dinsdag 8 maart 2016

Wie hier binnentreedt (Hedwig Selles)


In zo'n beetje elke bespreking van Wie hier binnentreedt, de nieuwe dichtbundel van Hedwig Selles, wordt aandacht besteed aan de titel (en aan het openingsgedicht). Dat ligt ook voor de hand bij zo'n titel. Iedereen moet denken aan De goddelijke komedie van Dante: boven de hel staat een opschrift, waarvan de laatste zin luidt: Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt. 

De recensenten vertellen er natuurlijk bij dat het bij Selles niet direct om de hel gaat, maar om het betreden van haar wonderlijke wereld.

Die wereld is inderdaad opmerkelijk. Selles is altijd origineel in het gebruik van haar bijvoeglijke naamwoorden en bijvoeglijke bepalingen. Haar vorige bundel opende bijvoorbeeld met een 'Ontologische vos'. In deze bundel treffen we aan: 'een ongepolijste wolf', 'goddeloos gezwollen kuiten', 'woede die de kleur heeft van gesmolten lood', 'de onuitwisbare lach van een natte ambulance', 'welgevormde warmte', 'slecht onderhouden bedelaars', 'onthutste honden'.

Haar beelden treffen altijd. Twee voorbeelden: 'en sterk als grind de moedige meisjes'. De vergelijking wordt voorafgegaan door: 'Ook als ze met het gezicht plat / in woestijnzand liggen, zijn ze vastberaden'. Het is mooi dat dat woestijnzand en grind kort na elkaar gebruikt worden. De meisjes lijken verslagen; ze liggen met hun gezicht plat in het woestijnzand. Maar ook al hebben ze in het zand moeten bijten, ze zijn vastberaden en ze zijn sterk als grind. Grind dat zich blijkbaar niet tot woestijnzand heeft laten verslijten.

Het tweede voorbeeld komt uit het gedicht 'Zus': 'Mijn hunkering werd als een haakploeg / door de voor geslagen'. De lezer ziet meteen de primitieve ploeg voor zich. In verband met de hunkering: je voelt hoe diep die hunkering is, wat hij openscheurt, hoe groot de weerstand is. Zeker als daarna volgt: 'en ze keek weg'. Dat is een pijnlijke combinatie: een scheurende hunkering, die niet beantwoord wordt.

Voor mij is Selles misschien wel meer de dichteres van de passages dan van de gedichten. De gedichten lijken associatief geschreven. Je vermoedt waarover ze gaan, maar het is lastig om dat te expliciteren. Je krijgt het meestal niet kloppend, waarbij niet duidelijk is of dat ligt aan je gebrekkige interpretatievermogen of aan het feit dat de dichteres het domweg niet zo interessant vindt om kloppende, afgeronde gedichten te schrijven. Ik vermoed dat dat laatste ook meespeelt, maar misschien zeg ik dat alleen maar om mezelf te verontschuldigen.

Vaker dan door het hele gedicht, word ik getroffen door een passage, een strofe, een beeld, zoals dat van de hierboven genoemde haakploeg. Maar sommige gedichten zijn ineens wonderlijk helder en afgerond:
Theoretisch ongenoegen 
Kan ik het terugbrengen en ruilen
voor iets waarmee ik gelukkiger zal zijn
veterdrop, een vlinderdas, een zitzak misschien 
je ploft erop neer en hij neemt een vorm aan waarin we
overgaan (en herverdelen) opeens
ben ik bang om wakker te worden met een verschoven wervel 
en een gezwel in mijn hoofd en een lever
die mijn richtingloze lichaam wil verlaten
omdat in mij geen ruimte was. 
Kan ik het terugbrengen en ruilen
voor een sofa? In theorie misschien?
Ook in dit gedicht valt er trouwens nog wel wat te raden. Wat is bijvoorbeeld datgene wat de 'ik' wil ruilen? Ze wil er graag iets concreets voor: veterdrop, vlinderdas, zitzak. Het noemen van de zitzak roept het neerploffen erop op en dat weer de verschoven wervel. Die leidt ons naar andere lichamelijke ongemakken. In de slotstrofe wordt de wens herhaald om 'het' te ruilen. Het zou kunnen gaan om een lichaam, maar misschien ook om het leven zelf.

Mooi vind ik ook de minieme poging aan het slot. Als ik het niet kan ruilen, zou ik het dan in theorie kunnen ruilen? Als daadwerkelijk ruilen niet kan, stelt de 'ik' zich dus zelfs al tevreden met de theoretische mogelijkheid tot ruil.

Even helder is 'Bonkers en kattenogen' waarin verteld wordt dat mensen elkaar niet dichter kunnen naderen dan twee knikkers die tegen elkaar aan stoten en zelfs dat waagt de 'ik' niet: 'ik waagde alles behalve mezelf blind / tegen je aan stoten.'  Ze eindigt met 'Als dit het niet is wat dan wel?'

Het probleem van contact met anderen komt in meer gedichten terug, ook in 'Zus' waarnaar ik hierboven al verwees. Dat contact gaat nooit vanzelf en vaak blijft er afstand. Soms lijkt die overbrugd te worden, bijvoorbeeld in 'Beeldroman'.

Water, waterleven, komt geregeld terug in de gedichten. In het openingsgedicht is er een onderwaterwereld, verderop komt 'Riviertje spelen'  voor. We lezen ook over een meerman en over 'het koude water van het pleistoceen'.

Hier en daar glimpt er religie door de gedichten. We treffen dan Bijbelcitaten aan: 'Mijn ogen doorlopen de aarde' en 'Doch het vlees met zijn ziel, / dat is zijn bloed, dat zult gij niet eten.' Ook vraagt de meerman (of de 'ik') 'o, bid voor mij'.

Verwijzingen naar religie doen trouwens niets af aan het uitgesproken aardse van de bundel. Veel beelden zijn geworteld in de natuur of in een plattelandsomgeving. De verwijzingen naar een urbane wereld zijn in de minderheid.

Zo'n typisch plattelandsgedicht:
Opofferingsgezind
In gedachten hoorde ik ze gaan
zag ik dat ik mijn jongens goed
gevoed had en ik dacht ik kom ze
niet meer tegen
ik zie ze niet terug
omdat ik het algemeen belang wilde
dienen en omdat jonge boeren naar
hun vaarzen moeten loeren
en naar hun dikdrachtige schommels
van vruchtbaarheid
kop aan kont, kont aan kop
een witwarme wolk draait
aangename rondjes tegen het glas
hoe drijf ik af? mijn spenen steken,
de kwartieren staan leeg
gun mij een kalf dat wegzakt
in de warmte van mijn eigen lichaam.
Voor de duidelijkheid: die witwarme wolk is de melk die in het glazen reservoir kolkt. De kwartieren zijn de vier compartimenten waarin een uier is verdeeld.

Je kunt van alles vinden van Wie hier binnentreedt, maar volgens mij zal iedereen de bundel intrigerend vinden. Er zijn beelden die je niet kunt beredeneren, maar die wel werken.

De bundel is uitgekomen bij uitgeverij Vrijdag, waarvan ik nog nooit had gehoord. Dat is best aardig gedaan, maar de inhoudsopgave is vreemd: de gedichten zijn genummerd, hoewel dat in de bundel niet het geval is en de paginanummers ontbreken (die weer wel in der rest van de bundel staan). Het is een kleinigheid, de gedichten zijn de grotigheden.


Een filmpje over Hedwig Selles vind je hier.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen