dinsdag 5 november 2013

Paren



In 1997 publiceerde Victor Vroomkoning de bundel Lippendienst, onder de naam Stella Napels. De gedichten stonden vol brute seks, die de ‘ik’ zich moest laten welgevallen: ‘Dat mijn oren grepen / voor zijn vuisten waren / als mijn muil zijn speen / kokhalzend molk, / begrepen?’

Naast deze gedichten vol storm, waren er ook windstille gedichten, met titels als ‘Hoogliedje’ en ‘Hemelvaart’: ‘Dat geen jakhals, geen vos mijn tuin / verniele, dat ik geur naar mirre en / laurier, dat mijn ogen duiven zijn, / mijn borsten tweelingwelpen, granaat- / helften mijn wangen, mijn flanken reeën.’

Niet alle gedichten waren even sterk, maar er zat lijn in de bundel en er stroomde een zekere gedrevenheid door de gedichten, die aangenaam aandeed. De afwisseling van gewelddadige seks met litanieachtige verzen intrigeerde.

Intussen zijn we heel wat jaren verder en opnieuw heeft Vroomkoning zich gewaagd aan gedichten over de lijfelijke liefde, met de bundel Paren.
Bijslaap


Je voelt het grommen aan je rug,
het schemeronweer boven zee
dat niet het land op wil.
Naast je uit de slaapzak
gaapt je blote wederhelft.


Een uur misschien lig je er
wakker van tot zij ontwaakt.
Is dat onweer? vraagt ze lauw.
Schichten schieten door ons
heen waarna het tot bedaren komt.

Het begin van dit gedicht bevalt me: het onweer gromt, maar het lijkt of er ook in de ik-figuur iets zachtjes gromt. Zoals het onweer zich inhoudt, zo bedwingt ook de ik-figuur zich. Pas in de tweede strofe komen ze allebei tot ontlading. 

In tien regeltjes is dit een aardig gedicht, met enkele woorden die terloops wat extra lading meekrijgen; ‘lauw’ bijvoorbeeld. Maar die ‘blote wederhelft’ is me te slap, te clichématig.

Dat is het probleem bij deze bundel: er staan wel fraaie zinnen in, maar weinig goede gedichten. Bovendien zijn enkele gedichten uitgesproken slecht, zoals de parodie op het beroemdste gedicht van Nijhoff: ‘Ik ging te drommel! om háár terug te zien’, waarvan eigenlijk alleen de slotregel goed is.

In het grootste deel van Paren gaat het over een ‘ik’ en een ‘jij’, soms over een ‘zij’ en een ‘hij’ of een ‘ik’ en een ‘zij’. Een enkele keer over een ‘jij’ en een ‘zij’, die vreemd genoeg wel ‘wij’ worden genoemd: ‘We kunnen soms uren zo liggen / jij met je duim in haar schede / zij haar palmen als een netje om je ballen’.

Tijdens het lezen wil de bundel, mede daardoor, maar moeilijk een geheel worden. Het blijft een verzameling gedichten over hetzelfde onderwerp. In Paren zit minder lijn dan in Lippendienst.

Inhoudelijk passen alle gedichten in de bundel, maar sommige gedichten lijken alleen maar opgenomen vanwege de thematiek. Ze vertellen bijvoorbeeld een anekdote, maar stellen als gedicht niet zoveel voor. Een woordspelinkje (de diender die haar had gepakt) moet het gedicht dan nog een beetje redden, maar dat lukt niet.

Soms haalt Vroomkoning zijn eigen vondsten onderuit. ‘Wintermiddag’ begint met: ‘Vrij me nog ’s op, vroeg ze, pook mijn lijfje / nog ’s warm.’ Dat poken vond ik wel beeldend, maar verderop staat ‘dat zij heet genoeg geworden was’. Alsof Vroomkoning nog eens moet uitleggen wat hij met dat oppoken bedoelt. Je kunt dan alleen nog maar zuchten: ‘Jahaa, dat snapten we al.’

Gelukkig zijn er ook zinsneden die het wel blijven houden: ‘als we ons – navel aan navel - / in de vrij zetten’ of ‘de voering van haar lijf’ of ‘we streden tot we jankten van overgave’.

Maar gemiddeld genomen is Paren een zwakke bundel van een dichter die toch al heel wat moois geschreven heeft. Hopelijk kan hij ook dat kunstje nog.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen