maandag 8 juli 2013

Om te janken zo mooi


De doden zijn overal. Ze zitten achter een krant in de trein die ze bij hun leven nooit genomen hebben; ze kuchen vanachter een plant in een restaurant; ze neuriën door Bach heen. En in je dromen komen ze voorrijden en stappen energiek uit hun auto.

Maarten van Roosendaal is nog maar pas overleden en hij is aanweziger dan ooit. Op de radio hoor ik zijn liedjes vaker dan een paar maanden geleden. Gisteren vertolkten Keetje en Ko een lied van hem bij Dante in de Kuil en in de boekhandels kijkt hij me aan vanaf de voorkant van het boekje Om te janken zo mooi. 

Dat boekje was het laatste project van Van Roozendaal, nog net voor zijn dood afgerond. Een aantal schrijvers en een enkele beeldend kunstenaar vroeg hij te reageren op een van zijn liedteksten. Het mocht geen in memoriam worden en verder waren de medewerkers vrij. Als ze maar opschoten; de tijd drong.

Het zijn niet de eersten de besten die meegewerkt hebben aan Om te janken zo mooi. Een greep: Manon Uphoff, Désanne van Brederode, Menno Wigman, Sanneke van Hassel, Neeltje Maria Min en meer nog - achttien stuks, meneertje! En dan heb je natuurlijk nog de achttien liedteksten van Maarten van Roozendaal, die ook opgenomen zijn.

Het is interessant om te zien hoe de verschillende schrijvers het aangepakt hebben. Rick de Leeuw nam 'Postbode' en schreef een liedtekst over hetzelfde gegeven, maar nu vanuit een ander perspectief. Thomas Verbogt schreef een soort 'Judith' in proza, waarbij het hem lukt om hetzelfde misluktheidsgevoel op te roepen als Van Roozendaal deed in zijn tekst. Peter van Straaten vatte 'Maaltijd' in een tekening.

Joost Zwagerman schreef een persoonlijk stuk over de kraaktijd van Maarten van Rozendaal, waarbij we ook nog een decor bij het schrijven van De buitenvrouw meekrijgen. A.L. Snijders vertelde hoe een enkel zinnetje van Van Roozendaal hem ooit getroffen heeft.

En er zijn schrijvers die helemaal hun eigen gang gaan en een flinke draai aan de oorspronkelijke tekst geven. Désanne van Brederode bijvoorbeeld, die een wonderlijk verhaal schreef over een kunstenaar die zo geobsedeerd was door zijn hart, dat hij het buiten zijn lichaam ging dragen. Of Neeltje Maria Min en Joke van Leeuwen, die tot prachtige gedichten gekomen zijn. Van Leeuwen schrijft onder anderen:
We waren een menigte op een plein.
We verstonden onszelf niet meer.
Je hoeft zo'n strofe maar te lezen, of je krijgt er journaalbeelden bij.

Enkele namen wil ik toch nog even noemen. Jan Rothuizen maakte naar aanleiding van 'Lijn 17' een combinatie van een tekening en een gedicht. Het zijn maar een paar regels, maar ze zijn precies raak. En Bernard Wesseling schetste een journalist in een kroeg met markante figuren. Zijn 'Het heenkomen' is grappig en tragisch. Maar vooral heeft het een vertelstem waaraan je je moeilijk kunt onttrekken.

Manon Uphoff sluit het boekje af, met een stukje over haar overleden ouders die haar in haar dromen bezoeken. Ze wijst hun de deur en dat zit haar toch niet lekker.

Zo gaat dat. Doden zijn niet kapot krijgen. Ze komen aanwaaien en als ze binnen zijn, krijg je ze niet meer weg. Zo zal het ook gaan met Maarten van Roozendaal. Hij zal, welkom of niet, ons nog vaak bezoeken. Misschien maar eventjes. En daarna gaat alles weer verder. Alsof er niets is gebeurd.

Om te janken zo mooi is verschenen bij Nieuw Amsterdam. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen