vrijdag 16 januari 2026

De blauwe nevels van Amsterdam (Bruno de Roover / Przemyslaw Klosin)

Ook wie nog nooit een boek over Sherlock Holmes gelezen heeft, kent zijn wereld. Daar zorgen de films en series wel voor. Als ik mag vertrouwen op Wikipedia is Holmes de meest verfilmde fictieve figuur en zouden er meer dan tweehonderd films over hem zijn. En hij is de hoofdpersoon in verschillende strips. Nog onlangs besprak ik Sherlock Holmes vs Arsène Lupin en Bart van der Steen schreef een mooi artikel op 9e Kunst, waarin de Holmeswereld nog veel verder wordt uitgediept. 

Bij Uitgeverij L verscheen De blauwe nevels van Amsterdam, geschreven door Bruno de Roover en getekend door Przemyslaw Klosin. De kern van detectivestrips is dat de speurder wordt geconfronteerd met een probleem dat hij moet oplossen. Dat probleem moet werkelijk lastig zijn en de oplossing moet vaak gefrustreerd worden totdat je gaat denken dat dit misschien net te hoog gegrepen is voor de held, die aan het eind natuurlijk toch triomfeert. 

Holmes als moordenaar?

Dat heeft De Roover in deze strip goed voor elkaar. Sherlock Holmes wordt aangetroffen bij het lichaam van een vrouw, Daisy Tuppence, dat overdekt is met bloed. Zo vindt dr. Watson hem. Hij zegt aan de inspecteur alle medewerking toe: 

We móeten hem vinden, inspecteur! Geen enkele misdaad mag ongestraft blijven! Ook al heet de moordenaar Sherlock Holmes!

Watson is gewoonlijk de helper van Holmes, maar als zelfs hij niet meer in de onschuld van Sherlock Holmes gelooft, dan staat Holmes dus helemaal alleen. Hij roept Watson trouwens wel te hulp, maar hij houdt er rekening mee dat die hem ook meteen de politie op het dak zal sturen. 

Amsterdam

Holmes gaat naar Amsterdam, waar de jacht op hem, maar ook de speurtocht van Holmes verder gaat. Er vallen nog meer doden. Op een gegeven moment is het zelfs maar de vraag of Sherlock het overleeft, maar uiteindelijk komt het natuurlijk goed. 

Het verhaal van De blauwe nevels van Amsterdam zit stevig in elkaar en het is bijzonder spannend. Het is geen album om half te lezen en later de tweede helft tot je te nemen - als je eraan begint, lees je het uit. Dat het zich voor een deel in Amsterdam afspeelt, geeft het een extra charme. De bouw van het Rijksmuseum is bijvoorbeeld voltooid in 1885 en het eerste verhaal over Sherlock Holmes verschijnt in 1887. Het Amsterdam uit die tijd en Sherlock Holmes matchen goed met elkaar. 

Tekeningen

Klosin heeft dit soort decors goed gebruikt, zonder dat ze al te nadrukkelijk worden. Over de tekeningen ben ik toch wel enthousiast: op de titelpagina staat bijvoorbeeld een tekening van Sherlock Holmes op een brug. Karakteristieke kleding, pijp, wat vage achtergrond. Een stemmig plaatje, waarin Holmes goed getekend is als iemand die op zichzelf aangewezen is. De tekening vinden we ook terug op het achterplat. 

Ik vind het ook mooi dat in dit album de held niet bij voorbaat smetteloos is, maar dat hij mogelijk vuile handen heeft gemaakt. En de werkelijke dader is misschien ook niet alleen maar slecht. Of, zoals Watson opmerkt tegen Holmes: 'By Jove! Je hebt bewondering voor hem!' 

Dat alles geeft De blauwe nevels van Amsterdam meer dan de gemiddelde detectivestrip. Het is meer dan de lol van het oplossen van een raadsel. Er staat meer op het spel, het raakt meer aan het duister, het doet meer met de personages, die daardoor meer psychologische diepte krijgen. Prima strip!



donderdag 15 januari 2026

Afgestoft: signaleringen (1)

In het literaire tijdschrift Liter werden indertijd naast de recensies ook korte besprekingen opgenomen in de rubriek 'Signaleringen'. In de tijd dat ik voor het tijdschrift schreef, heb ik verschillende van die korte stukjes geproduceerd en die veeg ik nu bijeen. Ik zal er steeds een paar in een bijdrage verzamelen. 

Deze keer zijn het er vijf, allemaal over poëzie. Onder de bundels bevinden zich twee bloemlezingen met gedichten over het onderwijs. Onlangs schreef ik over een dikke bloemlezing met gedichten over het onderwijs. Toen ik de bloemlezing van Hans Werkman uit mijn kast haalde, zag ik dat het een gesigneerd exemplaar was. Nam Hans Werkman in 2000 afscheid van Liter? Er is vast iemand die dat weet. 

 Psalmbewerkingen


‘Van den beginne wordt gezien, gezien in God, want God is de ziende.’ Zo opent Lloyd Haft de proloog (naar Johannes 1) die voorafgaat aan dertig psalmbewerkingen, verschenen onder de titel Ken u in mijn klacht (uitg. Querido, 45 blz., f 29,90). In de rest van de bundel wordt God dan ook vaak aangesproken met Ziende, hoewel in sommige psalmen Horende of Sprekende beter op hun plaats zouden zijn.

De bundel is geen nieuwe vertaling van de psalmen, al volgt Haft de tekst vaak wel op de voet. Inhoudelijk geeft hij er echter nogal eens net een andere draai aan. In de Statenvertaling luidt Psalm 39:13: ‘Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.’ Bij Haft wordt dat: ‘Hoor wat in mijn smachten is te horen,/vind geen vrede in mijn tranen/want evenals u [cursivering T.B.] ben ik/vreemde en op doortocht.’

Verscheidene van Hafts bewerkingen zijn nogal braaf en weinig verrassend. Hoe eigenzinniger hij omspringt met de grondtekst, hoe beter zijn gedichten zijn. Tot slot een voorbeeld daarvan:

Naar psalm 150

Loof de ziende. Loof hem
in zijn verborgenheid. Loof hem
in het onkenbare dat hij zal kennen.
Loof hem
om het onvindbare van zijn vondsten,
loof hem
op de onmaat van zijn maten.
Loof hem met ons koperen geschal,
loof hem met onstembare harp,
loof hem met knappende snaren,
loof hem met dom gedans.
Loof hem met blèrende bekkens:
loof hem, al wordt ons bekken geplet.
Alles wat nog hijgen kan
love de ziende.
Loof. De ziende.
Uit: Liter, jaargang 1, nr. 4 (1998)


Roel Brouwer

In de poëzie van Roel Brouwer, gebundeld in Hoe het nooit verdwijnt (uitg. Servo, Assen 58 blz.) struikel je om de haverklap over de natuur of het landschap. Daarnaast zijn er herinneringen aan de ouders en aan een gestorven ‘jij’.

De meeste gedichten zijn middelmatig van kwaliteit en sommige zijn zelfs onder de maat. Soms weet Brouwer zijn gemiddelde niveau te ontstijgen, wat dan toch enkele aardige gedichten oplevert:

Ontmoeting

Magdalena, zevenvoudig
in de boeien van haar wanen
kon niet bloeien, hoe ontluisterd
liep zij scheldend langs de straten
door de hoven, bij de groeve
ongeschoeid en zonder hoofddoek
kinderen riepen achter hekken
kijk Maria, kijk die gekke -
Toen zei iemand: kind ik ken je
ik verwacht je, en haar zinnen
gingen open en zij lachte
ach hoe mooi was toen Maria

en de minnaar - was hij tuinman,
vreemde meester van de graven? -
bood zijn rozen in de morgen
zevenvoudig, Magdalena.
Uit: Liter, jaargang 1, nr. 4 (1998)



 Oud asfalt

Van de dichter Kees Hermis verscheen bij uitgeverij Hoenderbossche Verzen de bundel Oud asfalt. Vooral de buitenkant van de bundel ziet er fraai uit; er is duidelijk aandacht besteed aan de vormgeving.

De bundel bevat gedichten in grote diversiteit. Absurdistische (‘opa rookt pijp uit een lantaarnpaal’) en realistische, korte en lange, sobere en pathetische.

Hermis maakt graag gebruik van beelden. Soms maakt dat de gedichten sterker, maar in verscheidene gevallen dreigen de gedichten te bezwijken onder de beeldenlast. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het gedicht ‘Vlieland’, waarvan de eerste strofe luidt: ‘Je haalt je handen open aan de scherpe / randen van een onweerslucht die met / de lippen opgerold zijn tanden toont.’

Een van de betere gedichten vind ik ‘De werkplaats van mijn vader’:
De werkplaats, geur van grenen.
In schaven, beitels, hamers woont
het verleden onverzaagd.
Wat ooit scheen zoekgeraakt, is
hier bewaard. Gekleed in tijd
die is verjaard, smaakt het
naar veilig land dat om zich heen
praat met een stem in hout.
Verte die heden beademt,
in merg en been bestaat.

De bundel telt 40 bladzijden, kost f 15,00 en is te verkrijgen door dit bedrag plus f 4,00 verzendkosten over te maken op bankrekeningnummer 636384160 t.n.v. Hoenderbossche Verzen (Patrijsweg 3, 5406 NG) te Uden.

Uit: Liter, jaargang 2, nr. 7 (1999) 



Schoolgedichten

Wie, zoals Hans Werkman, veertig jaar leraar geweest is, krijgt het krijt niet meer uit zijn kleren geklopt. Ook Hans heeft het onderwijs niet losgelaten (of het onderwijs hem niet). Met Nog één keer door die hoge gang heeft hij een bloemlezing schoolgedichten samengesteld die een feest is om door te bladeren. Althans voor déze schoolmeester.

In de inleiding vertelt Werkman dat deze bundel de eerste bloemlezing is die het hele onderwijsgebied van de kleuterschool via de lagere school en middelbare school tot aan de reünie bestrijkt. Om dat duidelijk te maken is de bundel overzichtelijk verdeeld in afdelingen.

De gedichten komen allemaal uit de twintigste eeuw, waardoor iemand als De Schoolmeester met zijn gedicht over schoolmeesters af moest vallen.

De nadruk ligt op de wat recentere gedichten. Misschien worden er de laatste tijd ook meer onderwijsgedichten geschreven, doordat zo veel kinderen zo lang naar school gaan. Toch heeft Werkman ook de oudere dichters niet vergeten, zodat we ook Dèr Mouw, De Mérode (natuurlijk) en Alice Nahon tegenkomen.

Het leuke van een bloemlezing is voor mij altijd de mix van herkenning en verrassing. Ik kwam, als op een reünie, veel oude bekenden tegen, die ik hartelijk heb gegroet en ook nieuwelingen die mij aangenaam verrast hebben. En natuurlijk mis je er altijd een paar, maar dat lijkt me inherent aan bloemlezingen.

Ik stel voor dat alle middelbare scholen een doos vol van deze bloemlezing aanschaffen. Dan kan elke geslaagde leerling tegelijk met het diploma een exemplaar krijgen van Nog één keer door die hoge gang. Het onderwijzend personeel zal dan de exemplaren die over zijn wel meebietsen.

Hans Werkman (samenstelling), Nog één keer door die hoge gang. De honderd mooiste schoolgedichten uit de Nederlandse literatuur. Uitg. Prometheus, 144 blz. f 25,00 

Liter, jaargang 3 (los katern bij nr. 13), (2000) 

Vaarwel o klas

Kort na elkaar hebben twee bloemlezers zich gewaagd aan het thema onderwijs. Hans Werkman verzamelde onderwijsgedichten in de mooie bloemlezing Nog één keer door die hoge gang en nu heeft Gerrit Buesink gedichten en prozafragmenten verzameld in Vaarwel o klas. Het schoolleven in de Nederlandse literatuur. (Mozaïek, 112 blz., f 22,50)

Zo'n bloemlezing is altijd aardig, omdat je in kort bestek een onderwerp door verschillende schrijvers en dichters behandeld kunt zien. Dat onderwerp zal ook velen aanspreken, want we hebben immers allemaal schoolgegaan. Met wat er in de bloemlezing van Buesink staat, heb ik me dan ook best vermaakt.

Wel heb ik me geërgerd aan de slordige manier waarop deze bloemlezing is samengesteld. Bij de ‘Bronvermelding’ ontbreken alle titels, de gegevens (geboorte- en eventueel sterfjaar) over de schrijvers zijn niet volledig, citeren uit afzonderlijke bundels of uit verzamelbundels lijkt volstrekt willekerig.

Het ergste is, dat de bloemlezing volstrekt zonder enige visie is samengesteld. Een structurering ontbreekt, evenals een verhelderende inleiding. In het schamel ‘Woord vooraf’ verklaart de bloemlezer dat de gedichten en prozafragmenten zo veel mogelijk chronologisch zijn gerangschikt, maar ook op dat gebied zijn er vervelend veel fouten gemaakt. Het gekste is dat tussen drie gedichten van Leeflang (alle uit dezelfde bundel) ineens een gedicht opduikt van Muus Jacobse, die al tien jaar dood was toen Leeflangs bundel verscheen.

De keuze werd ‘voor een deel bepaald door de persoonlijke smaak en voorkeur van de samensteller’. Waardoor die keuze nog meer bepaald is, is niet duidelijk. Ik miste verschillende voor de hand liggende schrijvers en dichters. Dat heb je bij bloemlezingen natuurlijk altijd, maar om een boek als De ziekte van Lodesteijn (Lévi Weemoedt) kun je volgens mij eigenlijk niet heen.

Vlamingen zijn nauwelijks opgenomen, terwijl ook bij hen veel over het onderwijs te vinden is. Bijdragen over het onderwijs in onze voormalige koloniën ontbreken geheel.

Vaarwel o klas is aardig om door te bladeren en wat in te lezen, maar het maakt de pretenties in de ondertitel absoluut niet waar. Het verschil met de zorgvuldig samengestelde bloemlezing van Werkman is schrijnend. Het is ongeveer het verschil tussen een lekke wastobbe en een mooi zeiljacht. 

 Liter, jaargang 3 nr. 15 (2000) 


woensdag 14 januari 2026

Afgestoft: Interview met Nasser Fakteh

Nu Iran zo in het nieuws is, in verband met de voortdurende protesten, is het misschien goed om het interview met de van oorsprong Iraanse schrijver Nasser Fakteh onder het stof uit te halen. Het werd gepubliceerd in de zesde jaargang van Liter, nr. 29/30 (2003). Ik geloof dat dat hele nummer gevuld was met interviews, maar dat staat mij toch niet meer zo helder bij. 

Van Fakteh had ik nog niets gelezen toen ik het verzoek van de redactie kreeg. Hij had toen nog maar een enkele verhalenbundel geschreven, Iemand anders (1996) en misschien is het daarbij wel gebleven; ik ben de schrijver en zijn werk uit het oog verloren. 

Ik herinner me nog dat ik me moest haasten om op tijd op mijn afspraak te komen en reizen met een tram behoorde toch al niet tot mijn routine, zodat ik me niet zo op mijn gemak voelde. Nadat ik uitgestapt was, moest ik nog een eindje lopen. Ergens zag ik een huilend meisje staan, maar ik had zo'n haast dat ik niet naar haar toe gegaan ben. Eigenlijk voel ik me daar nog steeds schuldig over, al stond ze misschien wel voor haar eigen huis. 

Wat me vooral bijgebleven is van het interview: Fakteh heeft verschrikkelijke dingen meegemaakt, zowel onder het regime van de sjah als onder dat van de ayatollahs, maar hij heeft de zachtheid behouden en is niet verbitterd geraakt. Dat vond ik bijzonder. 

Hij was ook hoopvol over Iran. Volgens hem waren er wekelijks protesten door studenten, waar niets van doordrong in het westen. Het is een land met een jonge bevolking, zei hij. En uiteindelijk heeft die het buitenland niet nodig om zich te ontworstelen aan het regime. Dat heb ik indertijd niet genoteerd, omdat het niet paste in het interview, maar nu ik het opnieuw plaats, schiet het me te binnen. Ik hoop dat ik het me goed herinner. 


Wat je overhoudt, is de liefde

In gesprek met Nasser Fakhteh

Nasser Fakhteh (1957) woont sinds 1988 in Nederland. In zijn geboortestad Teheran werd hij op jonge leeftijd gearresteerd wegens contacten met verboden politieke groeperingen. Na vijf jaar gevangenis kwam Fakhteh vrij. Onder het bewind van ayatollah Khomeini hervatte hij zijn strijd voor vrijheid en rechtvaardigheid. Na opnieuw enkele jaren gevangenis vluchtte hij door de bergen naar Turkije en uiteindelijk naar Nederland. In 1996 publiceerde hij zijn verhalenbundel Iemand anders.

Je hebt tot nu toe één verhalenbundel in het Nederlands gepubliceerd, maar ook in Iran heb je al drie boeken geschreven. Wat is het verschil tussen je Nederlandse boek en je Iraanse boeken?
Die drie boeken heb ik niet in Iran maar in Europa geschreven, in het Farsi. Ze zijn in Zweden door een Perzische uitgever gepubliceerd. Het is geen ander soort literatuur, maar mijn thema's zijn wel enigszins veranderd. Ze zijn als het ware verrijkt door de nieuwe ervaringen die ik in Europa heb opgedaan, ervaringen die ik in Iran niet had kunnen hebben. Ook de setting is anders. Op één na spelen alle verhalen in Iemand anders zich af in het westen, met daarin flashbacks naar het verleden van de hoofdpersonen. Er kwamen ook personages uit de andere culturen tevoorschijn, terwijl de boeken die ik in het Farsi geschreven heb zich afspelen in Iran. Ze hebben in ieder geval niets te maken met ballingschap.

Zijn er alleen thematische verschillen?
Als je in een andere taal schrijft, begin je de dingen anders waar te nemen. Het zijn niet alleen de woorden. De mensen uit een andere cultuur kijken door de taal naar de samenleving. Menselijke gevoelens zijn universeel, maar door gebruiken en ceremonies die plaatselijk bepaald zijn, krijgen ze een andere nuance. De codes zijn anders, de maskers die men hier in het dagelijkse leven gebruikt verschillen van die men gebruikt in Iran. Dit geldt overigens natuurlijk voor alle plaatsen en culturen.

Heeft het schrijven voor je dezelfde functie gehouden?
In Iran heb ik veel geschreven, maar weinig gepubliceerd vanwege de censuur. Als ik met een roman begon, wist ik niet of ik in de gelegenheid zou zijn om die te voltooien en als dat wel gelukt was, wist ik niet of ik de kans zou krijgen om hem te publiceren. Natuurlijk publiceerde ik af en toe iets, onder verschillende pseudoniemen. De naam Faktheh is een van die schrijversnamen die ik aannam. In Iran kennen ze me ook niet onder mijn eigen naam. Maar hier ben ik vrij om te schrijven wat ik wil en van tevoren weet ik welke uitgeverij het gaat publiceren. Die vrijheid geeft een ander soort gevoel om te schrijven.

Heb je geen behoefte om over het Iran van nu te schrijven?
Ik ben niet meer betrokken bij wat er precies in Iran gaande is. Dus ik kan niet over het Iran van nu schrijven. Ik woon al zeventien jaar buiten Iran en intussen is er een generatie gekomen die ik helemaal niet ken. De taal en de mentaliteit zijn veranderd intussen. Ik ben nu met een roman bezig en daarin schrijf ik over mijn jeugd, de tijd die ik wel ken. Op die manier probeer ik een bruggetje te maken van wat er nu in mij en in mijn land gebeurt met toen.

Ook je personages maken in hun hoofd vaak bruggetjes tussen de buitenwereld en de binnenwereld. Soms lijkt wat binnen hun hoofd gebeurt belangrijker dan wat er buiten hen gebeurt.
Wat is de werkelijkheid? Het gaat niet om de feiten, maar om hoe je ze ervaart. Je loopt op straat en je ruikt of ziet iets en in je hoofd maak je in een paar seconden een grote reis. Het kan zijn dat je de hele dag niet meer loskomt van die paar seconden. In mijn verhalen begin ik vaak met de dingen uit de gewone werkelijkheid en die brengen dingen in het hoofd van een personage op gang. En die dingen gaan soms met hem op de loop. Realiteit is niet wat wij zien.

Waarheid is relatief.
Niet alleen dat, de waarheid krijgt verschillende versies naar gelang het perspectief van waaruit je waarneemt.

Is er niets algemeen geldends over de waarheid te zeggen? Bestaat er alleen een persoonlijke waarheid?
De waarheid heeft vele gezichten. Ik geloof niet in een persoonlijke waarheid, maar wel in persoonlijke waarheden. Maar zelfs die persoonlijke waarheden veranderen onder invloed van allerlei gebeurtenissen die mensen meemaken en veranderingen die zij ondergaan. Ik weet niet meer wie het gezegd heeft, maar er is ooit gezegd: ‘Als iemand op zoek is naar de waarheid, heb ik hem lief, maar als hij beweert de waarheid gevonden te hebben, vermoord ik hem.’ Waarheid kan een dogma worden.

In het verhaal ‘Ik heb het tegen jullie, bastaards!’ heeft de hoofdpersoon ook zo'n sterke persoonlijke werkelijkheidsbeleving. Maar die klopt duidelijk niet met wat wij als werkelijkheid ervaren.
Wat hij denkt is voor hem werkelijk. Hij wordt vervolgd, in zijn hoofd. Dat is zijn realiteit. Zijn Nederlandse vriendin leeft in een andere realiteit, de ‘gewone’ realiteit. Ik heb hem niet van buitenaf willen beschrijven, maar van binnenuit. Een vriend van mij, die ik jarenlang in Iran kende, was voor mij de aanleiding. Hij heeft in Parijs gestudeerd en kwam terug in Iran.
Later is hij in Nederland gekomen, waar hij vier jaar in een opvangcentrum zat. Hij dacht dat overal camera's en microfoons verborgen waren. Hij belde mij op en zei: ik geef je twee telefoonnummers. Als ik vermoord word, zijn dat mijn moordenaars. Het verleden was voor hem nog steeds heden. Nu gaat het trouwens wat beter met hem.

In ‘Een paar ogen’ staat ook een andere werkelijkheid centraal. Niet van de waan, maar van de droom.
Als je verward bent, als je ratio geen onderscheid kan maken tussen verleden en nu, wordt de werkelijkheid anders. Je hebt geen controle over wat je meemaakt. Maar als je wakker wordt uit een droom, weet je dat je gedroomd hebt. Soms ben je ze ook weer zo vergeten. Maar sommige dromen zijn heel scherp, zoals in het verhaal van de twee ogen. De therapeut probeert een verbinding te leggen tussen wat de hoofdpersoon droomt en zijn verleden. Uiteindelijk kan hij zich herinneren dat het de ogen zijn van de mensen die in de gevangenis anderen verraden.
Het gekke in dit verhaal is, dat wat hij droomt, wordt getekend door zijn zoon, die niet weet wat zich in het verleden van zijn vader afspeelt. Ik had daarbij ook het oog op de theorie van het collectief onderbewuste. Het kind voelt op een irrationele manier wat de vader meegemaakt heeft.
Ik wilde ook laten zien dat we hier veilig in Nederland zijn, maar dat dat niet alles is. Juist omdat je hier veilig bent, begint het hier. Als je in het gevaar bent, in het vuur, is je weerstand veel groter en je weet hoe je met vreselijke dingen om moet gaan. Als je naar een veilig land vlucht, denk je eerst dat alles voorbij is, maar dan begint het pas. Wachten bij de poort van het paradijs is vreselijker dan verblijven in de hel. En de mensen om je heen zeggen: Wat klaag je nu? Je hebt een huis, je hebt eten, je hebt alles! Het moet maar eens afgelopen zijn. Ik heb willen laten zien dat er niet alleen bij ons, maar ook bij onze kinderen nog steeds trauma's zijn. Het gaat door meer generaties heen. Kijk maar eens naar de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog.
Iran heeft bijna acht jaar oorlog achter de rug, ik heb zeven en een half jaar in de gevangenis gezeten. We hebben een revolutie meegemaakt, hebben moeten onderduiken, en nu zijn we hier, maar het is niet afgelopen. We moeten hier zo veel dingen afleren en bijleren om een nieuw leven op te bouwen.

Je bouwt niet alleen aan een nieuw leven, je draagt ook je oude leven met je mee.
Ja natuurlijk. Het leven van een balling is een gespleten leven. Een van mijn personages zegt: als je eenmaal je huis verlaat, verlaat je het voor altijd. Zelfs als ik de mogelijkheid zou krijgen om terug te gaan, dan is daar niet meer mijn huis. Er zijn daar zo veel dingen veranderd en er zijn ook zo veel dingen in mij veranderd, dat ik voorgoed een balling ben. Ik ben een vreemde geworden. Een dierbare vreemde, maar toch een vreemde.

Je boek gaat over dat vreemdelingschap tussen twee werelden.
Het heet niet voor niets Iemand anders. Als je weg bent uit je land, word je iemand anders. In de roman waaraan ik nu vierenhalf jaar werk, heeft het hoofdpersonage verschillende namen. In het verzet, toen hij heel jong was, kreeg hij een naam van de organisatie. Drie of vier jaar functioneer je als een naam, die voor jou heel belangrijk is. Maar als dat voorbij is, is er niet alleen een naam weg, maar een persoonlijkheid die je was. Nou ja, niet weg, het zit in je hoofd, maar je voelt een leegte. Ik had ook wel verschillende namen tegelijk. Op mijn werk, in de buurt waar ik woonde en de naam waaronder ik mijn huis huurde, in de organisatie bij mijn kameraden. Je weet niet meer wie je bent, omdat je al die personen bent. Toen ik hier kwam, hadden al die personen geen functie meer, maar bleven diep in mijn innerlijk aanwezig en lieten mij niet met rust. Daarom is identiteit voor mij een belangrijk thema.

De roman gaat ook over je jeugd. Ben je religieus opgevoed?
Het was niet zo heel religieus, maar religie was tot mijn veertiende wel belangrijk. In mijn roman speelt seksualiteit een grote rol. Religie had veel invloed op mijn seksuele ontwikkeling. De man die lesgaf over de koran legde er altijd de nadruk op dat mannen en vrouwen van elkaar verwijderd moesten zijn voor het huwelijk. De grootste zonde was dat iemand masturbeerde. Elke druppel sperma, zei hij, was een ongeboren kind. En wie dat verspilt, is een moordenaar van al die ongeboren kinderen. En juist doordat er tussen mannen en vrouwen zo'n Chinese muur staat, blijf je als veertienjarige masturberen. Met een zwaar schuldgevoel natuurlijk. Ik had ook dromen dat ik in de hel was en mijn geslachtsdeel in een slang veranderde. In die zin heeft religie invloed gehad.

Je beschrijft religie nu als een beperking. Was er ook een positieve kant?
Als je bijvoorbeeld tentamen moest afleggen, dan bad je en beloofde dat je, als je geslaagd was een paar kaarsjes in de moskee aan zou steken. Als je in een nare situatie terechtkwam, ging je bidden. Maar echt positief is dat niet.

Via de religie worden toch niet alleen de normen overgedragen, maar ook de waarden, mag ik aannemen.
Ik heb een probleem met het begrip ‘normen en waarden’. Normen en waarden zijn alleen goed als ze op een positieve manier aansluiten op een bepaalde situatie. Daarbij komt dat ik eigenlijk alleen geïnteresseerd ben in waarden. Als iemand er de juiste waarden op nahoudt, zal hij of zij in verschillende situaties weten welke normen juist zijn. Als men slechts gefocust is op de handhaving van normen, dan gaat dit vaak juist ten koste van belangrijke waarden. Voor menselijkheid heb je geen religie nodig. Religie is slechts een middel om normen en waarden over te dragen en biedt geen garantie dat de specifieke normen en waarden die overgedragen worden positief zijn. In mijn jeugd, bijvoorbeeld, werd de koranles op school meestal gegeven door niet-geslaagde moellahs. Ze hamerden op regels (normen dus), dat was het enige wat je hoorde. Terwijl je wist dat zij zich zelf niet aan die regels hielden. Ze waren schijnheilig en ongeloofwaardig en beschadigden daarmee de achterliggende waarden die ze propageerden.

Hoe zat dat binnen het gezin waarin je opgroeide?
Als kind leer je gewoon dingen. Hoe je bijvoorbeeld met andere mensen omgaat, hoe je iets kunt waarderen. Die dingen die horen bij de samenleving, waar je als individu deel van uitmaakt. Dat geeft een gemeenschapsgevoel. Eerst in het gezin, later op school, in je vriendenkring, in je wijk.
Maar een kind moet ook ruimte hebben, moet ook kunnen spelen. Je kunt niet verwachten dat een kind zich gedraagt als een volwassene. Mijn moeder was niet bijster religieus, maar wel heel ernstig. Ze wilde op haar manier ons iets leren.
Maar als je opgevoed wordt met een vuist of een knuppel, als het je opgedrongen wordt, dan roept het alleen maar weerstand op.

Wat is het positieve dat je overgehouden hebt uit je jeugd?
Van mijn beide ouders heeft mijn vader duidelijk een positieve rol gehad. Van hem heb ik een aantal waarden meegekregen die ik nog steeds koester. Waarden als medemenselijkheid en respect voor het kleine en weerloze. Ook aan mijn broers en zusters heb ik goede herinneringen. Door hen heb ik leren delen en communiceren. Daarnaast ben ik natuurlijk opgegroeid in een moslimgemeenschap en heb ik als kind geleerd in God te geloven.

Dat is iets wat je intussen kwijt bent?
Ja.

Mis je dat?
Misschien mis ik het geruststellende idee dat er iemand is die altijd over je waakt en voor je zorgt. Je kan bijvoorbeeld naar de moskee gaan of naar de kerk, maar wat er in de samenleving speelt, heeft meer te maken met machtsposities, met rijkdom en armoede. We kregen te horen dat dat is wat God wil. Als je dan ziet hoe rot de wereld is, kun je alleen maar denken dat het een vreselijke God is. Er is maar een heel kleine groep mensen die alles heeft en de rest zit in de ellende.

Later werd je communist. Vond je het communisme gewoon een betere theorie dan de religie?
Ja. Maar ook omdat ik zoveel hypocrisie heb gezien. De mensen die ons op het religieuze pad probeerden te houden, waren zo weinig geloofwaardig. Ik zag hoe die mensen zich gedroegen. Daar wilde ik niet bij horen. Het fascinerende aan het communisme was voor mij de gelijkwaardigheid. Eén voor allen en allen voor één. Maar we wisten natuurlijk niet wat er in de zogenaamde communistische landen gebeurde. We dachten dat er een democratische staat zou komen, waarin voor iedereen gezorgd zou worden. Het grootste deel van de Iraanse bevolking bevond zich in een armoedige en uitzichtloze situatie en was analfabeet. We dachten dat dat allemaal zou veranderen.

Ook daar heb je later afstand van genomen.
Ja, dat was te naïef gedacht. Ik heb afstand genomen van het dogmatisme van het communisme, maar de idealen van rechtvaardigheid draag ik nog steeds mee. Zo simpel als het communisme het voorstelde, bleek het allemaal niet te zijn. Je kunt wel de structuren veranderen, maar niet de menselijke natuur. Als mensen macht hebben, zullen ze er altijd misbruik van maken. Hebzucht zal er bijvoorbeeld altijd zijn. Mensen willen meer hebben, ook als dat ten koste gaat van mensenlevens.

Het kwaad zit in de mens.
Ja. Ik heb in Iran in de gevangenis van twee regimes gezeten en dan zie je alles zo bloot, vol extremen. Je ziet iemand die tot de laatste minuut van zijn leven ‘nee’ zegt tegen de macht, ook al weet hij dat hij doodgaat, en hij gaat ook dood. En aan de andere kant zie je iemand die heel veel vreselijke dingen doorstaan heeft, maar als hij gebroken is, doet hij alles om nog één dag langer te leven. Ook ten koste van honderd andere mensen.

Je kunt dus ook nooit van jezelf zeker zijn.
Precies. Vooral in zulke extreme situaties en onder allerlei fysieke en psychische martelingen kun je nooit volkomen zeker van jezelf zijn. Er bestaat altijd een kans dat je op één of ander moment breekt onder het aanhoudende geweld.

Je bent nu in een volstrekt andere omgeving, in een andere situatie. Wat doet dat met je levensbeschouwing?
Ik denk dat ik meer open ben geworden voor alle verschillende meningen en inzichten. Ik heb respect voor mensen die geloven (maar dan echt, niet alsof), maar ook voor mensen die hele andere gedachten hebben over leven, dood, hiernamaals. Vroeger geloofde ik helemaal in de islam en daarna geloofde ik fanatiek in het communisme. Maar nu ben ik in ieder geval niet fanatiek meer. Ik geloof dat religie iets persoonlijks is, zelf ben ik niet gelovig. Ik probeer alleen maar te begrijpen, of misschien meer nog: te voelen.

Wat heb je, terugkijkend, overgehouden?
De tragiek van de moderne mens is dat hij zich eenzaam voelt en zich daarvan bewust is. Pogingen werkelijk contact te maken met een ander lijken echter altijd op de één of andere manier gefrustreerd te worden en leiden doorgaans slechts tot bevestiging van diezelfde eenzaamheid. Toch blijven we hopen dat de liefde je ooit in staat zal stellen werkelijk contact te maken en op momenten lukt dit waarschijnlijk ook wel, maar dit valt niet vast te houden en vervliegt weer. Je kunt water niet vasthouden in je vuist. Maar toch, wat uiteindelijk blijft, is de liefde. Liefde tussen mensen, werkelijk contact.

Alsof je Paulus citeert: wat blijft is geloof, hoop en liefde, maar de meeste is de liefde.
Je ziet dat je een punt via verschillende wegen kunt bereiken. Mensen gaan hun eigen weg en ontmoeten dan elkaar. Vooral kunst en cultuur kunnen die ontmoeting tussen mensen bewerkstelligen.

Schrijven is een daad van liefde.
Voor mij wel. Ik heb het schrijven lief als de lucht die ik inadem. Zelfs als ik over gruweldaden schrijf.

Nasser Fakhteh (1957) is afkomstig uit Teheran (Iran) en woont sinds 1988 in Nederland. Hij maakte in 1996 zijn Nederlandstalig debuut met de verhalenbundel Iemand anders. In 2004 verschijnt zijn nieuwe roman. 

dinsdag 13 januari 2026

Tot alles in beweging komt (Ester Naomi Perquin)

De laatste jaren komt het niet meer van het lezen dichtbundels, merk ik. Ik heb er nog wel enkele aangeschaft, maar alleen als ik het verzoek krijg er een recensie over te schrijven, lees ik nog een hele bundel. Te weinig ademruimte misschien, een te vol hoofd - ik roep ook maar wat. 

Van Ester Naomi Perquin heb ik heel wat losse gedichten gelezen en die vond ik eigenlijk altijd goed: helder genoeg en toch spanning op de regels, genoeg te raden ook. En nu heeft ze een roman geschreven, Tot alles in beweging komt. Ik nam het boek op in de lijst van de beste boeken van vorig jaar die ik niet gelezen heb. Toen had ik het boek al in huis. 

Intussen heb ik het ook gelezen en ik ben ervan onder de indruk. Toen ik zo'n honderd bladzijden gelezen had, vroeg iemand wat ik ervan vond. 'Goed', zei ik, ' heel goed, maar ik weet niet zo goed waarover het gaat.' Dat is me tijdens de rest van het boek meer duidelijk geworden. 

Ontsnapping

Ela is schrijfster. Ze heeft twee verhalenbundels geschreven, Bezoek onder toezicht en Dream on, die door een recensent gekarakteriseerd werden als 'effectief maar aangelijnd proza' en nu wil ze wat anders schrijven. Ze werkte lang aan een ontsnappingsboek, een boek over mensen die ergens aan ontsnapt zijn. Voor elk hoofdstuk van Tot alles in beweging komt is een citaat opgenomen van iemand die te maken heeft gehad met ontsnapping. 

Ontsnapping is ook een thema in het werk dat ze een tijd verricht heeft: gevangenbewaarder. Ze loopt aanvankelijk mee met Hans, van wie ze de kneepjes van het vak moet leren. Wat dat vak inhoudt, hoe je voortdurend alert moet zijn, met wat voor mensen ze te maken krijgt - je krijgt het allemaal te lezen. 

Ela is opgegroeid in een gezin met een zieke vader, Lex, die overleed toen ze twaalf was. Ze heeft een oudere broer, Micha, en een jongere, David, die door de huisarts als schizo-karakteristiek is gediagnostiseerd. Met haar moeder heeft ze weinig contact. Ook aan je verleden en aan de context van je familie kun je natuurlijk niet ontsnappen. 

Ze leeft met haar partner Gideon en haar zoons Boaz en Max. In een deel van het boek is ze zwanger van een dochter, Mare, die geboren zal worden in 2020, het coronajaar. We maken haar ook nog na haar geboorte mee. 

Gruwelen

De hele tijd zit je in het hoofd van Ela, die weliswaar niet meer werkt aan haar ontsnappingsboek, maar de mensen die ergens al dan niet aan ontsnapt zijn, zijn nog volop levend in haar, net als de gedetineerden bij wie ze gewerkt heeft. In het boek worden verschillende misdaden kort beschreven. De gruwelijkheid van sommige wekt afgrijzen en tegelijkertijd is dat waar het publiek op uit is. Op die manier houdt Perquin ook de lezer een spiegel voor: is dit wat je wilt lezen?

Een thema is ook dat je maar een deel van de werkelijkheid kent. In de gevangenis laten de gedetineerden een deel van zichzelf zien, wat ook nog een aardig kant kan zijn, maar ze hebben ook een compleet andere kant, maar dat geldt niet alleen voor hen. Dat blijkt ook op een familiebijeenkomst, waarin Ela wat te horen krijgt over een kant van haar vader die ze nog niet kende. 

Dubbelheid

Die dubbelheid van de mensen kom je op allerlei terreinen tegen. Hans is de ervaren collega van wie ze veel kan leren, maar hoe hij zich tegenover haar gedraagt, vanuit een superioriteit is bepaald onaangenaam. 

Ela heeft verder ooit een relatie gehad met P. Toen ze ontdaan was door wat er op 11 september 2001 in Amerika gebeurd was, was hij met schoenen, pak en al bij haar in bad gestapt om haar te kalmeren. Juist deze man blijkt ook een keerzijde te hebben. Pas tegen het eind van het boek vallen de puzzelstukjes in elkaar. Dat deed me denken aan de film Gebroken spiegels van Marleen Gorris (1984). Die speelt zich af in een bordeel en alle mannen zijn vreselijk. Er is er maar eentje met wie je je nog zou kunnen identificeren en die blijkt het ergst van allemaal. 

Door de mensen met wie ze omgaat, heeft Ela een scherp oog voor verkeerde bedoelingen. Als ze met haar dochtertje in de trein zit, valt haar meteen op hoe fout de manier is waarop een man naar haar kind kijkt. 

Maar ze heeft intussen ook minder de neiging om misdadigers te veroordelen. Misschien ook omdat ze ziet dat we allemaal tot het ergste in staat zijn. Nu ze moeder is, moet ze bijvoorbeeld vaker denken aan moeders die daders zijn.

Steeds vaker dacht ik aan de moeders die ik uit de kranten kende. De Berlijnse die haar huilbaby vanuit het raam op de betonnen binnenplaats gooide,. De Groningse die een tweeling in een vuilniszak deed en naast de container van de Jumbo achterliet. De Limburgse die haar twee weken oude zoontje met een flesje water in de box legde om naar een driedaags festival te gaan: ze wilde dansen. En ik schaamde me niet alleen omdat ik die moeders destijds zo makkelijk had veroordeeld, op basis van een paar zinnen, een krantenkop, clickbait - maar ook omdat ik daar niet langer toe in staat bleek. 

Een kloppend verhaal

Haar broer Micha verwijt haar dat ze dingen vertelt die niet echt gebeurd zijn, dat zij zaken opneemt in haar verhaal die niet kloppen met de werkelijkheid of in ieder geval niet met zijn werkelijkheid. Ieder leeft in zijn werkelijkheid, in zijn verhaal en misschien is het ook moeilijk om daaruit te ontsnappen. Tot alles in beweging komt, je oorspronkelijke verhaal niet meer blijkt te kloppen en je leven dus ook niet meer klopt. 

Of ik echt vat heb gekregen op Tot alles in beweging komt weet ik niet, maar misschien is dat juist wel kenmerkend van het boek: het laat veel kanten van veel dingen zien. Ook de lezer maakt zijn eigen verhaal en wordt zo tot een bijna medeplichtige. Ook de lezer zit opgesloten in zijn eigen hoofd en zijn eigen wereldbeeld. Maar misschien dat dit boek daar tikje tegen geeft, zodat er toch wat in beweging. 

maandag 12 januari 2026

Onderweg (Aimée de Jongh/Tina De Gendt)

We leven onder een (weliswaar demissionaire) regering waarin migratie uitsluitend als probleem wordt gezien, als iets wat bestreden moet worden. En dat veronderstelt weer dat migratie tegengehouden kan worden, al laten de cijfers over de lange termijn zien dat er vooral een constante waar te nemen is. Men leze het werk van Hein de Haas. 

Wat is het dan heerlijk dat je ook eens een ander geluid hoort en dat geluid klinkt helder in het boek Onderweg, Migraties die de wereld veranderden van Aimée de Jongh en Tina de Gendt. De eerste zorgt daarin voor de illustraties, de tweede voor de tekst. In het boek (mooi, groot formaat en hardcover) worden belangrijke migraties uit de geschiedenis van de mens geschetst, te beginnen bij de eerste, ca. 72.000 jaar voor Christus: die van het Afrikaanse continent naar Azië en Europa. Het boek eindigt met vluchtelingen voor de kust van Lesbos en klimaatvluchtelingen in Tsjaad. 

Tijdperken

De geschiedenis van de mensen is verdeeld in tijdperken. Bij elk tijdperk krijgen we, na een korte inleiding, een wereldkaart waarop enkele migraties uit dat tijdperk zijn aangegeven, zodat je je goed kunt voorstellen op welk deel van de wereld die zich afspelen. Verder staat er steeds aangegeven hoe groot de wereldbevolking was aan het begin van het tijdperk en hoe groot die is aan het einde ervan. De eerste periode, 'De mens verspreidt [zich]' loopt van 100.000 v.C. tot 10.000 v.C. De wereldbevolking loopt dan op van 1 miljoen naar 4 miljoen. 

Onder aan de dubbele pagina is er steeds een tijdlijn waarop belangrijke gebeurtenissen uit dat tijdperk zijn aangegeven. Daarna worden de migraties dichtbij gehaald in verhaalvorm, in de ik-vorm verteld door iemand die de migratie meemaakt. En er is puntsgewijs beknopte, zakelijke informatie. De tekst is geplaatst in een tekening, van Aimée de Jongh aan wier werk ik al eerder aandacht gaf. Zie de links onderaan. Zij moest dus niet alleen een aansprekende tekening bij elke migratie maken, maar ook kijken waar ze ruimte voor de tekst kon maken in die tekening. In alle gevallen is dat goed gelukt. De tekst staat op wisselende plekken op de pagina, wat voorkomt dat de indeling statisch wordt, een strak format waaraan iedereen zich moet houden. Nu komt het losser over en dat is prettig. 

Op de cover zie je een rij migranten, waarbij de tijden door elkaar lopen. Iemand op blote voeten, gekleed in een dierenhuid loopt achter iemand met een telefoon aan zijn oor. Die rij mensen komt ook terug aan het begin van elk hoofdstuk, waarin enkele mensen oplichten in de rij: over hen zal het dit hoofdstuk gaan. Zo'n rij helpt om de continuïteit van de migratie de laten zien: een migratie staat nooit op zich, maar maakt deel uit van een traditie van migraties. 

In de koffer

Elk hoofdstuk sluit af met 'In de koffer': wat nemen we mee van deze migraties? Aan het einde van het hoofdstuk 'Verre reizen, 1350 - 1750' worden bijvoorbeeld genoemd: de krant, het woordenboek, het horloge, ballet en shampoo. Wat dat ballet betreft: 'Dankzij het huwelijk tussen tussen de Franse koning en de Italiaanse Catherina de' Medici werd ballet dé rage van de zestiende eeuw. Sindsdien reist de dans de wereld rond: de rokjes, de schoentjes én de dansers zelf natuurlijk.'

Zoals gezegd: het is prettig dat in Onderweg migratie getrokken wordt uit de sfeer waarin die nu vaak ter sprake komt. Verder is het verfrissend dat de geschiedenis nu eens niet bezien wordt vanuit onze eigen positie. Ik heb op de lagere school nog les gehad in 'vaderlandse geschiedenis'. Later werd dat 'geschiedenis', maar die geschiedenis was nog steeds eurocentrisch, zoals op de wereldkaart Europa ook steeds in het centrum lag. 

In Onderweg zoomen we afwisselend uit, zodat we de hele wereld zien, en in, waarbij we bepaald worden wat er op dat moment op deze specifieke plek van de wereld gebeurde. Ook dat is prettig: opgetild worden uit het benauwde wereldje van bijvoorbeeld de nationale politiek en je een deel voelen van de hele wereld. 

Kinderen en jongeren

Omdat de vertellers in de verhalen stukjes veelal kinderen zijn, is Onderweg ook uitstekend geschikt voor kinderen en jongeren. Het zou daarom heel geschikt zijn om het op scholen te verspreiden. Ik ga het deze week ook op school laten zien. 

Midden in Onderweg is 'Het Onderwegboekje' opgenomen, dat als volgt wordt ingeleid:

Ondertussen hebben we het door. Migratie is geen sprookje. Heel vaak migreren mensen niet uit vrije wil, maar omdat ze gedwongen worden of uit nood. En als mensen ergens aankomen, begint het verhaal vaak pas. Waarom blijven mensen dan migreren? Wat betekent het voor hun leven? Voor het leven van ons allemaal? Migratie roept heel veel vragen op. Dus laat ons die vooral blijven stellen. Aan onszelf en aan elkaar.

En daarna volgen die vragen, zoals 'Waarom migreren mensen?' en 'Is migratie nu anders dan vroeger?' De lezers worden uitgenodigd om grootouders, buren of klasgenoten te interviewen en om in oude fotoalbums te duiken, op zoek naar verhalen achter migratie. 

Tekst en tekeningen

De teksten van Tina De Gendt zijn bijzonder helder en heel aansprekend. Ze weet de gebeurtenissen van lang geleden op die manier dichtbij te brengen. Dat we ons goed kunnen voorstellen wat er in die tijd gebeurd is, komt natuurlijk ook door de tekeningen van Aimée de Jongh, die altijd toegankelijk zijn. Ze zijn sfeervol en ze maken maken door hun kleurrijkheid het boek heel prettig om doorheen te bladeren. 

Je kunt Onderweg van de eerste tot de laatste bladzijde lezen (zoals ik heb gedaan), maar het leent zich ook uitstekend om hapsnap tot je te nemen of om je eens wat te verdiepen in een enkele migratie. En hopelijk helpt het een beetje om migratie uit de probleemhoek te halen en om die minder te bekijken vanuit het gezichtspunt van de gesettelde die het liefst zo min mogelijk verandering wil omdat hij nu eenmaal al goed zit en meer uit dat van de migrant.

Onderweg, Migraties die de wereld veranderden. Aimée de Jongh (tekeningen) & Tina De Gendt (tekst). Uitg. Lannoo, 2025, 104 blz. (€ 27,99)

Eerder schreef ik over ander werk van Aimée de Jongh




donderdag 8 januari 2026

De prullenmand heeft veel plezier van mij (Thomas Heerma van Voss)

Van sommige boeken weet ik al op voorhand dat ik ze mooi zal vinden en dan komt die verwachting natuurlijk uit. Dat was bijvoorbeeld het geval bij De prullenmand heeft veel plezier van mij van Thomas Heerma van Voss. 

In 1977 vroeg het tijdschrift De Revisor aan een heel stel schrijvers om een zelfportret te tekenen. Die portretten zijn ooit verzameld in een boekje en dat boekje had ik indertijd. Misschien heb ik het nog, maar ik denk dat ik het al aan iemand cadeau heb gedaan. Veel van die schrijvers zijn intussen overleden, maar achttien van die schrijvers leefden nog toen Heerma van Voss begon aan wat dit boek zou worden. Hij ging in gesprek met de schrijvers, van wie sommigen succesvol zijn geworden, maar anderen zijn intussen vergeten geraakt. Dat heeft voor een deel te maken met hun leeftijd. Sommigen schrijven intussen niet meer, anderen schrijven door, maar er is geen uitgever meer die belangstelling heeft voor hun werk.

Bastiaanse

Dat ik dat boekje ooit bezat, voedde wel mijn belangstelling, maar dat kan niet het enige zijn dat mij bij voorbaat innam voor het boek. Ik heb altijd graag gelezen over schrijvers die intussen wat in de vergetelheid geraakt zijn. Misschien begon dat wel toen ik een jaar of twintig was en van mijn docent, mr. L.J.M. Hage, het vierde deel kocht van de literatuurgeschiedenis van Frans Bastiaanse. Hage struinde antiquariaten af en wat hij daar vond, verkocht hij voor een prikje aan zijn studenten. Ik kocht bijvoorbeeld ook Daniël Sils van J.J. Cremer, Dichterlijke nalatenschap van E.A. Borger en jaargangen van de tijdschriften Opwaartsche wegen,  De Beweging, Raam en Roeping. Wie leest het nog?

In de literatuurgeschiedenis van Bastiaanse (voor een deel ook een bloemlezing) kwam ik werk tegen van mensen als Lodewijk Mulder, Willem Hofdijk, Justus van Maurik, Melati van Java, Herman Robbers en van nog veel meer schrijvers van wie de namen toen al bij weinig mensen nog bekend waren. Van tijd tot tijd lees ik boeken van deze schrijvers en dan schrijf ik er hier ook over. Vaak betreft het boeken die nog best even mee gekund hadden, maar goed, dat is niet gebeurd. 

In het blad Liter heb ik een korte serie artikelen geschreven ('Onder het stof') over vergeten dichters als H.W.J.M. Keuls, Joannes Reddingius, Willem Brandt en Niek Verhaagen. Van enkelen snapte ik ook wel dat ze vergeten waren, maar werk van anderen bleek nog steeds goed leesbaar.

Aandacht voor de vergetenen

Gelukkig is er voor de geheel of half vergetenen wel af en toe aandacht. Jeroen Brouwers schreef over hen in De laatste deur en in andere artikelen, Stefan Brijs in De standaard (en die stukken werden gebundeld in De vergeethoek ) en Joris van Casterens stukken werden het boek Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf. Over enkele van die schrijvers (Aleida Leeuwenberg, Peter Andriesse) heb ik hier wel geschreven en van Judicus Verstegen ben ik vast van plan nog wat te lezen. Ik heb de boeken in huis. 

Intussen ben ik op een leeftijd dat ik een deel van de literatuurgeschiedenis heb meegemaakt, de tijd dat je blij kon zijn met de nieuwe Hermans of de nieuwe Mulisch. Van bijna alle schrijvers die Heerma van Voss ontmoet heb ik werk gelezen. Volgens mij alleen niet van Hilbert Kuik en niet van Lidy van Marissing. 

Maar van Rudolf Geel, waarmee het boek van Heerma van Voss opent, kocht en las ik Ongenaakbaar (1981), al kon het me indertijd niet zo bekoren. En in de decennia erna vergat ik de schrijver. Bij veel auteurs in deze bundel dacht ik 'och gut, ja'. Waarom heb ik bijvoorbeeld al zo lang niet meer gedacht aan het werk van Nicolaas Matsier? Na Gesloten huis (1994), een goede roman overigens, las ik niets meer van hem, terwijl ik toch ook met plezier De eeuwige stad (1982), Onbepaald vertraagd (1979) en Oud-Zuid (1976) heb gelezen. En van H.C. ten Berge herinner ik me Het geheim van een opgewekt humeur (1986) als een goed boek. 

Verschillende van de geportretteerde schrijvers genieten nog steeds een zeker aanzien, als ik dat tenminste goed inschat: Judith Herzberg, Willem Jan Otten, Cees Nooteboom, Anton Korteweg, Jan Siebelink en Mensje van Keulen. Ik hoop tenminste dat die namen nog steeds wat betekenen, ook voor lezers die veel jonger zijn. 

Schets van een tijdperk

Heerma van Voss ging op bezoek bij de schrijvers, als ze dat wilden, sprak met hen over het zelfportret en liet hen met de ogen van nu kijken naar de tijd van toen. Zo krijg je een schets van een tijdperk en ik vind dat heel aangenaam. Ook door de andere namen die genoemd worden. Een van de titels die voorbijkomen is Stampende mussen (1980) van Henk Romijn Meijer, die ik me toch vooral herinner als de schrijver van Mijn naam is Garrigue (1983). Ik zag van Stampende mussen wel meteen de omslag voor me (getekend door Peter Vos), maar de inhoud ben ik kwijt.

Veel schrijvers hebben twijfels gekend. Nooteboom, die voor mijn gevoel toch altijd bij de top van de schrijvers heeft behoord, had het gevoel dat hij er niet helemaal bij hoorde, omdat hij in Avenue schreef en omdat hij reisverhalen schreef. Dat was een verrassing voor mij. Mijn oom en tante, oma Ab en tante Rhea lazen de Avenue en ik vond juist dat het blad er zo prachtig uitzag en dat het zo bijzonder was dat er achterin altijd literatuur te vinden was. En Nootebooms bundels, zoals Een avond in Isfahan (1978) en Een ochtend in Bahia werden indertijd grif verkocht, dacht ik. 

Nooteboom zegt dat hij geminacht werd en dat de eerste recensie van Rituelen (1980) in NRC echt een persoonlijke aanval was. Maar Rituelen kreeg juist heel veel positieve recensies, als mijn geheugen me niet bedriegt. Opmerkelijk dat een negatieve bespreking dan juist blijft hangen. En van de boeken die daar vlak na verschenen, Een lied van schijn en wezen (1981) en Mokusei! (1982) herinner ik mij vooral dat ze geprezen werden. 

Ook Matsier kent de twijfel:

Ook al lukten er best wat dingen in die tijd, ik blaakte nooit van zelfvertrouwen. Soms ben ik even overtuigd van wat ik schrijf. Maar ik vind het moeilijk om te denken dat het écht iets voorstelt.

Aandacht voor de persoon

Veel van de schrijvers vinden het trouwens prettig dat ze terug mogen denken aan de tijd van het zelfportret en ook dat er een jonge schrijver is die aandacht voor hen heeft. In alle stukken krijg je een indruk van de persoon van de schrijver, de mens achter het portret en achter het werk. Heerma van Voss beschrijft in welk huis hij ontvangen wordt en ook steeds wat hij te drinken krijgt en wat erbij geserveerd wordt. En natuurlijk met wat voor persoon hij te maken heeft. 

Ik was ontroerd door het portret van de oude Nooteboom, geamuseerd door de speelse geest van Judith Herzberg en het boeide me hoe al die anderen zich staande houden, doorgaan soms met schrijven en welke verhouding ze nu hebben met hun verleden. 

Meestal is Heerma van Voss degene die registreert en meestal houdt hij zichzelf buiten de aandacht, maar hij is, net als de geïnterviewden een schrijver en hij ontkomt er soms niet aan zichzelf te vergelijken met zijn gesprekspartner. 

Geel was 36 toen hij deze tekening maakte - iets ouder dan ik nu. Net als Geel debuteerde ik op jonge leeftijd. En net als Geel is mijn werk uitsluitend geredigeerd en uitgegeven door mensen die ouder zijn dan ik. (...) Zal ik ooit aan vroegere auteursfoto's denken zoals Geel nu aan zijn zelfportret denkt, met eenzelfde afstand en genegen vervreemding?

De prullenmand heeft veel plezier van mij (het is een uitspraak van Judith Herzberg) is een prettig boek. Omdat het herinneringen naar boven haalt, een tijd doet herleven waarvan ik nog steeds levendige beelden heb. Ook een tijd waarvan veel representanten al overleden zijn trouwens. Maar afgezien van de persoonlijke herinneringen die opgepord worden, heeft dit boek ook belang omdat het een periode in onze literatuur laat herleven. Het geeft natuurlijk geen compleet beeld, maar wel achttien keer een kijk op een periode in onze literatuur. 

Menselijk

Het is een heel menselijk boek. De schrijvers zijn met mededogen geportretteerd, zonder de lastige kanten van sommigen te verdoezelen. Maar het boek blijft iets vriendelijks houden en dat vond ik aangenaam tijdens het lezen. Voor sommigen lijkt het opgenomen worden in zo'n bundeling een vorm van late erkenning en eigenlijk gun je ze dat ook wel.  

Achterin zijn wat 'biografieën' opgenomen, maar die voegen niet zo heel veel toe. Elke schrijver mag zijn belangrijkste of meest dierbare boek kiezen en soms is er een korte reflectie van Heerma van Voss op het bezoek. Voor mijn gevoel had hij die ook wel in de stukken zelf kwijt gekund. 

Het boek is mooi uitgegeven: gebonden, stofomslag, leeslint. De cover is een collage van enkele van de zelfportretten, maar het geheel is een beetje een rommeltje geworden. Dat had beter gekund, lijkt me. 

Hopelijk gaat Heerma van Voss op zoek naar meer schrijvers die in de loop der jaren in de marge zijn beland. Daar zijn er nog genoeg van. Ik kan hem zo een lijstje leveren. 

En er zijn ook heel wat overleden schrijvers die wel weer eens wat aandacht verdienen. Gelukkig hebben we Fixdit, die aandacht vraagt voor vrouwelijke auteurs zoals Hermine de Graaf, Loekie Zvonik, Ida Simons en Mary Dorna en sinds kort ook voor vrouwen uit een verder verleden. Maar het zou mooi zijn als we weer eens wat lazen over Hellema, Alfred Kossmann, Nelly Heykamp of Geert van Beek. En misschien duikt iemand het werk op van auteurs die nog verder onder het stof verdwenen zijn, zoals Jos Kroeze, Arnold Clerx of Noto Soeroto. Zo gauw zo'n boek er is, zal ik naar de boekhandel rennen. 

dinsdag 6 januari 2026

De wereld volgens Hein de kort, deel 7

Intussen zal het geen verrassing meer zijn: ik hou van het werk van Hein de Kort. Hij laat vaak zien hoe de gewone mens reageert op de huidige tijd. Die gewone mens is (meestal) niet de succesvolle zakenman of -vrouw, maar iemand die zijn bestaan bij elkaar krabbelt, een leven leidt dat niet ideaal is, maar waarmee hij het nu eenmaal moet doen. Een loser die zich net redt, misschien zoals de meesten van ons zich door het leven struikelen.

Het knappe daarbij is dat De Kort laat zien hoe belachelijk die kleine mens soms is, maar dat hij hem toch met mededogen beziet. Je hebt altijd ook een beetje te doen met de personages van De Kort. Uit zijn tekeningen spreekt een grimmig soort empathie.

Trump

Daarnaast reageert De Kort in zijn cartoons op de actualiteit. In het korte voorwoord van De wereld volgens Hein de Kort, deel 7, schrijft De Kort dat er veel Trump zit in deze bundel, maar dat hij Trump niet voor op het boek wilde. 

De bundel opent er wel meteen mee: een blije cartoontekenaar, die opgelucht is dat hij Trump mag tekenen in plaats van Biden. En Kamala Harris was ook al niet te doen. 

Landelijke politiek

Ook de landelijke politiek komt van tijd tot tijd terug: Dick Schoof, die nog nooit premier geweest is, maar die denkt dat hij het wel kan, Schoof die tegen Wilders zegt dat we nog eindigen in een dictatuur als we zo doorgaan (Wilders: Dick... Wat is er mis met een dictatuur?), de val van het kabinet ('Hadden we een kabinet dan?' Maar Trump leende zich veel vaker voor een cartoon. 

Verder af en toe een spoorgrap en veel klein leed, wat zorgt voor groot plezier. 

Je kunt zeggen dat dit zevende deel met cartoons meer van hetzelfde is en dat is ook wel zo, maar daar is wat mij betreft niet zoveel mis mee. De Kort blijft trouw aan zichzelf en zit met zijn cartoons, getekend in zijn kenmerkende stijl, dicht op het leven, zonder terughoudendheid, met een open blik en even scherp (of bot) als altijd. 

Titel: De wereld volgens Hein de Kort, deel 7
Tekst en tekeningen: Hein de Kort
Uitgever: Sherpa
2025, 160 blz. € 24,95

Eerder schreef ik over: