zaterdag 13 april 2013

Vatbaar licht



In de dichtbundel die nu naast mijn toetsenbord ligt, tref ik aan: 'gelaat', 'aaneengesmeed', 'met loden tred', 'ontdierbaard', 'een schimm'ge ruimte', 'krenken', 'ontloken', 'vlieden heen'. Het zijn woorden die we verwachten aan te treffen in een bundel uit de negentiende eeuw, maar ze staan in Vatbaar licht van Mirjam Leloux, een bundel die in 2012 verscheen. 

Leloux heeft een voorkeur voor klassieke vormen. Veel van haar gedichten hebben eindrijm, een strak metrum en zijn opgebouwd in kwatrijnen. Rijm en metrum hanteert ze vaardig, waarbij ze een voorkeur heeft voor een metrum dat in drieën gaat, zoals de dactylus of de amfibrachys. Door rijm en metrum lezen haar gedichten gemakkelijk en ik kan me voorstellen dat mensen dat aangenaam vinden. 

Mij stond het archaïsche woordgebruik nogal tegen. Ik vermoed dat Leloux dat nu juist dichterlijk vindt. Blijkbaar heeft ze de opvatting dat een dichter niet de gewone woorden mag gebruiken. Veel van haar gedichten klinken dan ook gedragen, verheven. Voor mijn gevoel ronken ze daardoor nogal en in het slechtste geval geeft het iets potsierlijks. 

Ik las bijvoorbeeld de volgende strofe:
wakende wachters onzichtbaar ze staan
rondom de stervende want hij mag gaan
strelen heel even zijn bevende vlees
ketenen teder zijn levende geest
Het valt op dat Leloux geen hoofdletters en geen leestekens gebruikt (op twee komma;s na, op pagina 13 en pagina 27 ). Meestal voegt dat niets toe en is het alleen maar onhandig.

De woordvolgorde is onnatuurlijk. Dus niet: 'Wakende wachters staan onzichtbaar rond de stervende', maar 'wakende wachters onzichtbaar ze staan / rondom de stervende'. Zo schrijft ze ook 'een moeder bemind' in plaats van 'een beminde moeder'.

Ze maakt overvloedig gebruik van assonantie: in de laatste twee regels hebben alle woorden op twee na een e-klank. Ook dat doet ze vaker. In het gedicht 'uitgesloten' telde ik dertien ui-klanken in tien korte regeltjes. Een assonantie kan door de klank woorden met elkaar verbinden (Leloux zou zeggen: 'aaneensmeden'), maar hier wordt de lezer doodgegooid met klanken.

Verder gebruikt Leloux woorden die eigenlijk onbruikbaar zijn in gedichten: 'strelen', 'bevende', 'teder'. Het zijn 'effectwoorden', die een gedicht kitscherig maken als je ze niet een nieuwe lading mee weet te geven. Leloux gebruikt ze onbekommerd. In een ander gedicht schrijft ze: 'mijn vingers hechten tederheid aaneen, / ontwarren behoedzaam de knopen / mijn lippen zo zacht / ze proeven ze / langs'. Daar hebben we ze weer: 'tederheid', 'behoedzaam', 'zacht'. En dan natuurlijk het archaïsche 'aaneen'.

Ook heeft Leloux de neiging woorden toe te voegen die de betekenis moeten versterken, maar dat  niet doen: 'heel devoot', 'heel dreigend', 'hij brak volledig'.

Sommige strofen zijn onbegrijpelijk:
zijn woorden verlaten als kogels zijn mond
en kaatsen hol ratelend tegen de grond
ik pak ze vergruizend tot giftig grijs gruis
en achter mijn rug balt één hand zich tot vuist
 Woorden als kogels, daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Daar kun je pijnlijk door getroffen worden. Maar deze woorden treffen geen doel, ze 'kaatsen (...) tegen de grond'. Kaatsende kogels ken ik niet. Ketsen zou misschien nog kunnen. En dan ook nog kaatsen met hol geratel!

Wat doet de ik met deze opspringende kogels? Ze pakt ze, met één hand, want de andere heeft ze op haar rug. Waarom iemand een hand op zijn rug tot een vuist balt is mij onduidelijk, ook waarom iemand tegelijk een vuist wil ballen en kogels wil pakken.

Nog wonderlijker is dat die ik, terwijl ze kogels pakt en een vuist balt, vergruist. En ze vergruist niet zomaar, ze vergruist tot gruis! Tja.

Staat er dan niets goeds in de bundel? Een goed gedicht is er in Vatbaar licht inderdaad niet te vinden. Maar -vooruit- naar twee regels wil ik nog wel terugbladeren:
graatarm en kaal en vol zweren
rotsen graniet puin scheef land
Daarin staan twee dingen die me wel aanstaan 'graatarm' en 'scheef land'. Dat is weinig. Te weinig.

donderdag 11 april 2013

Ik kreeg het op mijn hart




Wel eens bij een 'ieder-heeft-iets-dienst' geweest? Ik niet. Ik had zelfs nog nooit gehoord van zo'n dienst. Maar ik ben dan ook niet opgegroeid in een evangelische kerk. Daar hebben ze zoiets, leerde ik van Maarten Vermeulen, die het boekje Ik kreeg het op mijn hart schreef.

In dat boekje legt hij termen en uitdrukkingen uit die gebezigd worden door evangelicalen, zoals 'een gebedskoepel plaatsen', 'onder de bedekking van de zalving komen', 'in het vlees schieten', 'een knoop in je gebedsleven', 'hemelse gewesten', 'soaken'. Daartussendoor behandelt hij ook lemma's die niet typisch voor evangelischen zijn, zoals 'de bediening van het avondmaal' en 'een mishagen aan jezelf hebben'. Die laatste uitdrukking zou zelfs prima passen in een boekje over 'de tale Kanaäns', de geheimtaal die in traditionele orthodoxe kerken gesproken wordt.

Over die tale Kanaäns is al heel wat geschreven. Het standaardwerk is De weg in woorden (1972), van dr. C. van de Ketterij. Over de taal in evangelische kerken is mij geen boek bekend, maar eerlijk gezegd heb ik de publicaties daaromtrent niet bijgehouden.

Het boek van Vermeulen is zeer humoristisch. Een van de hoogtepunten is de bijgeleverde poster, met een beschrijving van de houdingen die men tijdens de kerkdienst kan aannemen, zoals de bungeejumper, de pinguïn, de taartdraagster. Als je die poster eenmaal goed bekeken hebt, kun je de zangers alleen nog maar zien als stereotiepen.

Vermeulen presenteert zichzelf als buitenstaander, die scherp oplet en zich geregeld verbaast over wat hij ziet en hoort. Ook geeft hij wel zijn oordeel. Zo heeft hij kritiek op voorgangers die hun preek niet voorbereiden en ook nog schaamteloos zeggen: 'Toen ik vanochtend hier naartoe reed, had ik nog geen idee waar deze preek over zou gaan.' Of in dit zinnetje: 'Ook erg: tijdens het zingen van een lied zwaaien met een denkbeeldig (tweesnijdend) zwaard.'

De ironische toon overheerst en die houdt Vermeulen het hele boekje vol. Dat betekent dat hij behoorlijk wat afstand neemt. Bij het lemma 'in de genade gaan staan' vraagt hij zich bijvoorbeeld af: 'krijg je het wel van je schoenen?' Tegelijkertijd laat hij merken dat hij geen buitenstaander is, maar aardig wat van dit soort diensten heeft meegemaakt, waarbij hij heeft meegezongen en meegebeden.

Dat geeft Ik kreeg het op mijn hart wel wat tweeslachtigs. Je vraagt je af hoe serieus de schrijver zijn onderwerp neemt. Aan de andere kant is het wel verfrissend om iemand vanuit de groep zelf te horen, die de eigen opvattingen en gedragingen kan relativeren.

Veel dingen zijn scherp waargenomen, zoals het dwingende gebruik van het werkwoord laten ('laat ons bidden', 'laten we onze dank tot uitdrukking brengen in de collecte'). Dat hij daarbij de uitdrukking 'de laatsten zullen de eersten zijn' als illustratie geeft, snap ik dan weer niet. Ook heeft hij het ergens over een bijbelvertaling uit 1953. Ik denk dat hij in de war is met de watersnood.

Er is een facebookpagina aangemaakt waarop mensen nog meer uitdrukkingen kunnen plaatsen. Een leuk idee, maar het loopt nog niet zo hard.

Als voorproefje van Ik kreeg het op mijn hart: het eerste lemma:
Een fijne preek
De oliespuit na afloop van elke kerkdienst: 'fijn'.
'Het was een fijne dienst', 'wat een fijne preek' en 'fijne zondag nog' behoren tot het standaardvocabulaire van elke gelovige (zeker als de voorganger gewend is het volk bij de uitgang een hand te geven). Ook ontmoetingen tijdens het koffiedrinken achteraf worden ermee gered: je hebt eigenlijk niets te zeggen, maar vindt elkaar in de constatering dat het 'fijn'is. Overigens lijkt 'fijn' terrein te verliezen op 'mooi'.
Wat betreft vragen van mensen die de dienst niet hebben bijgewoond en willen weten hoe het was, volstaat 'goed'. Een betekenisvol knikje erbij en iedereen is tevreden (verwar 'goed' niet met 'leuk', want dan valt er heel wat uit te leggen). 



dinsdag 9 april 2013

Dorst


Van Esther Gerritsen las ik De kleine miezerige god en Dorst. Met plezier. Over dat laatste boek schreef ik hier. Aangezien ik het boek als huiswerk opgegeven heb voor een workshop, heb ik het maar eens herlezen. Daarbij heb ik me niet verveeld, ik heb geen bladzijden overgeslagen, van mijn waardering is niets verdwenen.

Waarover het boek gaat, zal intussen iedereen wel weten: over Elizabeth, die te horen heeft gekregen dat ze ongeneeslijk ziek is, en haar dochter Coco, die besloten heeft om bij haar moeder in te trekken. In het verleden is er het een en ander tussen moeder en dochter voorgevallen, dus er is nog wel wat om uit de weg te ruimen.

De titel komt één keer voor in het boek. Coco merkt pas dat ze dorst heeft, als ze water gaat drinken. Je zou, als je het breder trekt, kunnen zeggen dat iemand zich pas bewust wordt van zijn verlangen als dat verlangen vervuld wordt.

'Dorst' lijkt me ook te slaan op de onmatigheid van Coco. Ze zegt ergens: 'Ik hou van niets bijzonders maar van veel van iets.' Als ze begint te drinken, drinkt ze door; als ze gaat eten, kan ze niet meer stoppen; seks vraagt om meer seks. Daardoor is ze verschillende keren dronken of op zijn minst aangeschoten in het boek, laat ze zich gaan in vrijpartijen en is ze dik geworden van het vele eten.

Dat Coco alleen maar meer wil, heeft misschien wel te maken met het tekort uit haar jeugd. Elizabeth sloot haar dochter op in haar kamer, waarmee ze letterlijk een scheiding aanbracht tussen zichzelf en Coco. Eigenlijk kon Elizabeth er niet een kind  bij hebben; ze werkte zeven dagen per week. Haar werkgever zegt dat ze ook minder had kunnen gaan werken. 'Jij vond het fijn dat ik altijd kon', zegt Elizabeth.

Zelfs als Coco het uiterste gedaan heeft om door haar moeder gezien te worden, reageert Elizabeth eigenlijk niet: ze gaat niet mee naar het ziekenhuis, maar gaat de troep opruimen. Ze zegt dat ze wel erg geschrokken moet zijn, wat niet overtuigend klinkt.

Op verschillende plekken in Dorst wordt gesuggereerd dat Elizabeth autistisch is. Dat ontkent ze. Coco vraagt haar: 'maar zelf herken je je dus niet in het beeld van een autist?' Elizabeth antwoordt rustig: 'Ik kan me heel goed in een ander verplaatsen'.

Bij herlezing viel me op dat Esther Gerritsen meer uitlegt dan ik me na eerste lezing herinnerde. Zo worden er veel gedachten, van zowel Elizabeth als Coco, beschreven, die duidelijk maken waarom ze doen wat ze doen. Het mooie is, dat de personages zo gecompliceerd zijn, dat ze desondanks vragen blijven oproepen.

Dorst blijft voor mij een goed boek. Dat vinden meer mensen: intussen is het boek genomineerd voor drie prijzen.


zaterdag 6 april 2013

De zwarte met het witte hart (Knipoog 19)

Op 31 maart 2013 werd de documentaire De zwarte in het witte land uitgezonden (Holland Doc Radio), gemaakt door Floris Alberse. Hij trekt een tijdje op met de Surinaamse Nederlander Zawdie, die zich vaak niet thuisvoelt in Nederland.

Zawdie geeft daar aanvankelijk Nederland en de Nederlanders ('Hollanders') de schuld van. Maar is er ook iets in hemzelf dat maakt dat hij zich niet op zijn plek voelt? Zou Suriname wel een betere plek zijn? En wat als zijn vriendin dan niet mee wil?

De titel van de documentaire is een citaat uit een gesprek dat Floris en Zawdi hebben. Zawdi probeert uit te leggen hoe hij zich voelt en Floris vat dat samen: 'De zwarte in het witte land'. De zin lijkt spontaan ontstaan te zijn en niet vooraf bedacht. Hij geeft goed het probleem of in ieder geval de situatie weer.

Het is de vraag of Floris Alberse op deze zin was gekomen als het boek De zwarte met het witte hart er niet was geweest, geschreven door Arthur Japin. Japin schreef het boek over de broers Kwasi en Kwame, geboren in Afrika, opgegroeid in Delft. Een boek over je aanpassen en over je eigen identiteit behouden en wat dat dan is, zo'n identiteit. Kun je nog wel ergens bij horen, als je een verleden hebt als Kwasi? Het is een probleem dat eerder naar voren kwam in tal van romans, bijvoorbeeld in De redder van Afrika van Guus Kuijer.

Japins boek werd beroemd; het betekende zijn doorbraak. De titel is gemeengoed geworden en nu kan het dus zomaar gebeuren dat in een gesprek een variant erop opduikt.


Alleen maar nette mensen (Knipoog 18)



In NRC Handelsblad van 4 april, eergisteren dus, stond een artikel van Bas Blokker over minder populaire scholen in Amsterdam. Hij had eens een kijkje genomen op die scholen, die kwalitatief goed zijn maar niet zo populair, omdat ze bijvoorbeeld bekendstaan als ´zwarte´ scholen.

Het artikel begint met een impressie van Scholengemeenschap Reigersbos, in de Bijlmer. Daar gaat het er heel ordelijk aan toe en de kinderen groeten beleefd de leerkrachten. De conclusie staat als kop boven het artikel: 'Alleen maar nette kinderen'.

Dat is een mooie knipoog naar Alleen maar nette mensen, het succesboek van Robert Vuijsje, dat intussen ook verfilmd is. De hoofdpersoon komt uit een milieu van 'alleen maar nette mensen'. Hij heeft een fascinatie voor zwarte vrouwen met een grote boezem en een omvangrijk posterieur en die bevinden zich juist in een ander milieu.

Op het boek van Vuijsje kwam nogal wat kritiek en in mijn herinnering kwam die vooral van vrouwen. Het boek zou vrouwonvriendelijk zijn en racistisch. Ik moet weer zuchten als ik dit tik. Al op de eerste bladzijden wordt duidelijk dat Vuijsjes boek niet vanuit vooroordelen geschreven is, maar over vooroordelen gaat. Lees maar na.

Ook het artikel 'Alleen maar nette kinderen' gaat daarover: mensen hebben oordelen over scholen die ze niet baseren op bijvoorbeeld inspectierapporten, maar op een gevoel van onbehagen, ook als dat ongefundeerd is.

Omdat bij schoolkeuze een soortgelijke problematiek als bij Vuijsje speelt, is de kop van het artikel mooi gevonden. Vooral ook omdat Blokker de boel omkeert: in Vuijsjes boek zijn het de welgestelde blanken die zichzelf de nette mensen vinden; hier is het Blokker die concludeert dat er op de zwarte scholen die hij bezocht heeft alleen maar nette kinderen zitten.

Dat klinkt absoluut en natuurlijk weet Blokker ook wel dat er ook minder nette of minder gemotiveerde kinderen op die scholen zitten. Maar die nuance zou de kop bedorven hebben en dat zou jammer zijn.


woensdag 3 april 2013

Niet (dan) nadat

Vanochtend las ik in Ik kreeg het op mijn hart, het humoristische boekje van Maarten Vermeulen over kerktaal in evangelische kerken, het lemma 'Inzegenen':
Naast alledaags zegenen bestaat er ook inzegenen, een plechtige variant die niet zelden gepaard gaat met handoplegging, meestal op het hoofd. Bijvoorbeeld als iemand een taak op zich neemt als ouderling, oudste of voorganger, wordt hij of zij ingezegend (niet nadat er eerst antwoord is gegeven op een ellenlange vraag, vol bijzinnen, meestal uiteenvallend in drie deelvragen, die echter niet per stuk beantwoord moeten worden -oeps, van de zenuwen probeert een van de kandidaten dat toch- maar pas na de zin 'wat is daarop uw antwoord', waardoor de meeste mensen plompverloren 'ja' zeggen). 
 In de tweede zin vallen een paar dingen op. Ten eerste natuurlijk dat hij zo lang is, maar dat is opzet; Vermeulen bootst de lange, uit deelvragen bestaande zin bij de inzegening na.

Verder de zinsnede 'meestal op het hoofd'. Waar leggen ze bij die evangelischen de handen dan nog meer op? In de Statenvertaling las ik, in Genesis 24: 'Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.' Zou het zoiets zijn? En wat moet ik mij dan voorstellen bij 'onder de heup'?

En ten slotte: 'niet nadat'. Volgens Vermeulen wordt iemand niet ingezegend nadat hij antwoord gegeven op zo'n lange vraag. Wanneer dan?

Mij lijkt dat hier iets anders staat dan de schrijverd bedoelt. Hij had drie manieren om het goed te doen:
1. Iemand wordt ingezegend nadat hij een lange vraag heeft beantwoord.
2. Iemand wordt niet ingezegend voordat hij een lange vraag heeft beantwoord.
3. Iemand wordt niet ingezegend dan nadat hij een lange vraag heeft beantwoord. 
Wat Vermeulen gekozen heeft, heeft een andere betekenis dan de drie opties hierboven. Ik neem aan dat hij 'niet dan nadat' bedoelde in plaats van 'niet nadat'. Even zoeken op het wereldwijde web leert mij dat dat vaker fout gaat.

Het gaat trouwens ook vaak goed. 'Niet' en 'nadat' kunnen prima naast elkaar staan, bijvoorbeeld in de zin 'Mijn computer start niet nadat ik op de startknop heb gedrukt'. En nooit gaat het fout als er  een beklemtonend woord voor 'niet' staat:
Mijn computer start niet, ook niet nadat ik op de startknop heb gedrukt.
Mijn computer start niet, zelfs niet nadat ik op de startknop heb gedrukt. 
Het blijkt vooral fout te gaan bij het gebruik van 'maar': 'maar niet nadat'. Ik vond bijvoorbeeld:
Op Nrc.nl:
Het sportieve gebaar van Lazio-spits vindt gehoor en de scheidsrechter wordt op de hoogte gebracht, maar niet nadat Klose ook zijn medespelers al heeft geprobeerd duidelijk te maken dat dit niet de manier is waarop de drie punten mee terug naar Rome horen te gaan.
Op de site van P&A Talentontwikkeling:
Ze moesten van God snel uit Egypte vertrekken, maar niet nadat ze broden hadden gebakken.
En op Rechtenstudie.nl:
Later stapte hij over naar Twitter, maar niet nadat hij eerst de kat uit de boom had gekeken.
De boosdoener is 'maar' lijkt me. Blijkbaar nodigt die uit tot fouten. Hoe dat komt, weet ik ook niet. Misschien vinden we de combinatie 'niet dan nadat' lastig. Maar we kunnen ook 'niet voordat' gebruiken. In veel gevallen kiezen we daar blijkbaar niet voor.

dinsdag 2 april 2013

Ab Visser Biografie



Behalve over de man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit gelezen over een wonderlijker man dan Ab Visser. Nou ja, dat is niet helemaal waar, maar Visser was wel een markant figuur. Wie wil weten hoe markant, leze de Ab Visser Biografie van Michiel van Diggelen.

Visser had het lichamelijk niet gemakkelijk. Hij leed zijn hele leven aan de ziekte van Bechterev, die veel pijn en ongemak veroorzaakte en aan het eind van zijn leven zorgde zijn kromgegroeide ruggengraat voor ademhalingsproblemen, waardoor hij geregeld aan de zuurstoffles gelegd moest worden.

Ondanks deze en andere lichamelijke ongemakken, heeft Visser zich altijd voluit gestort op zijn schrijverschap. Hij moest wel; hij had ervoor gekozen om van de pen te leven en had het geld dat zijn schrijverij opleverde hard nodig. Vooral ook omdat hij een deel van zijn leven twee vrouwen moest onderhouden: zijn echtgenote, met wie hij lange tijd niet wilde breken, en zijn vriendin.

Uit de biografie komt Visser naar voren als een onafhankelijke geest, die zijn eigen weg gaat. Hij komt in de hoek van de detectiveauteurs terecht, niet alleen omdat hij daar zijn brood mee kon verdienen, maar ook omdat hij geloofde in het genre; hij heeft veel gedaan voor de emancipatie ervan. In zijn recensies was hij eerlijk, wat hem natuurlijk vijanden heeft opgeleverd.

Visser kwam uit een christelijk nest, maar vloog daaruit. Hij hield van spotten, niet omdat hij afstand wilde nemen van zijn opvoeding, maar omdat hij nu eenmaal overal mee spotte, ook (en misschien wel vooral) met zichzelf. Daar was niet altijd begrip voor. In veel van zijn boeken zijn autobiografische elementen te ontdekken, waarbij de schrijver zichzelf niet spaart. Zijn hoofdpersonen zijn geen helden en soms zelfs uitgesproken losers.

Wie de biografie leest, leert een mens kennen, met zijn aangename en onaangename kanten. Nooit heb ik Ab Visser ontmoet en ik weet niet eens zeker of ik wel eens iets van hem gelezen heb. Maar na het lezen van het boek van Van Diggelen, heb ik het idee dat ik de schrijver toch ken. Ik kan mij voorstellen in wat voor wereld hij leefde, wat zijn problemen waren, waar hij plezier aan beleefde.

Het hele literaire wereldje van bijvoorbeeld de jaren vijftig wordt door Van Diggelen goed opgeroepen. Er lopen in dit boek mensen rond, wier namen ik jarenlang niet gelezen had: Ferdinand Langen, Rico Bulthuis, Niek Verhaagen, Hans van Straaten, Jan Greshoff, Klaas Heeroma, A. Marja. Zij waren schrijvers en ze zullen geprobeerd hebben het als schrijver te redden. Velen van hen zijn verzonken in het moeras van de tijd. Wie gedenkt hen?

Maar voor even zijn ze weer levend. Ze drukken Ab Visser de hand, luisteren naar zijn verhalen, gaan met hem uit drinken of zijn aanwezig op de beroemde feesten van Visser, waarop hij zelf lange inleidingen houdt, zoals hij vroeger al deed op de knapen- en jongelingsvereniging. Ze schrijven hem als Visser weer eens op reis is, want dat doet hij graag. Dan leeft hij maandenlang in Frankrijk of in Rome of in Marokko. En ze zoeken hem weer op als hij terug is. Of ze zoeken ruzie met hem, die ze weer goedmaken. Of niet goedmaken en dan zien ze hem minder. Of nooit meer.

En wij mogen erbij zijn als we het boek van Van Diggelen lezen. Wij mogen meelopen door het leven van Ab Visser. Hij was niet een groot of een belangrijk schrijver, maar wel een schrijver, voor de volle honderd procent. Dominees hadden het in mijn jeugd wel eens over oudvaders, die spraken nadat zij gestorven waren. Overjarig koren waarmee wij ons konden voeden. Visser zou ongetwijfeld gegrinnikt hebben als hij vergeleken zou worden met die oude dominees, maar ik moest aan de uitdrukking denken toen ik dit stukje typte en bedacht dat Visser na zijn dood nog steeds tot ons spreekt, bij monde van Van Diggelen. Ik heb geboeid geluisterd.