donderdag 6 juni 2013

Sprakeloos


Van sommige boeken weet je dat ze je zullen bevallen, al voordat je eraan begint. En toch stel je het lezen ervan uit. Of je leest ze helemaal niet. Zo vergaat het mij in ieder geval. Voskuil? Nooit wat van gelezen. Toen Van der Heijden nog Patrizio Canaponi heette, las ik zijn werk meteen. Maar van de cyclus De tandeloze tijd waren al drie delen verschenen, voordat ik eraan begon.

Zojuist las ik Sprakeloos van Tom Lanoye, een boek uit 2009. Ik had het gejuich in de recensies natuurlijk wel opgemerkt en toch kwam het er niet van. Vreemd eigenlijk. Lanoye lees ik al vanaf het begin. Samen met Dirk Zwart las ik Rozengeur en maneschijn en we gnuifden. Ook In de piste en Bagger schafte ik aan. Lanoye was toen (in mijn herinnering althans) nog maar een klein naampje.

Ik bleef hem volgen, zowel wat zijn essay betreft als zijn romans. Ik kocht en las dus Doen! en Maten en gewichten, maar ook Een slagerszoon met een brilletje, Kartonnen dozen, Alles moet weg! En toen ging het, ergens in de jaren negentig, mis. Door Het goddelijke monster kwam ik maar met moeite. Las ik het boek op het verkeerde moment? Was ik moe? Is het gewoon een niet zo goed boek? Ik weet het niet, maar ik liet het werk van Lanoye versloffen.

Voor Zwarte tranen en Boze tongen kreeg Lanoye prijzen, maar ik heb geen moment overwogen die boeken tot mij te nemen. Wel kocht en las ik, een handvol jaren nadat het verscheen, Niemands land, gedichten uit de Grote Oorlog. Dat was alles.

Maar tijdens de Boekenweek vorig jaar las ik wel het boekenweekgeschenk Heldere hemel en vond het in zijn bescheidenheid een fraai boekje. Een jaartje later kocht Sprakeloos en dat kwam vervolgens terecht op de stapel boeken die ik echt (echt!) wil gaan lezen, maar waar het maar steeds niet van komt. Allerzielen van Nooteboom ligt ook op die stapel.

Nu is het van die stapel af; het kan in de kast. Ik heb Sprakeloos gelezen en ik ga het iedereen aanbevelen: prachtig boek. Het leest al heerlijk: het is iets breder dan een gemiddeld boek en het blijft veel makkelijker open liggen. Maar het is ook het soort boek waarvan ik hou: een boek waarin iemand eens grondig het nest verkent waaruit hij komt.

Op een gegeven moment gaat de ik-figuur in het boek met zijn moeder, en dus met de lezer, door de wijk heen en vertelt wie er allemaal wonen. Ik was weer terug bij een andere grote Vlaming, Walter van den Broeck, die in Brief aan Boudewijn hetzelfde doet. Van dat boek (en veel andere boeken van Van den Broeck, doch niet alle) heb ik, goed dertig jaar geleden, ook zeer genoten.

Het verhaal zal intussen wel bekend zijn: de moeder van Lanoye, die actrice was, krijgt een attaque, waarna ze haar spraakvermogen verliest. Lanoye beschrijft haar gang naar het einde, nadat hij al de dood van zijn vader (die zijn vrouw een paar jaar zou overleven) beschreven heeft. Daartussendoor haalt hij herinneringen op waarin wij de moeder leren kennen toen zij nog jonger was.

Natuurlijk kan, wil en mag Lanoye niet om zichzelf heen, de jongste zoon uit het gezin. Hij vertelt bijvoorbeeld ook over zijn coming-out en over de reactie van zijn moeder erop.

De strijdbaarheid van de moeder, vinden we terug bij de zoon. Hij eindigt het boek ermee. Lanoye zit bij het sterfbed van zijn moeder:
En daar en dan heb ik mezelf gezworen dat ik voortaan, van nu af aan, één roeping heb, één doel, één godverloren zelfgekozen plicht, omdat ik weinig anders kan, niets anders heb geleerd en nergens anders in geloof. Dat ik, wanneer en waar ik er de kans toe zie, de stilte zal bestrijden met mijn stem, de leegte zal proberen te betwisten met mijn woord, al het beschikbare papier ter wereld zal proberen te bevechten met mijn taal. Laat dat mijn rebellie zijn, mijn revolte, tegen slijm, tegen gereutel. Laat me minstens dit als muiterij. Dat er geen tel meer zij, geen blad, geen boek, dat niet in honderdduizend tongen spreekt, dat niet getuigt van woordenschat. Nooit meer zwijgen, altijd schrijven, nooit meer sprakeloos.
Begin.
Een mooi slot, met een mooi slotwoord. En dat voor iemand die al een oeuvre op zijn naam heeft staan en dus de hele boel al bij elkaar geschreeuwd en gezongen heeft.

Na dit boek hoeft Lanoye eigenlijk niets meer te schrijven, maar dat zou wel zonde zijn. Er zijn veel goede boeken van Vlaamse schrijvers uitgekomen, de laatste jaren. Post Mortem van Peter Terrin bijvoorbeeld, en er zijn ook lovende geschreven over andere schrijvers. Maar als we een opvolger moeten aanwijzen voor Boon en Claus, denk ik toch in de eerste plaats aan Lanoye. Hang hem die mantel maar om de schouders. En schiet op met die kroon!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen