vrijdag 2 augustus 2013

Blauwziek


In 2010 won Bernard Dewulf de Libris Literatuurprijs met Kleine dagen, een boek met korte stukjes over zijn kinderen. Ik heb het na de bekroning gelezen en snapte niet dat een jury juist dat boek uitgekozen had.

De stukjes zijn goed geschreven, dat wel. Keurige stukjes, nauwkeurige observaties, netjes opgeschreven in een verzorgde stijl. Maar na verloop van tijd kreeg ik er toch een beetje jeuk van. Misschien wel juist omdat het allemaal zo keurig is, omdat het allemaal over deugende mensen gaat, omdat het zo beheerst is. Van het leven was kunst gemaakt en voor mijn gevoel was het leven zelf eruit verdwenen.

Iets soortgelijks ervaar ik bij Dewulfs gedichten in zijn bundel Blauwziek. Ook nu weer: verantwoorde gedichten, doordacht in elkaar gezet. Paradoxje hier, woordspelinkje daar. Maar nergens vliegt Dewulf uit de bocht, nergens schrijnen de gedichten, nooit overschreeuwen ze zichzelf, boeren ze, zijn ze onhandig. Het leven vind ik er niet in terug.

Laat ik een voorbeeld geven.

Langzaam oog
Men zit zijn tijd met kijken uit,
er is geen andere mogelijkheid.
Er is niet ergens niets te zien.
Lijkt het leeg, dan kijkt iets
ons nog aan dat wij vergeten zijn.
Zo zit men dus de tijd te kijken,
de wijdte tussen alles en zichzelf,
hopeloos door elkaar. En ziet
door staren in het wak niet meer
dat ook een langzaam oog,
liefst ademloos, ons overkijkt.
Er is geen andere mogelijkheid. 
Kijken is kenmerkend voor Dewulf. Hij is een observator die zo precies mogelijk noteert wat hij waarneemt. Je hebt het idee dat hij het liefst niet aan het leven zou deelnemen. In het openingsgedicht, ‘Notitie’, schrijft hij: ‘Nooit wil het bij kijken blijven.’

In het bovenstaande gedicht constateert de verteller dat er altijd wat te kijken is, ook als je het idee hebt dat er weinig of niets te zien is. Alles wat er is, wil gezien worden.

Het midden van het gedicht vind ik het interessantst: ‘Zo zit men dus de tijd te kijken.’ Aan de ene kant zit men de tijd uit met kijken of zit men de hele tijd te kijken, maar tegelijkertijd kijkt men de tijd, neemt men de tijd waar.

De verteller gebruikt hier het onpersoonlijke ‘men’, terwijl hij waarschijnlijk ‘ik’ bedoelt. Maar Dewulf wil afstand houden. Door naar de ruimte te kijken, neemt hij de tijd waar, ‘de wijdte tussen alles en zichzelf, / hopeloos door elkaar.’

Met zo’n zinnetje pakt Dewulf me. Het waarnemen van de dingen wordt het waarnemen van de tijd en van zichzelf in die ruimte en die tijd – de verhouding van ‘ik’ tot ‘alles’. En dan raakt alles ‘hopeloos door elkaar’.

Een blik op die verhouding noemt Dewulf ‘staren in het wak’. Ik vond dat ‘wak’ wel mooi gevonden. Nijhoff komt natuurlijk even om de hoek kijken bij zo’n woord, maar ook is een wak een gat waarin je kunt verdrinken, een plek waar je niets stevigs meer hebt om op te staan.

Eigenlijk had ik daar in dit gedicht wel meer over willen lezen, maar Dewulf komt met de notie dat de waarnemer ook zelf waargenomen wordt. Door de dingen of door een hogere instantie, dat mag de lezer zelf uitzoeken.

Dat is weer niet zo bijster origineel en vooral trekt het ons weg van bij het wak. Dewulf maakt het gedicht mooi rond door af te sluiten met een regel die ook al in de openingsstrofe staat. Dat is een beproefde methode, die Dewulf ook gebruikt in de gedichten ‘Groei’ en ‘Winterhuis’. Voor mijn gevoel is het een maniertje, een technisch dingetje dat de balans moet herstellen na de onbalans die even in het gedicht dreigde te sluipen. Daardoor stelde dit gedicht me uiteindelijk toch teleur.

Zo vergaat het me vaak als ik de gedichten van Dewulf lees. Soms heeft hij werkelijk fraaie vondsten, maar hij draait ze, voor mijn gevoel te vaak weer de nek om. Ik vond ‘goedgelovige lichamen’ mooi gevonden, maar ook hier herhaalt Dewulf dat in de laatste strofe en weg is het effect.

Sommige zinnen houden het overigens ook bij herlezing. Bijvoorbeeld ‘de daghaast van lichamen’ of in het vijfde gedicht van de ‘Litanie van Marthe Bonnard’ waarin de vrouw beschrijft hoe dienstbaar ze is aan de man: ‘Als een dagelijks, dienstplichtig ding.’ Hier wordt het woord ‘dienstplicht’ ontdaan van alle stof, zodat het opnieuw glimt en in datzelfde gedicht gebeurt dat ook bij het verwante woord ‘lijfeigen’. Dat had ik vaker willen zien.

Op die momenten lees ik dingen die nieuw zijn of als nieuw gemaakt. Maar vaker lees ik bij Dewulf zinnen waarvan ik denk dat ik ze al vaker heb gelezen. Die paradoxen bijvoorbeeld! ‘Omdat mijn haast vertraagt’; ‘dat ik haar in de tuin te zwijgen leg / opdat zij spreekt.’ Of zinnen als ‘Ik zal niet rusten voor ik je ontmasker. / Ik zal je niet ontmaskeren voor ik rust.’

In verschillende gedichten schrijft Dewulf over schilders. In ‘Alle vogels stil I’ schrijft hij clichématig: ‘dat hij wachtte voor zijn muur / van verf // op een muziek van elders’.

Veel gedichtten van Dewulf of passages eruit overtuigden me dan ook niet. Vaak vond ik de zinnen net iets te bedacht, te gemaakt, te geconstrueerd, te gemakkelijk ook. Ambachtelijk best in orde, maar ook niet zo heel veel meer dan techniek.

Een enkele keer tintelde er meer in de gedichten. Bijvoorbeeld in sommige passages van de cyclus ‘Insomnia’ die opent met ‘(Liefste) / Hoe is het met ons.’ Een indringende vraag, die niet eens een vraag is, want het vraagteken ontbreekt. De cyclus zakt verschillende keren in, maar sommige zinnen zullen me bijblijven.

Dat geldt ook voor de laatste afdeling van de bundel, ‘De blauwzieke kamer’, waarin eerst Marthe Bonnard aan het woord komt in zeven gedichten en daarna Pierre Bonnard in vijf gedichten. Als ik ooit nog Blauwziek opensla, zal het vanwege deze gedichten zijn. Bij veel andere zal ik doorbladeren.

Pas nadat ik deze recensie geschreven had, kwam ik erachter dat Blauwziek niet een nieuwe dichtbundel is, maar een herdruk van een bundel uit 2006, die in 2007 een tweede druk kreeg. Blijkbaar is er nog steeds vraag naar.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen