donderdag 25 juni 2026

Eerst duidelijk dan snel

Weer een stukje uit een dagboek, met herinneringen aan de lagere school. Ik schreef dit voor mijn kleinzoon op dinsdag 1 augustus 2023. 

Het is weer van alles wat, zonder erg veel lijn: van het opzeggen van het versje tot het schrijfschriftje, van het schoolsparen en het zendingsgeld tot de leesboekjes en de geschiedenisplaten van de stempels bij aardrijkskunde tot de tekenlessen. 

Mogelijk herken je er iets van, afhankelijk van je leeftijd. En mogelijk is het allemaal nieuw voor je, omdat het al zo oud is. 


Op maandag wordt op school het ‘versje’ overhoord. Het versje is een psalm of een gezang dat je uit je hoofd moet leren. Onze school is een hervormde school. Er wordt gezongen uit de nieuwe berijming en gelezen uit de nieuwe vertaling, van 1951. Maar bij mij thuis lezen we de Statenvertaling en zingen we de oude berijming. Ik mag van school altijd een psalm in de oude berijming opzeggen.

Een voor een wordt iedereen voor het bord geroepen en dan zeg je het versje op. Dat doe je in een razend hoog tempo, om te laten merken hoe goed je het geleerd hebt. Je krijgt er ook een cijfer voor op het rapport. Het is niet een vak dat voorgedrukt vermeld staat; de meester of juf moet het er met hand bij schrijven. Ik heb meestal een 9 of een 10, maar misschien hebben de meeste kinderen dat wel. Je krijgt ook een cijfer voor ‘vlijt’, dat ook wel ‘ijver’ wordt genoemd. Later zal men dat ‘inzet’ noemen. En voor ‘gedrag’. Er is een rapport waarop ik maar een 6,5 voor ‘gedrag’ scoor en eigenlijk moet je wel een 7 halen en nog liever een 8. Waar ik die 6,5 aan te danken heb, weet ik niet. Mijn ouders doen er niet moeilijk over.

Mijn laagste cijfer is altijd voor ‘schrijven’, meestal een 6 of een 6-, soms een 5,5. Slechts een enkele keer scoor ik een 6,5. Schrijven gaat niet zo best met mijn linkerhand. Er zijn volwassenen die vertellen dat ik maar bof. In hun tijd werd je gedwongen om met rechts te schrijven en ik mag mijn pen met links vasthouden. Maar ik heb hetzelfde schrijfschriftje als de rechtshandigen, van Tazelaar en Mathijsse, met een blauw/geel kaft. Eerst duidelijk, dan snel heet de methode.

We schrijven in de laagste klassen met pen en inkt. Een linkshandige moet goed oppassen dat hij niet met zijn hand over de natte inkt gaat. Dat valt niet mee. Als je een draadje aan de punt van je pen hebt, gaat het schrijven ook niet goed. Gelukkig heb ik een inktlap, waarmee ik mijn pen kan afvegen. Ik heb een hele mooie, van schuimrubber, in de vorm van een hondje. De meeste leerlingen hebben er een met een stel velletjes van spul dat een beetje op de zemelap van mijn moeder lijkt.

Als ik even niet kijk, heeft mijn buurman mijn inktlap te pakken. Op dat moment is dat Gerard (Joekie). Hij trekt de inktlap in stukjes en propt die in de inktpot, wat een enorme zooi geeft. Hoe het verder gaat, weet ik niet.

Als je inktpot bijna leeg is, kun je het tegen de juf zeggen. Die haalt dan uit de kast een heel grote fles inkt. Minstens twee liter, schat ik. Er zit een tuitje aan, zodat je makkelijk kunt schenken.

Mijn moeder maakt zelf een nieuwe inktlap voor me. Ze knipt met de kartelschaar allemaal rondjes uit, zo groot als een beschuit. Het zijn er heel veel. Die naait ze in het midden aan elkaar. Bovenop komt een grote, roze knoop. Het bovenste lapje stof is donkergroen, met een ribbeltje. Het zijn zoveel velletjes, dat ik er heel lang mee kan doen. Altijd is er wel een schoon plekje op te vinden.

Als je een stukje geschreven hebt, leg je je vloeipapier erop. Dat is van lichtgroen, nogal vezelig papier. Als je een druppel inkt op je schrift hebt laten vallen, moet je dat velletje er niet zomaar op drukken, want dan wordt het een grote vlek. Met een hoek van het vloeipapier kun je eerst wat inkt opzuigen.

In de laagste klassen leer je lezen, schrijven, rekenen en taal. Daarnaast natuurlijk tekenen en gym. En godsdienst, maar dat heet ‘Bijbelse geschiedenis’. Daar begint elke dag mee en met zingen. De meeste vakken gaan me redelijk af, al vind ik taal leuker dan rekenen.

Bijbelse geschiedenis is altijd mooi, want de juf kan goed vertellen. Een enkele keer zet ze het viltbord voor de klas. Daar blijven plaatjes aan plakken. Voor sommige bijbelverhalen heeft ze een set plaatjes. Dat vind ik altijd prachtig.

Op maandag nemen we geld mee naar school voor de zending en voor het schoolsparen. Ik zit al niet meer in de eerste klas als er voor de zending ineens een bruin plastic kerkje is, met een gleuf in het dak. Als je daar geld in gooit, tingelt hij een beetje. In de hoogste klas mag je ook iets uitzoeken als beloning voor al het geld dat je voor de zending geeft. Ik kies twee keer een langwerpig boekje, een stripboek: een reeks plaatjes met daaronder tekst. De tekeningen zijn in zwart/wit, maar enkele ervan kleur ik in. Ik zal de boeken later kwijtraken. Verder kies ik een keer een leesboek:
Kameroen in 59 dagen
, over een man uit Afrika die in een paar maanden door heel Kameroen fietst. 

Voor het sparen krijg je zegels die je op een spaarkaart moet plakken. Donkerrode zegels met een eekhoorn erop. Als de kaart vol is, ga je met je spaarbankboekje naar het postkantoor. Daar wordt het bedrag dat je gespaard hebt bijgeschreven op je boekje. Je kunt ook geld storten op het boekje door een contant bedrag mee te nemen naar het postkantoor, bijvoorbeeld als je geld voor je verjaardag hebt gekregen. En jaarlijks kun je rente bij laten schrijven.

Lezen doen we uit de boekjes van Jaap en Gerdientje. Het zijn al oude boekjes en ze zijn misschien zelfs al verouderd, maar ik herken er veel van. De verhalen spelen zich af op het platteland. Er zijn daar ook kinderen die op klompen lopen. Zelf loop ik helemaal niet zo vaak op klompen, meer op laarzen, maar goed. Ik hou erg van de tekeningen van Tjeerd Bottema.

We lezen klassikaal, om de beurt een stukje. Maar sommige kinderen lezen erg traag en dan ga je vanzelf vooruitlezen. Het gevolg is wel dat je dan soms niet weet waar ze zijn als je ineens de beurt krijgt.


Jaap en Gerdientje
Er is ook een klassenbibliotheekje van een paar plankjes met boeken. Als je klaar bent met je werk, mag je soms gaan lezen in je bibliotheekboek. Alle boeken zijn gekaft met bruin papier met een streepje. Als ik in klas vijf zit, zijn er ineens nieuwe boeken, zonder kaftpapier, met een kleurrijke voorkant. Ik word daar helemaal gelukkig van.

Zoveel kleur is er gewoonlijk niet. In de boeken van taal en rekenen staan geen plaatjes, alleen maar oefeningen. Alle schriften zijn donkergroen. Maar er zit wel een etiket voorop, waarop de juf of de meester heel netjes je naam schrijft. Het etiket is een plaatje met daaronder ruimte voor je naam. Een van de etiketten is er eentje met een boot. Meestal mag je zelf niet kiezen.

Als ik in klas 2 zit, verlang ik erg naar klas 3. Dan krijg je vaderlandse geschiedenis. De methode heet Toen… en nu. De tekst is van W.G. van de Hulst. Er staan mooie tekeningen in het boek (van J.H. Isings) en soms pakt de meester er een schoolplaat bij. Enkele van die schoolplaten hangen aan de muur. Over de walvisvaart, met een ijsbeer erbij die een mens aanvalt. Over de Noormannen, over Maarten Luther. En natuurplaten over sloot en plas of over het weiland. Allemaal prachtig. Ik zal mijn hele leven lang van schoolplaten houden.

Die natuurplaten zijn voor het vak dat ‘kennis der natuur’ heet. Later zal dat biologie genoemd worden. Er is een meester die wil dat wij een herbarium aanleggen. Daarvoor moeten planten gedroogd worden. Je legt ze in een dik boek en dan plet je ze. Het vocht wordt opgenomen door de bladzijden. Ik heb er niet zo’n zin in en verzamel maar vijf planten, waaronder de boterbloem, het herderstasje en het klein kruiskruid. Van die laatste weet ik de naam niet. Iemand moet me daarbij helpen.

Al die plantjes gaan in een plakboek, op elke bladzijde eentje. Je moet ze met heel dunne stukjes plakband vastmaken. Onder aan de bladzijde moet je opschrijven waar je ze gevonden hebt.

Er zijn leerlingen die er hele boekwerken van hebben gemaakt. Ik heb maar vijf plantjes, maar ik heb ze wel goed gedroogd en heel netjes vastgeplakt. Toch een voldoende.

In klas drie krijgen we ook aardrijkskunde. Dan hangt de meester een landkaart voor het bord en wijst de plaatsen aan. Er is een kaart met de namen erbij en er is een ‘blinde’ kaart. Het zijn hele rijtjes plaatsnamen, rivieren en meren die we moeten leren.

In de derde klas leren we alleen over Nederland, alle elf provincies. Als er een nieuwe provincie aan de beurt is, komt de meester langs om een paginagrote stempel in je schrift te zetten. De stempels zitten elk in een doos, blauw met heel licht grijs. Ze zijn gebogen, zodat de meester ze gemakkelijk op het stempelkussen kan drukken. Daarna krijg je de stempel in je schrift. Je moet wel even wachten tot het droog is. Daarna kun je de nummers bij de plaatsen schrijven en de letters bij de rivieren. De namen overschrijven en leren maar!

Later zal men dat topografie of topo noemen. Dat woord kennen wij dan nog niet.

We krijgen niet alleen een stempel bij aardrijkskunde. Als je taal of rekenen (of een ander vak) heel goed hebt gedaan, krijg je ook een stempel. Je krijgt altijd twee cijfers: voor het vak en voor schrijven. In mijn geval is dat dan weer jammer. De juf schrijft dan bijvoorbeeld T9 S5. Dan heb je taal wel goed gedaan, maar het schrijven was dan toch onvoldoende.

Later komen er piepkleine stickertjes, die we plaatjes noemen. Eerst naast de stempels. Is drie stempels een plaatje? Later zijn de stempels er niet meer en hebben de plaatjes het overgenomen.

Er is ook een vak tekenen, maar daar leer je niet zoveel. Soms moet je een opstel schrijven. Meestal is de opdracht om het bijbelverhaal na te vertellen. Daarbij maak je ook een tekening.

In de hoogste klassen moeten we een voorbeeld natekenen. Als ik in de vijfde zit, is er een jongen in de zesde die daar altijd negens voor haalt: Kees Frentz. Ik blijf meestal op de zeven steken, maar ik heb er best plezier in. Een deel van de tekenles op vrijdagmiddag mis ik, doordat ik dan net de grote houten prullenbakken aan het ophalen ben.

De voorbeelden zijn er in allerlei stijlen. Ik kies de leeuw met de rotsblokken. Dat is nog best lastig. En na het tekenen moet je ook nog inkleuren. Als de punt van je kleurpotlood stomp geworden is, mag je je potlood slijpen met het slijpmachientje dat op het bureau van de meester vastgeklemd is. Je ruikt dan het hout.

Er is ook een tekenvoorbeeld van een man met een hoge hoed en een bril die hij aan een stokje vasthoudt. Een ouderwetse tekening van een deftige man. Hij heeft een blauwe jas aan, een gele broek en hij draagt laarzen.

Bij een bepaalde gelegenheid maken enkele kinderen deze tekening in het groot. We hebben geen heel grote tekenvellen, maar ze plakken een heel stel vellen aan elkaar. Het wordt een prachtige, grote tekening. Ze mogen hem inkleuren met verf. De plaat wordt overhandigd aan de burgemeester, op de stoep van het gemeentehuis. Clasina houdt de tekening vast, samen met Ina Hofman. Er komt een foto van in de krant.

Een van de mooiste dingen op school is iets waarvan ik niet weet hoe het heet. Nog vroeger noemden ze het een toverlantaarn, maar dat is het eigenlijk niet, geloof ik. Achter in het lokaal staat een soort projector in de kast. Een doodenkele keer haalt de meester die eruit en zet die op een tafeltje. Hij hangt een landkaart achterstevoren voor het bord en daar kan de projector op schijnen.

Dan moet er nog een filmstrook in het apparaat. De filmpjes zitten in plastic kokertjes met een deksel erop. Die zien eruit als de doosjes waarin fotorolletjes zitten. De meester zet het rolletje op de pin naast het apparaat, leidt het filmpje voor de lamp langs en draait het op het spoeltje dat op de pin aan de andere kant van het apparaat zit. Dan kan de voorstelling beginnen.

Nou ja, voorstelling - de meester vertelt een verhaal en schuift het filmpje steeds een plaatje verder. Ik vind het prachtig. Het is geen film, maar het is wel in kleur. Televisie is dan nog in zwart/wit, dus dit is wel iets heel bijzonders. Maar het gebeurt bijna nooit. Dat is wel jammer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten