dinsdag 13 augustus 2013

Bezweringen



De bundel Bezweringen van Willem van Toorn opent met ‘Bentlage’, een serie van vier gedichten. Het eerste: 
Zetstukken van de herfst in beeld geschoven
waar je maar kijkt: wijnrode muren van hoeven,
vergulde akkers, dwarrelend blad. Hoe slim
je ook over je schouder spiedt – nergens verkeerde
schaduwval, geen naad te zien
waar een kier is geplakt. Je loopt erin.
Theater van vroom najaar. Scherp
tot in de verste diepte. Maar een vermoeden
van iets hoogst ongeziens waar je haast U
tegen zou zeggen als je niet beter wist.
Het klooster door een oude kinderhand
uitgeknipt wit tegen de achterwand.
Kloster Bentlage ligt in Duitsland, aan de Ems. De dichter loopt in de omgeving daarvan rond in een landschap dat bedacht lijkt. Het doet zich voor als een decor, maar zo dat je het niet kunt zien. ‘Je loopt erin’, schrijft Van Toorn, wat zowel duidt op letterlijk lopen in het landschap als op je laten bedriegen.

Maar als dat landschap zo voor je is neergezet, wie heeft dat dan bedacht? Wie is de regisseur van het toneelstuk waarin je speelt? Van Toorn noemt het ‘iets hoogst ongeziens waar je haast U / tegen zou zeggen als je niet beter wist.’ Die ‘U’ (met een hoofdletter) doet wel erg aan God denken. Maar blijkbaar weet de dichter beter. Zijn verstand zegt dat het God niet kan zijn.

Die U komt terug in de volgende gedichten. In het tweede gedicht zingen er ’s avonds kinderen met lampions ‘Ruh’n in Frieden alle Seelen. // Maar zijn dit kinderen, is dit niet het zingen / van de stoet lieve doden in ons hoofd, of van U?’ In dat laatste geval zou het God zijn, die geruststellend zingt dat de zielen in vrede rusten.

In de geciteerde regels maken we kennis met het belangrijkste thema uit de bundel: de lieve doden, die nog dichtbij zijn, doordat ze nog steeds in het hoofd zitten. En de U, de hogere instantie, die niet bestaat, maar die op sommige momenten onontkoombaar lijkt. Van Toorn heeft het ook wel over ‘de goden’.

In het gedicht ‘en Erik’ schrijft hij: ‘Maar boze goden / waar hij niet in geloofde / vonden dat het mooi was geweest / met dat zorgvuldige leven.’ De dood of de aankondiging ervan valt blijkbaar zo buiten onze menselijke systemen, dat we, zelfs als we er niet in geloven, goden creëren, die het leed veroorzaken. Erik schrijft, als hij niet meer praten kan: ‘niemand heeft schuld’. Maar de verteller zoekt blijkbaar toch naar een bedoeling of een zin, wellicht doordat de gedachte dat ons leed zinloos is onverdraaglijk is.

Er is ook een gedicht met de titel ‘Goden’, waarin Van Toorn zegt:
Ik hoef niet tot ze te bidden,
noch kaarsen te ontsteken,
omdat ze niet bestaan
al doen we soms samen van wel
als hun wreed godenspel
steeds weer wonden komt kerven
te diep in wat dan even
ook maar ziel moet heten.
En dan eindigt hij het gedicht  niet met de anonieme goden, maar met: ‘Here zegen deze / lieve doden amen.'

De titel Bezweringen doet vermoeden dat Van Toorn de dood wil bezweren, maar eigenlijk vind ik dat niet zo duidelijk terug. Dit is vooral een bundel waarin de dichter de doden herdenkt. Daar zitten dichters tussen, zoals Guillaume van der Graft, C.O. Jellema, Hans Faverey en Herman de Coninck, en verder vooral familieleden.

Degenen over wie hij schrijft zijn dood, maar doordat hij over hen schrijft, zijn ze weer even levend, zoals ze in het hoofd van de dichter steeds levend zijn. Over zijn schoonzus Ella schrijft hij:
(…) Als ik haar
terughoor in dat hoofd van mij
is ze nog nooit dood, haar lach
klinkt nog door kamers. Ze slaat
een mooi been in een zijden kous
over het andere. Ze wacht -
In het gedicht ‘Amstelpark met gezelschap’ is de verteller alleen in het Amstelpark, maar in zijn hoofd wordt het een déjeuner sur l’herbe, met de altijd aanwezige doden. ‘Ik stel niemand voor, jullie kennen / elkaar uit dat hoofd van mij, mijn doden van plezier.’

Het doet  me denken aan het verjaardagsfeest uit het debuut van Fleur Bourgonje, waar ook alle doden en verdwenenen aanwezig zijn. Zo is er meer in Bezweringen dat andere literatuur oproept. Soms verwijst Van Toorn naar bekende zinnen, zoals ‘Eens liep zij hoog te spreken / langs de Noordzee’ uit Een winter aan zee van Adriaan Roland Holst. Van Toorn plaatst de verwijzing (‘van wie hier met ons in dit landschap liepen, hoog / te spreken tegen de horizon’) in de afdeling ‘Een winter in Le Petit Jouhet’ en dat zal niet voor niets zijn.

Het tweede gedicht uit de serie ‘Bezweringen voor T.’ doet mij qua toon denken aan de in memoriams die C. Buddingh’ schreef in de bundel Het houdt op met zachtjes regenen (1976)
Zoals gezegd, de herdachten in Bezweringen zijn voornamelijk familieleden en schrijvers, die misschien ook een soort familie zijn. Familie is er met een zekere vanzelfsprekendheid, waardoor je vaak niet onder woorden brengt wat die familieleden voor je betekenen. Van Toorn verwoordt wat hij tot dan toe ongezegd gelaten heeft.

In de laatste afdeling, ‘Naar het leven’,  doet hij dat bij de (nog) levenden, bijvoorbeeld bij Remco Campert. Hij vertelt eerst dat hij Campert ergens ziet staan, maar hem niet aanspreekt. Daarna:
Ik dacht: Remco niet storen en liep door
en dacht hoe vaak ik dat al niet gedacht had
(want je woont in de buurt, ik zie je toch wel
eens in de maand) en dan dus niet zei
wat ik zo vaak al eens had willen zeggen: dat je
en zoveel jaren lang en glazen en sigaretten
en veel gelachen ook en hoe

 Dus zeg ik dat nu maar.
Het lijkt alsof de dichter in de grote witruimte alle herinneringen oproept waarin Campert voorkomt, alles wat hem dierbaar is en waar hij nooit iets over gezegd heeft. In dergelijke gedichten lijkt hij al een voorschot te nemen op het gemis, waartegen uiteindelijk weinig te doen zal zijn.
Er is geen troost dan liefde, denk ik nu.
Liefde mag dan niet helpen tegen de dood,
maar maakt dat slepen met het rotsblok draaglijk,
of soms zelfs feestelijk. Wat voor naam
we dan bedenken voor het Groot Gemis
maakt weinig uit.
In een ander gedicht roept Van Toorn op om naar buiten te gaan en te genieten van wat je daar ziet: ‘Pluk de dag / die voor je ligt zolang het duren mag.’ En misschien is dat maar kort. Zoals schoonzus Ella zei: ‘Pas maar goed op je leven (…), het is zo lang niet meer als het leek.’


Bezweringen is een liefdevolle bundel over vergankelijkheid. Over wat verdwijnt en desondanks blijft, over de doden die in je hoofd blijven leven, over de onontkoombaarheid van de dood en het machteloze verweer van de liefde daartegen. Een krachtige bundel van een oudere dichter, wiens werk nog geen enkel sleetplekje vertoont. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen