maandag 10 december 2012

Loreley



Herfstelijk
Lieveling, kus mij nu zachter
om wat de bomen openbaren,
die net als ik, maar ondoordachter,
gouden illusies laten varen.
Lieveling, en versta mij teder.
Mijn hart wordt kwetsbaar als een vlinder.
Het strijkt zo trillend naast je neder.
Het ademt nog, maar telkens minder.
De kaars brandt in de kandelaber
het laatste gouden liefdesuur.
O, kijk niet naar de danse macabre
van onze schaduw op de muur,
nu ik een breeklijkheid benader,
die ik alleen niet meer verduur.

Dit is een gedicht van Harriet Laurey, wier naam, volgens Wikipedia, ook wel als Harriët Laurey wordt geschreven. Het gedicht komt uit de bundel Loreley, die in 1952 als nummer twintig in de Windroosreeks verscheen. In 1953 moest de bundel herdrukt worden en in 1954 kwam er een derde druk. In datzelfde jaar verscheen de tweede dichtbundel van Laurey, Oorbellen. Dat zou meteen haar laatste bundel zijn.

Wel schreef Laurey nog enkele tientallen kinderboeken, waaronder ook bundels met versjes voor kinderen. Poëzie voor volwassenen zou ze niet meer schrijven. Ik meen me te herinneren dat er over Laurey iets geschreven is in het boekenweekgeschenk Even geduld a.u.b. (uit 1977), maar ik weet niet waar ik het boekje heb en kan het dus niet nakijken.

Op het gedicht hierboven is wel het een en ander aan te merken. Een dichter moet altijd voorzichtig zijn met woorden als 'Lieveling', 'zachter', 'teder', 'kwetsbaar'. Het zijn woorden die het altijd wel doen, die gemakkelijk inspelen op het gevoel, maar die je vanwege dat gemak misschien wel moet vermijden.

De 'gouden illusie' in regel 4 kan misschien nog, vanwege de goudkleurige bladeren die de bomen laten vallen, maar zo'n 'gouden liefdesuur' kan ik niet anders dan als een cliché zien en die 'kandelaber' zal ook in 1952 waarschijnlijk al archaïsch geweest zijn. Ik vermoed hier rijmdwang.

Hoewel Laurey meer van dit soort gedichten opnam in Loreley werd de bundel een succes. Misschien komt dat doordat je zo gemakkelijk kunt meevoelen met de dichteres. In veel gedichten gaat het over het verlies van een (ge)liefde en ik denk dat lezers dat lekker zielig vonden.

Verder maakt Laurey het de lezers niet al te moeilijk. Het gedicht 'Het IJ en ik' begint bijvoorbeeld als volgt:
De witte boten op het IJ
met vlag en wimpel neergestreken,
ik raak er niet op uitgekeken,
ik ben een witte boot als zij.
Die vierde regel bederft veel. Het gedicht was sterker geweest als de dichteres gewoon de 'boten' had laten zien op een manier waarop wij, de lezers,  wel hadden moeten denken: eigenlijk gaat het over haarzelf. Nu ze dat expliciet maakt, hoeft de lezer niets meer te doen dan het handje van mevrouw Laurey vasthouden.

Maar het is niet eerlijk om alleen maar te wijzen op dingen die niet deugen, want er staat ook veel moois in Loreley. Dat begint al in het openingsgedicht, dat eindigt met de regels
Je moest je maar weer kinderharen knippen
en nooit meer zó ver uit verlangen gaan.
Eerder in het gedicht kwam wel een regel met  'glinsterende wimpers' voor, waarin de tranen nog net niet genoemd worden, maar het is allemaal aardig expliciet. Iemand staat voor de spiegel en constateert dat de dromen ze heeft nagejaagd niet uitgekomen zijn. En dan komen de twee geciteerde regels, met daarin de wens om de tijd terug te draaien. En hier legt Laurey niets uit, maar gebruikt ze een fraai beeld ('weer kinderharen knippen'). Ook de slotzin is raak. Zowel het verlangen als het ver van huis raken zingen erin mee.

Dat soort zinnen treffen we meer aan. Bijvoorbeeld: 'kam nu de treurnis uit mijn hangend haar', waarbij dat 'hangend' functioneel is. Hier waren krullen niet passend geweest. Of een zin als: 'Er is overal eeuwigheid op til.' Die 'eeuwigheid' kan een zin zwaar maken, maar het spreektalige 'op til' houdt het (ver)draaglijk.

Er zijn nogal wat gedichten waarin de ik zich identificeert met een dier ('De muilezel', 'De schildpad', 'De oester', 'De slak', 'De leeuwin'). Die gedichten zijn ook in de ik-vorm geschreven. Gedichten als 'De meeuwen' en 'Giraffen' zijn dat niet, ook al vanwege het meervoudige, vermoed ik, en de ik-figuur wordt niet genoemd. Maar ze is wel aanwezig. Ze spiegelt zich aan de dieren, vereenzelvigt zich ermee of zou willen zijn als zij.

Fraai is ook een gedicht over een sneeuwpop dat eindigt me deze strofe:
En 't sneeuwt zó los. Maar ik ben vastgevroren
en straks, met heel het plein alleen gelaten,
niet eens meer sneeuw, niet eens meer helder water...
Bladerend door de bundel, kom ik verschillende gedichten tegen die ik net niet goed vind. En gelukkig ook gedichten waarbij ik geen voorbehoud hoef te maken. Ik merk dat ik, ondanks bezwaren, sympathie heb voor het boekje. Misschien wel door het directe dat de gedichten hebben en ongetwijfeld ook door de eigen toon die Laurey in 1951 toch al had.

Intussen is ze in het stof van de literatuurgeschiedenis verdwenen, vermoed ik. Dat geeft niet, maar het zou toch mooi zijn als er zo heel af en toe nog iemand was die een gedicht van Laurey las en dat wel mooi vond. Dit bijvoorbeeld:
De schildpad
Het veld is eeuwig en de groene sla,
waaraan ik knaag met d'onaandoenlijkheid,
waarmee de tijd knaagt aan de eeuwigheid,
zo traag en zeker als ook ik besta.
En alles, wat ik verder onderga,
langzaam gevreesd heb en langzaam gewild,
slaapt nu al honderd jaar onder mijn schild,
en nu al honderd jaar droom ik het na.
Onder de dieren maar een paria,
omdat ik niet kan in de hemel kijken,
geen verten en geen hoogten kan bereiken,
weet ik nochtans, wat ik alleen versta:
Buiten mijzelf is er geen vergelijk en
het veld is eeuwig en de groene sla.




Harriet Laurey overleed in 2004, 79 jaar oud.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen