zaterdag 24 oktober 2015

De aanslag (Milan Hulsing)


Verreweg het bekendste boek van Mulisch is De aanslag. Natuurlijk helpt het dat het verfilmd is, maar belangrijker is dat het veel gelezen werd door middelbare scholieren. Het zal niet meer aan de top staan van het lijstje met meest gelezen boeken (dat zal Het diner of Mama Tandoori wel zijn), maar er zijn nog genoeg middelbare scholieren die het met plezier lezen. Ik veronderstel dan ook dat de inhoud van De aanslag bekend is. Voor wie niet weet waarover het boek gaat: samenvattingen zijn gemakkelijk te vinden.

Mulisch brak door bij het grote publiek met Twee vrouwen (1975), heb ik verschillende keren gelezen, maar het duurde toch nog tot 1982 voor hij een echte klapper maakte, met De aanslag. Intussen zijn er meer dan 750.000 exemplaren van verkocht. lees ik  hier.

Natuurlijk kwam er een film, en een toneelstuk, dat verrassend dicht bij het boek bleef. Zelfs de passage in de proloog over de man die een boot vooruitduwt door achteruit te lopen kwam erin voor.

En nu is er ook een stripversie, door niemand minder dan Milan Hulsing. Die verstripte al eerder literatuur; van een novelle van een Egyptisch auteur maakte hij het prachtige Stad van klei, waarin fictie en werkelijkheid steeds meer door elkaar gaan lopen.

Mulisch deelde zijn boek in in een proloog, gevolgd door vijf episoden. Elke episode is gekoppeld aan een jaartal: 1945, 1952, 1956, 1966, 1981. Hulsing hanteert een soortgelijke indeling, maar hij wijkt wel af. De episode die zich afspeelt in 1945 ontbreekt als apart hoofdstuk. Voor een deel komt wat Mulisch daarin vertelt terug in de proloog, voor de rest in flashbacks. De vierde episode is opgesplitst in twee episoden; Hulsing voegde een hoofdstukje '1976' in.

Mulisch schetste in de proloog de straat waarin de aanslag zich afspeelt. Verder vertelt hij daarin over de man die ik hierboven al noemde: hij boomt een bootje vooruit, door steeds naar de achterkant van de boot te lopen. Die man staat natuurlijk symbool voor de hoofdpersoon Anton, die steeds gericht is op het verleden.

Hulsing doet het anders: hij begint in het donker: het jongetje Anton zit met de verzetsstrijdster Truus in één cel. Dat is wel een mooie vondst: het startpunt is de duisternis en Anton is de rest van het boek op zoek naar alles wat met terugwerkende kracht licht kan brengen in zijn leven.

Truus raakt het gezicht van Anton aan, om te voelen hoe hij eruitziet. In zes plaatjes verandert het donkerblauw in felrood. Misschien is dat rood letterlijk, omdat Truus gewond is, maar het is ongetwijfeld ook symbolisch: de kleur van bloed, dat er gevloeid is bij het doden van Fake Ploeg, maar ook bij dat van Antons ouders en broer (al weet hij dat dan nog niet)bedekt alles. (Zie illustratie onderaan).

Het rood gaat over in de scène van de man in de boot. Op de plaatjes wordt alleen rood en zwart gebruikt. Op de laatste bladzijde van de proloog zien we de vier huizen, waarvan er eentje platgebrand is.

Op het voorplat van het boek staan de huizen nog alle vier overeind. Anton staat in de straat, hoog boven de huizen uit torenend. De fiets van de neergeschoten NSB'er ligt aan de kant van de weg. Door de verhoudingen en door de volwassen Anton (die bij de aanslag een jongetje was) moeten we wel concluderen dat het een scène is die zich afspeelt in het hoofd van Anton.

Hulsing schrapte dus de eerste episode en dat blijkt goed te werken. Bij stukjes en beetjes krijgen we verderop in het boek te horen hoe de aanslag heeft plaatsgevonden. Omdat je als lezer minder weet dan als lezer van de roman, verhoogt dat de spanning.

In verschillende passages valt op hoe inventief (en effectief) Hulsing het verhaal weergeeft. Als Anton teruggaat naar Haarlem en bij het monument komt, wikkelt een tak van een struik zich om zijn keel. Dat gebeurt weer als hij in de trein terug zit. Hij wordt overwoekerd, waardoor hij zo ongeveer zelf de struik wordt. Dat geeft de beklemming goed weer. De wurgstruik komt weer terug als hij in de laatste episode zijn vroegere buurmeisje ontmoet.


De tekeningen zijn gedaan in dunne lijntjes, die door hun geringe dikte niet zekerder zijn dan Anton is. De inkleuring is vaak in een gamma waarbij één kleur sterk overheerst, bijvoorbeeld oranje, met wat geeltinten. Soms blijft de inkleuring binnen de lijntjes waarin een personage getekend is, vaak loopt de kleur door in de achtergrond. Soms deed de inkleuring me wel denken aan die van Hanco Kolk, in bijvoorbeeld Meccano, maar die gebruikt vaker rechte lijnen in zijn kleurvakken.

De laatste tekst in het boek van Hulsing is: 'De kreten sterven weg, de golven trekken glad'. Anton loopt op dat moment mee in de grote demonstratie van 21 november 1981. Hij heeft net te horen gekregen hoe het allemaal zit en waarom de buren het lijk juist voor het huis van Anton en zijn ouders hebben gelegd en niet voor dat van de andere buren.

Hulsing tekent Anton, op zijn rug liggend, gedragen door de handen van de demonstranten. Daarna is er geen tekst meer. De demonstratie is afgelopen. Anton is alleen overgebleven, met zijn zoon Peter. Op het laatste plaatje lopen ze samen op, met verder eigenlijk niets om hen heen. Dat zou je leegte kunnen noemen, maar misschien is het juist ruimte.

Natuurlijk kende ik het verhaal van De aanslag. Ik heb niet alleen het boek gelezen, maar ook de film en het toneelstuk gezien. Ik wist dus wat er ging komen en toch heb ik zeer geboeid de beeldroman van Hulsing gelezen. Mooi, mooi, mooi.


Titel: De aanslag
Tekst: Harry Mulisch/Milan Hulsing
Tekeningen: Milan Hulsing
Uitgever: Oog & Blik / De Bezige Bij
Amsterdam 2015, gebonden, 160 blz. € 24,50

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen