dinsdag 24 juni 2014

Stadswild (Gerry van der Linden)


Wanneer reken je een dier tot 'wild'? Het moet natuurlijk ongetemd zijn of misschien zelfs wel ontembaar. Een ongedomesticeerd dier dus, dat misschien rooft, al is er ook wild dat prooi is. Gerry van der Linden schreef de bundel Stadswild en bij haar bestaat het wild natuurlijk uit mensen. Het zijn voornamelijk vrouwen. Ze zouden wel willen roven, maar zo wild zijn ze nu ook weer niet.

In de eerste afdeling, die ook 'Stadswild' heet, komt drie keer 'ze wil' voor: 'ze wil een huis openbreken', 'ze wil leven op het doek' en 'ze wil een brief schrijven aan het universum'. In de laatste afdeling, 'Is ze eindelijk onderweg', lezen we:
ze wil jagen op zoete jongens
jong en flink bedorven
nauwgezet passie volgen - 
Steeds gaat het over vrouwen die van de gebaande paden af willen, die dingen willen gaan doen die ze gewoonlijk niet doen. Het zal er wel niet van komen. De 'passie' kan het wilde dier in je losmaken, maar de vrouw in het gedicht wil die passie 'nauwgezet volgen', wat vooral braaf en plichtsgetrouw klinkt. Dat jagen op zoete jongens is een gedachte waarmee ze speelt, maar ze zal die nooit in daden omzetten.

Soms hebben de vrouwen de illusie van vrijheid, bijvoorbeeld als ze op de NS Keuzedag op en neer naar Harlingen gaan of als ze in de stad lopen 'in een jas zonder ceintuur / designschoenen pas nieuwe / benen die nog mee kunnen'. Ze hebben een badpak in tijgerprint of verlustigen zich aan kunst in 'losvallende kleding die afkleedt / een catalogus in de hand'. Maar er is altijd een thuis, waarin de kamers kleiner zijn en waar een kind in de deuropening op hen wacht.

De vrouwen zouden wild willen zijn, maar ze zijn braaf. Ze zouden misschien roofdieren willen zijn, maar ze zijn huisdieren en soms zijn ze prooi. In het gedicht 'Déjeuner sur l'herbe' treft een vrouw de voorbereidingen voor een buitenontbijt. Misschien had ze ook nog wel naakt willen zijn, zoals de vrouw op het schilderij van Manet. Maar degene met wie ze zou ontbijten is er nog niet. Ik vermoed dat ze al een tijdje wacht. Ze is al overgegaan tot roken en drinken. Als 'de gast' niet op komt dagen, zal ze alles weer op moeten ruimen en teleurgesteld naar huis gaan.

De vrouwen in de gedichten van Van der Linden proberen de droom levend te houden, maar dat valt niet mee. In het fraaie gedicht 'Rijtjeshuis' wordt over de jonge moeder gezegd:
ze stompt op haar hart
wie anders moet het doen
ze is er nog
het andere in haar ook
Maar ze moet wel zichzelf stompen om het te voelen en 'Elke ochtend begint ze / onverrichter zake'. Net als de vrouw uit het slotgedicht van de bundel heeft ze een 'zorgvuldig aangelegde tuin / van bestemming'. Daar zal ze wel  niet meer uit komen.

Gerry van der Linden is een dichteres die het mooi weet te zeggen. In veel gedichten staan zinnen en beelden die je bijblijven zoals de vrouwen 'met ogen als zwarte knopen' of 'de zoute jas van de visser'. De vader ('allang uitgerangeerd en dood') roept ze in enkele krachtige regels op: 'ooit moeders man en judas jazeker / hitste hij on modderige kinderen op'.

Maar veel gedichten blijven steken in de mooischrijverij. Ach ja, wel goed gezien, wel mooi verwoord, maar inhoudelijk nogal mager. Technisch goed, maar ze doen me te weinig. De thematiek van de vrouwen die uit het keurslijf willen, zit wel stevig in de bundel en dat levert ook goede gedichten op. Er zijn gedichten voor T. en voor M., een broer en een zus, waarin je het idee hebt dat de dichteres wel het idee hebt dat ze een spade dieper spit. Maar het is te weinig om een hele bundel te dragen.

Misschien is de bundel wel net zo netjes en braaf als de vrouwen waarover Van der Linden schrijft: de gedichten zitten verantwoord in elkaar en ze zijn ook 'wel goed', maar ik had liever gezien dat ze uit de bocht vlogen, dat de inzet hoger was geweest, de sprong onbezonnener. Liever een tijger dan een vrouw in een tijgerprint badpak.

Van der Linden krijgt het laatste woord:
Een jongeman sterft op zolder
(zoals een jongeman sterft in een roman)
geen zwartwitfoto van lege flessen
of het meisje dat hem betrapt
de trap af sleept naar de bodem
splinters uit hem peutert
uit de punt van haar tong
ze rent in haar jurk
almaar de trap op en af
ritst de winter aan de zomer
daar wacht de jongeman levensgroot
armen vol dode vacht
haar volle lijf krimpt
haar lege hart springt
haar jurk vriest hijgend aan de grond

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen