zondag 17 november 2013

Mensen die je misschien kent


Voor op de debuutbundel van Frouke Arns treffen we een huiselijk beeld aan. Onder de titel, Mensen die je misschien kent, staan twee schoenen op een radiator. ‘Gymschoenen’ noem ik die nog altijd, omdat ik dit soort schoenen, in het blauw, vroeger aan had bij de gymnastieklessen. Intussen zullen ze wel anders heten.

Die huiselijkheid, die alledaagsheid, is kenmerkend voor veel gedichten van Arns. Ze gaan over dingen die we in ons gewone leven mee zouden kunnen maken: een konijn dat doodgaat; een feestje waar alleen buiten gerookt mag worden; wat je ziet vanuit de trein; een man die een plein oversteekt.

Het zijn aardse gedichten, die niet zweven, die niet fladderen, maar naast je door de stad lopen, in gymschoenen bijvoorbeeld.
Het zou Venetië kunnen zijn

Weer gedroomd van roedels wolven,
hondsvermoeid mee opgestaan. Deze dag behoeft
een zonsverduistering.
Alles wordt in stelling gebracht: koopwaar
met de beste kant naar boven, straten schoon,
geluid gedempt. Iemand roept iets, gaat verloren
in de schittering van het water.

Zijn je nagels rood gelakt, ook je tenen,
je weet maar nooit wanneer het treft.
Onder de stolp ben je veilig en aan een beetje
honger heeft nog niemand zijn tong verbrand.
Glasmannen stoken de ovens op, uit zand
en vuur dienen wonderen geblazen:
kleine zwanen, schuwe katjes,
vazen voor één roos.

Tijdens het lezen van dit gedicht moest ik denken aan ‘Changement de décor’ van Ellen Warmond; ook een gedicht over het begin van de dag. Misschien zag ik daardoor bij het in stelling brengen uit de eerste strofe een bijna militaire handeling voor me; misschien ook roept ‘Het zou Venetië kunnen zijn’ dat zelf op. 

Wat beschreven wordt in de eerste strofe, lijkt fraai: koopwaar (ik moest aan fruit denken) dat er goed uitziet, schone straten, schitterend water.

Maar daaronder woelt wat. De koopwaar heeft ook een andere kant die wij niet zien en de nacht voor deze dag bracht roedels wolven. Het zal vandaag niet vanzelf spreken; de ‘je’ moet zich bewapenen. De nagels gelakt dus, zodat de kans groter is dat je opvalt, dat je iemand treft.

Ziet de ‘je’ de ‘glasmannen’ als ze met haar roodgelakte nagels de deur uit gegaan is? Misschien wel. De mannen werken met vervaarlijk warm gestookte ovens. Stoere arbeid, dat breekbaar glaswerk oplevert, waarvan de kwetsbaarheid benadrukt wordt door de vorm: kleine zwanen, schuwe katjes, vazen voor één roos.

Arns brengt niet het verband aan, maar zet al die dingen alleen maar na elkaar. Als vanzelf gaan ze op elkaar reageren. De stoere glasmannen laten zich vergelijken met de zelfbewuste vrouw met rode nagels. En daardoor weten we ook hoe ze zich werkelijk voelt: een schuw katje.

Misschien is de ‘iemand’ uit de eerste strofe ook wel zo’n spiegelfiguur: hij of zij valt weg tegen de schittering van het water. Ondanks dat en ondanks de moeheid die er bij het begin van de dag al is, gaat de vrouw op pad. Het schuwe katje laat haar nagels zien.

Het lijkt bijna niks: gewoon de straat op gaan, maar het krijgt door de setting iets dappers. Het is een daad geworden.

Dat is mooi gedaan door Arns en dan vergeef ik haar dat ‘hondsvermoeid’ zo vlak na die wolven, al staat de nadrukkelijkheid van dat woord me wel in de weg.

Zo vergaat het me in veel van de gedichten van Frouke Arns: je merkt dat ze een dichteres is die veel kan; ze neemt scherp waar, formuleert nauwkeurig. Sommige zinnen zijn voluit raak, zoals deze: ‘Ontwaken in bedden die kraken / fossielen van laken in de huid.’ Aan die fossielen zal ik nog vaak terug moeten denken als ik bij mijzelf of mijn lief de vouwen van het laken op de huid terugvind.

In Mensen die je misschien kent staan ook mindere gedichten. Van een gedicht als ‘Woorden proeven’ snap ik niet hoe een redacteur dat heeft kunnen opnemen; enkele andere gedichten zijn me net te slap, te weinig geconcentreerd.

Arns toont verschillende keren de neiging om aan het eind van het gedicht nog even een wendinkje aan te brengen. In bijvoorbeeld ‘Midleven’ wordt een feestje beschreven van mensen in de leeftijd die het gedicht al aangeeft: ‘De keuken is een slagveld van gebloemde vrouwen / met rode laarsjes en lippenstiftresten op hun tanden.’ Bij het zien van de jassen die in de gang op de grond liggen denkt de ‘ik’: ‘laat mij / er even op slapen, voordat het begint te dagen.’

Daar hebben we het wendinkje en het werkt hier aardig. Dat ‘dagen’ kan verwijzen naar het begin van de dag, maar ook naar het inzicht dat doordringt, waardoor de ‘ik’ ziet hoe haar ‘midleven’ eruitziet. Maar als zo’n wending in verscheidene gedichten voorkomt, gaat wel de verrassing er wat van af.

Een dichter heeft het recht om beoordeeld te worden op het beste van zijn werk en bij Arns is dat wel in orde. Ik wens haar een strenge redacteur toe, die het beste uit haar en haar gedichten naar boven haalt. Niet omdat Mensen die je misschien kent niet goed genoeg is, maar omdat ik vermoed dat Frouke Arns nog meer kan. Dat zal ze in haar volgende bundel moeten laten zien.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen