moeder liet me een boek uitzoeken, maar er zat weinig bij van mijn gading. Ik was over de twintig en kinderboeken kwamen niet meer in aanmerking. Voor prekenboeken voelde ik niets. Ik koos daarom een boek van Jan Luyken: Jezus en de ziel, een facsimile-uitgave. Ik neem aan dat ik het wel gelezen heb, maar ik herinner het me niet. Het staat nog in mijn poëziekast, naast het ambachtenboek van Luyken, al bestaat het zielboek maar voor de helft uit poëzie.

Maar goed, toen ik twaalf was, heb ik Luyt Lievensz de liedjeszanger gekregen van mijn moeder en het zou zomaar kunnen dat mijn moeder dat bij de boekencolporteur heeft gekocht. Ik zal het wel meteen zijn gaan lezen. Het eerste hoofdstuk begon met 'Het was een late lentenamiddag in 1568.' Op de eerste bladzijde komt zelfs een 'Oom Teunis' voor, zie ik.

Aan het jaartal te zien zal het wel weer over Spanjaarden gegaan zijn. De Tachtigjarige Oorlog woedde nog volop in de kinderboeken die ik las. Ik kan er zo tien opnoemen, maar ik noem er eentje: De hooiplukkers van Lochem (van P. de Zeeuw J.Gzn.). Ik leende het van mijn neef, die ook Teunis heette. Omdat er meer Teunissen in onze familie waren, werd hij aangeduid met 'Teunis van tante Annie'.

Bij Luyt Lievensz zat ik meteen in de tijd van beeldenstorm (1566) en hagepreken, van mensen die vervolgd werden vanwege hun geloof, maar natuurlijk toch standvastig bleven, van verraad en geweld en van af en toe een beetje humor. De hoofdpersonen deugden altijd.

Het liedjeszanger boek eindigt als volgt:
"Oranje kàn het, Oranje zàl het - zei Lievensz. - Denk aan wat hij aan boord heeft gezegd! Maar niet Oranje in de eerste plaats. Dat weet de Prins zèlf ook. Wat staat er in zijn lied?
Oorlof mijn arme schapen
Die zijt in grooten noot.
Uw Herder zal niet slapen
Al zijt ghij nu verstroyt:
Tot Godt wilt u begheven..."
"God zal ons niet verlaten. Hij zal Zijn kerk, Zijn kinderen helpen. Dóór Oranje".
Van het dek klonken geluiden - een ogenblik hoorden de drie in de kajuit ernaar.
Toen zei Luyt - en het klonk als een gebed -:
"Mijn Schilt ende betrouwen
Sijt ghij, o Godt mijn Heer,
Op u soo wil ick bouwen..."  
Toen ik het boek uit had, wilde ik natuurlijk meteen de vervolgdelen lezen, Luyt Lievensz. de zwerver en Luyt Lievensz de strijder. Ik weet niet of het daar ooit van gekomen is.


Van een boekverkoper zoals ik mij die herinner, kon ik geen afbeelding vinden. Wel vond ik het plaatje hieronder, maar dat is uit een geheel andere tijd. Als iemand een geschiktere afbeelding heeft, hou ik me van harte aanbevolen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen