zondag 1 maart 2015

Een nachthutje in de komkommerhof (Liesbeth Labeur)


Wie op het orthodoxe, bevindelijke erf is opgegroeid, verstaat de tale Kanaäns. Hij is grootgebracht met de Statenvertaling, die meestal driemaal per dag voorgelezen werd en hij luisterde naar de dominees die een geheimzinnige taal gebruikten, die buiten de kerk vaak niet voorkwam.

De dominees konden je vertellen dat het geloof een voet te hoog zat (in het hoofd in plaats van in het hart); dat er nog honing aan de roede was; dat je stenen hart vervangen moest worden door een vlezen hart; dat je met een ingebeelde hemel naar de hel kon gaan; dat er uurtjes van korte duurtjes zijn; dat er gebedeld moet worden aan de troon der genade en dat iemand geen rust vindt voor het hol van zijn zielenvoet.

Het is de taal waarmee Liesbeth Labeur is opgevoed. Die wereld van woorden en het Woord is al jarenlang een bron van inspiratie voor haar. Van haar beeldroman 'Op weg naar Zoar' tot haar installatie 'De brede en de smalle weg', van haar filmpjes als 'Casino wit' en 'Laat ons den  rustdag wijden' tot haar nieuwste installatie 'Een nachthutje in de komkommerhof'.

Laat ons den rustdag wijden

Dat nachthutje kennen we uit Jesaja 1: 8 en 9: 'En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad. Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. 

In het programmaboekje (Binnenkamers. Een overdenking) duidt Laurie Cluitmans het nachthutje als 'een schuilplek te midden van rumoer, een plek van geborgenheid waar reflectie mogelijk is.' Hm. Ik zie het nachthutje hier als 'een weinig overblijfsel', een schamel onderdak. Zo'n hutje dreigt voor mijn gevoel in elkaar te zakken, zoals een belegerde stad kan vallen. De hoop lijkt bijna vervlogen, maar in die benauwde omstandigheden is God er om op te vertrouwen. 

De uitleg van Cluitmans lijkt me wel te passen bij het begrip 'binnenkamer'. Het WNT, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, geeft drie betekenissen voor 'binnenkamer':
1. In 't algemeen. Eene meer naar binnen gelegen kamer.
2. In 't bijzonder. Eene kamer, niet aan de straat, noch aan een tuin.
3. In Bijbelsche taal, met het denkbeeld dat men daar van de wereld is afgezonderd. 

In het programmaboekje verkent Fred van Lieburg het woord. Hij noemt natuurlijk de passage uit de Bergrede (Mattheüs 6: 6): 'Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.'

Hij laat beknopt zien hoe in de loop der eeuwen de binnenkamer getypeerd is en hoe die gefunctioneerd heeft. Een citaat: 'Gebed en meditatie, bezinning en boetedoening - dat gold dus allemaal als noodzakelijk binnenkamerwerk, als tegenhanger van het buitenkamerwerk in een plaatselijke kerk.'

Door die beknoptheid neemt Van Lieburg de bocht wel eens kort: zo beroept hij zich (zondere nadere bronvermelding) op 'een kenner' om aan te tonen dat een rijmpje wordt aangeduid 'als de meest geciteerde dichtregels in bevindelijke preken'. Maar vooruit, zijn bijdrage is zeer lezenswaardig.

Wie op Delpher kranten raadpleegt, komt vanaf de zeventiende eeuw 'binnenkamer' vooral tegen in de eerste twee betekenissen die het WNT geeft. Ook in andere bronnen wordt 'binnenkamer' vaak op die manier gebruikt. Ik geef twee voorbeelden.

In 1852 verschijnt het boek De binnenkamer van een kruidenier. Oorspronkelijke schetsen en tafereelen naar het burgerlijke leven, uit de papieren van Oudoom Jakob, geschreven door Bartholomeus Theodorus Lublink Weddik. Al in hoofdstuk 1 komt er een binnenkamergesprek voor:
De heer Pieterse, beëedigd makelaar, zat in de tamelijk naauwe, donkere binnenkamer (want het licht van den dag werd eerst door de winkelruiten, dan door die van het binnenvertrek zelve behoorlijk getemperd en gefiltreerd) tegenover het waardige echtpaar, en knipte altijd met het regteroog; hij had reeds gedurende omstreeks vijf minuten met het quasi-zilveren lepeltje in het kopje koffij geroerd en begon eindelijk:— Beste vriend! ik heb iemand noodig in mijn zaak, want mijn bediende gaat naar de Oost, 't was anders een fiksche jongen, eerlijk, trouw, braaf, patent! — op de beurs t'huis en met de zaken bekend; nu heb ik gedacht of vriend Mispelboom ook ambitie had, om zijn oudsten jongen, Jozef, je weet wel wien ik meen, aan mij over te doen, eerst om te proberen: maar het zal wel gaan, dat weet ik al vooreerst, en later (hij roerde nog al-wat harder) om... als alles wèl gaat... in mijne affaire te komen. Jelui moet er nu maar rond en ferm voor uitkomen, vrienden, we kennen elkaar reeds lang, kom aan, kan de koop heden nog gesloten?
In 1867 gaat Multatuli de strijd aan met ex-minister J. Bosscha in Een en ander over Pruisen en Nederland. Bosscha had een brochure geschreven over Pruisen en Nederland. Daarin schreef hij ook over het nationaal gevoel: 'Het sprak in veler binnenkamers en in de geestdrift van den dichter van de Hollandsche Natie.' Multatuli reageert:
Dat men, onder het continentaal-stelsel ontevreden was aan de thee (zegge: aardbeienbladen-extract -) tafel, geloof ik. Dat men ongaarne aftreksel van gebrande rogge slurpte voor koffi, en zelfs niet tevreden was met eikelkoffi (schoon die zoo goed is voor de klieren, zeggen ze) zie, ook dat geloof ik. Maar ik vind zulke ontevredenheid in de “binnenkamers” geen blyk van nationaliteitszin. Die binnenkamer bederft alles.
Nationaal gevoel openbaart zich niet in de binnenkamer, maar op straat, zegt Multatuli.

In beide voorbeelden is de binnenkamer een aanduiding voor binnenshuis, voor wat niet openbaar is. Die betekenis heeft het ook in de derde mogelijkheid die het WNT geeft, maar het gebruik van de binnenkamer is daarbij specifieker. 'Gebed en medidatie, bezinning en boetedoening', zoals we al bij Van Lieburg lazen.

Zo komt de binnenkamer voor in een preek van Jodocus van Lodenstein (1620 - 1677), geciteerd door John van Schaik in In het hart is hij te vinden. Een geschiedenis van de christelijke mystiek. (2005). De preek ging over 'De koning heeft mij gebracht in zijn binnenkameren' (Hooglied 1 : 4).
Onder binnenkameren moeten wij verstaan de hemel, het huis van de vader, waar veel woningen zijn (Joh. 14:2). Deze plaats wordt afgebeeld door het heilige der heiligen, dat daarom het binnenste van het voorhangsel wordt genoemd, waar Jezus voor ons is binnengegaan (Hebr. 6:19-20). Deze plaats word[t] in Hebreeën 9:24 hemel genoemd. Omdat de gelovige hier op aarde de hemel reeds bezit, moet men onder binnenkameren de totale verborgenheid van het koninkrijk der hemelen verstaan. We moeten eronder verstaan alle schatten der wijsheid en der kennis van de verborgenheid van God de Vader en van Christus. Wij verstaan eronder de gevoelige liefde van Christus en de meest innige gemeenschap van de zielen met hem.
Volgens Van Lodenstein zijn er drie hindernissen die voorkomen dat de gelovige ingetrokken wordt in de binnenkamer:
1. de bruid is van nature onbekwaam;
2. we hebben te veel wereldse opvattingen;
3. we hebben te veel uitwendige plichten van de godsdienst ‘waaraan duizenden mensen blijven hangen zonder daarbij op te klimmen tot iets hogers’.

Maar nu terug naar Liesbeth Labeur. Haar binnenkamer gaf ze vorm in De vleeshal in Middelburg. In de fraaie ruimte bracht ze een systeemplafond aan, waarin vijf openingen gelaten zijn. Met ladders kun je omhoog klimmen en je hoofd aan de andere kant van het plafond steken, in de bovenwereld.

Boven is het donkerder. Er liggen uitgeknipte teksten, die door lampjes beschenen worden. De teksten zijn niet altijd goed te lezen. Ik las 'komen staan te gebeuren' en ik moest denken aan de domineestaal: 'Mocht het toch eens komen staan te gebeuren dat wij gewillig gemaakt werden.' Dit soort teksten nam Liesbeth Labeur als uitgangspunt. Soms liggen ze in elkaar gekronkeld, zoals ze kunnen kronkelen in je hoofd.


Wie de ladder beklimt, komt in een andere wereld. Een bovenwereld, maar wel een duistere, met duistere teksten. En orgelmuziek. Als onderwereld en bovenwereld tegenover elkaar worden gezet, is meestal de onderwereld duister en de bovenwereld licht. Hier is het andersom. Het deed me denken aan een beeld uit de Batmanfilm The dark knight (2008). Bruce Wayne (Batman) loopt daar met zijn vertrouweling in een lichte ruimte. Ze lopen naar de opening in het plafond waardoor Wayne zal opstijgen. Die bovenwereld is duister, in de ban van het kwade.


Het kwade zie ik niet in de bovenwereld bij Liesbeth Labeur, wel het duistere, het niet geheel bevatbare. De ladders die ons naar de bovenwereld leiden, doen denken aan de ladder die Jakob bij Bethel zag. Die ladder reikte tot in de hemel, maar wat nu als er geen hemel is of een lege hemel? Of als de hemel alleen bestaat uit teksten?


En hoe zit het eigenlijk met dat nachthutje? De ruimte waar we doorheen lopen is licht, maar moeten we ervan uitgaan dat het nachthutje zomaar kan bezwijken en dat de duisternis ons kan overweldigen? Die sfeer hangt er niet. Het is vredig, waarschijnlijk ook door de orgelmuziek. Die is van Margaretha Christina de Jong, die voor deze tentoonstelling een Kleinood voor orgel schreef.

In het boekje staat ook nog een stukje van Franca Treur, die schrijft: 'Nu weet ik eigenlijk niet wat bidden is, maar ik vermoed dat schrijven enigszins in de buurt komt.' Schrijven doe je dus in de binnenkamer, ook als je er later mee naar buiten treedt. Via het geschrevene kijken we in die binnenruimte, zien wat daar in het verborgene gedaan wordt. We zullen het in het openbaar prijzen.

Misschien is voor Liesbeth Labeur de kunst wel zo'n nachthutje, de ordening die je in stand houdt tegenover de chaos buiten; de belegerde stad waar je als wachter op de muur staat. Het moet bijna wel.

Een nachthutje in de komkommerhof oogt eenvoudig: je komt binnen en ziet een lege ruimte met vijf ladders. Die klommen we op, waarbij we onze last onder aan de ladder neerlegden. We staken ons hoofd in de wereld van de woorden, probeerden de teksten te lezen en daalden de ladder weer af. We liepen rond, bleven staan bij het gehalveerde beeld zonder tenen, keken rond in een ruimte waar weinig te zien was. En toch hadden we het idee dat er veel gebeurde.

We hadden buiten in de regen gelopen, we waren naar binnen gekomen en we betraden een wereld, die ons ongemerkt opnam. Ondanks de strakke lijnen van de tegels, de steile ladders, het sobere plafond, voelde de ruimte niet afstandelijk aan, maar juist verwelkomend. We verwonderden ons erover dat met zo weinig zoveel gedaan kon worden.

We spraken erover en gingen naar buiten. Deze ervaring namen we mee naar onze eigen binnenkamer.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen