dinsdag 18 juni 2013

Tempel



Tien jaar lang verscheen er geen bundel van Mustafa Stitou. En nu is er Tempel. Daar moet lang aan gebeiteld en geschaafd zijn.

Bijna aan het eind van de bundel staat het gedicht ‘Beginselen’, dat Stitou schreef toen hij stadsdichter van Amsterdam was, op uitnodiging van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
Beginselen
 We strijden door tot we het gras horen groeien.
De wolken zich neuriënd verplaatsen. Aan de wilgen
wordt ons wapentuig gehangen. Waakhonden
worden met slingers versierd. Onze ogen ontgift.
Onze tempels alleen nog door vogels gebouwd.
Inleiding in de Liefde wordt een verplicht vak
op middelbare scholen. Met iedere groet maken we
nieuwe hersencellen aan, met ieder vriendelijke woord.
Niets bedroeft de burger meer dan een bedroefde
buurman of –vrouw. In elk bestuurslichaam
domineren moederfiguren. De tv slikt anti-
psychotica. En de god van Spinoza keert terug,
eindelijk, om de andere goden tot bedaren te brengen;
doodkalm eten ze een patatje in de Voetboogstraat.
Burenruzies lopen op bruiloften uit of levenslange
vriendschappen. Noodweer wacht tot iedereen
binnen is. Een troep engelen staat de straatcoaches bij.
Als de dag de nacht vraagt nog even te wachten
luistert de nacht soms. We leven weer met de doden
en de doden met ons. Imams, rabbijnen, dominees,
politici en professoren, ze lopen in een jaarlijkse
optocht in apenkostuum zwijgend door de stad.
De partij van de vogelaars stijgt opnieuw in de peilingen!
Ook de partij van de laatste postzegelverzamelaars
doet het goed. Het Kwaad, vertellen we elkaar,
is teruggelokt de onderwereld in die vervolgens
volgestort is met beton. En het Goede,
het Goede is ons steeds te snel af. In onze groene
en blauwe, bruine en grijze ogen fonkelt non-stop
de onsterfelijke ziel. Pakken melk en potten honing
worden uitgedeeld op straat. Boeddha likt
zijn iPhone schoon. Volksmenners kweken
rozen in parken. De beurs wordt overgenomen
door muzikanten. De god van Abraham lacht het hardst
om de grappen die over hem worden gemaakt. Valse
profeten rukken hun opgeplakte baarden af,
vallen jankend travestieten in de armen. 
Stitou schetst in ‘Beginselen’ een ideale wereld. Een wereld waarin het Kwaad opgesloten is in de onderwereld, waarin de Liefde onderwezen wordt op scholen en waarin de politiek beheerst wordt door onschuldige partijen.

‘En de god van Spinoza keert terug, eindelijk’. Die god van Spinoza die staat gelijk aan de natuur. Niet voor niets begint Stitou zijn gedicht met gras en wolken. En met wilgen, die waarschijnlijk symbolisch zijn, maar die door de context concreet worden.

De natuur is van goede wil: noodweer wacht tot iedereen binnen is en de nacht vertraagt soms zijn komst als de dag erom vraagt.

Maar zover is het natuurlijk nog niet. Eerst moet er gestreden worden, volgens de eerste regel. Aan die strijd besteedt Stitou verder geen aandacht; hij toont ons meteen het perspectief als de strijd ten einde is.

Zo’n vooruitzicht is te vergelijken met een hemel of een hiernamaals dat zo’n beetje alle godsdienten kennen. Ook in Stitous gedicht zijn de godsdiensten aanwezig. Ze maken geen ruzie meer met elkaar. De engelen, door welke god dan ook gezonden, bemoeien zich met het oplossen van problemen en de godsdienst, de wetenschap en de politiek zijn alle even belachelijk en vinden dat niet erg.

In de rest van de bundel komt Stitou geregeld terug op godsdienst en op wat heilig is. En op de natuur.
Die natuur lijdt. In de cyclus ‘Van stier tot stier’ spreekt de stier tot Zeus, die in de gedaante van een stier Europa ontvoerde en haar dekte. Maar de sprekende stier heeft het minder getroffen: hij moet een nepstier bespringen en zijn zaad lozen ten bate van kunstmatige inseminatie. Stervelingen bestieren de dieren, klaagt de stier. De goden zijn geruimd.

Het rund komt veelvuldig voor in ‘Tempel’. De afdeling ‘Koeiensuite’ is geheel gewijd aan de koe, wat ook geldt voor de cyclus ‘Soms ontsnapt ons’. Het zevende en laatste gedicht: 
Soms ontsnapt ons
een koe maakt bij ons los
ontzag, deernis

en lacherigheid.
(Afgrondelijke

lacherigheid.)
Het ontzag en de deernis vinden we in de gedichten van Stitou terug. Om hem heen ziet hij waarschijnlijk vooral de lacherigheid. Wij nemen de koe en wellicht de hele natuur niet meer serieus. Blijkbaar is niets meer heilig.

Stitou lijkt die heiligheid terug te willen, het ontzag, het geheim. In een gedicht dat een soort vakantiefolder is, komen ineens kinderen voor die tijdens begrafenissen aan palen gebonden zijn, opdat hun ziel niet haar intrek neemt in het lijk dat voorbijgedragen wordt.

Het kan voorkomen in de ‘folder’ als een soort folkloristische attractie, maar ik denk dat het meer is. Stitou laat zien hoe de oude mythen en rituelen binnen onze werkelijkheid dringen.

De bundel opent met een zoon die zijn vader gaat begraven, maar het lichaam niet meer kan torsen, zodat vader zelf naar zijn graf moet lopen. Verwoed dicht de zoon het graf.

Dat gedicht staat op een prominente plaats. Wellicht dat alle volgende gedichten de palen zijn waaraan de dichter zich vastbindt om zijn ziel te behouden. Dat valt niet mee in de onvolmaakte, gebroken wereld waarin we leven. Ooit zal het anders zijn, ooit zal onze ziel non-stop fonkelen in onze ogen. Maar dan moet de beurs eerst overgenomen worden muzikanten. Dat kan nog even duren.

Mustafa Stitou, Tempel. Gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam 2013. 64 blz. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen