dinsdag 6 januari 2026

De wereld volgens Hein de kort, deel 7

Intussen zal het geen verrassing meer zijn: ik hou van het werk van Hein de Kort. Hij laat vaak zien hoe de gewone mens reageert op de huidige tijd. Die gewone mens is (meestal) niet de succesvolle zakenman of -vrouw, maar iemand die zijn bestaan bij elkaar krabbelt, een leven leidt dat niet ideaal is, maar waarmee hij het nu eenmaal moet doen. Een loser die zich net redt, misschien zoals de meesten van ons zich door het leven struikelen.

Het knappe daarbij is dat De Kort laat zien hoe belachelijk die kleine mens soms is, maar dat hij hem toch met mededogen beziet. Je hebt altijd ook een beetje te doen met de personages van De Kort. Uit zijn tekeningen spreekt een grimmig soort empathie.

Trump

Daarnaast reageert De Kort in zijn cartoons op de actualiteit. In het korte voorwoord van De wereld volgens Hein de Kort, deel 7, schrijft De Kort dat er veel Trump zit in deze bundel, maar dat hij Trump niet voor op het boek wilde. 

De bundel opent er wel meteen mee: een blije cartoontekenaar, die opgelucht is dat hij Trump mag tekenen in plaats van Biden. En Kamala Harris was ook al niet te doen. 

Landelijke politiek

Ook de landelijke politiek komt van tijd tot tijd terug: Dick Schoof, die nog nooit premier geweest is, maar die denkt dat hij het wel kan, Schoof die tegen Wilders zegt dat we nog eindigen in een dictatuur als we zo doorgaan (Wilders: Dick... Wat is er mis met een dictatuur?), de val van het kabinet ('Hadden we een kabinet dan?' Maar Trump leende zich veel vaker voor een cartoon. 

Verder af en toe een spoorgrap en veel klein leed, wat zorgt voor groot plezier. 

Je kunt zeggen dat dit zevende deel met cartoons meer van hetzelfde is en dat is ook wel zo, maar daar is wat mij betreft niet zoveel mis mee. De Kort blijft trouw aan zichzelf en zit met zijn cartoons, getekend in zijn kenmerkende stijl, dicht op het leven, zonder terughoudendheid, met een open blik en even scherp (of bot) als altijd. 

Titel: De wereld volgens Hein de Kort, deel 7
Tekst en tekeningen: Hein de Kort
Uitgever: Sherpa
2025, 160 blz. € 24,95

Eerder schreef ik over:





maandag 5 januari 2026

Moederheil (Els Florijn)


Er is een nieuwe roman van Els Florijn, Moederheil, en de eerste berichten zijn dat het boek het goed doet: al een week nadat de roman gepresenteerd was, werd de tweede druk aangekondigd. 

De titel verwijst naar een gelijknamige instelling in Ginneken/Breda, waarin jarenlang ongehuwde moeders werden opgevangen. Ze konden daar hun kind baren, maar moesten er tot die tijd ook werken en na de geboorte moest het kind vaak afgestaan worden. In het archief zijn verklaringen aangetroffen waarin moeders ondertekend hebben dat ze uit de ouderlijke macht ontzet willen worden. Dit soort verklaringen is tot nu toe nergens anders aangetroffen, blijkt uit een 'working paper' uit 2022 waarin verslag wordt gedaan van het archiefonderzoek van Moederheil. 

De verklaringen waren niet rechtsgeldig, maar kwamen wel officieel over, zoals blijkt uit een brief van een maatschappelijk werkster aan de Raad voor de Kinderbescherming Den Bosch:

De afstandsverklaringen vindt u hierbij, maar ik ben nog steeds van mening, dat dit niet de taak van ons huis is. De meisjes voelen zich hierdoor toch bedreigd, enigszins, ook al zeggen we erbij dat het niet officieel is. Zouden we nog eens met u van gedachten mogen wisselen hierover?

Sofia en Maria

Florijn vertelt het verhaal aan de hand van de levens van twee jonge vrouwen, Sofia, die verkracht is door een jongen van goede komaf en Maria, zelf uit de betere stand, die zwanger wordt van Samuel, die bij haar ouders in dienst is. Ze weet dan nog niet dat hij weliswaar geen relatie meer heeft, maar nog steeds getrouwd is. 

We krijgen eerst het verhaal van Sofia te lezen, dan dat van Maria en dan dat van beiden, als ze opgenomen zijn in Moederheil. Daarna lezen we hoe het Maria vergaat na het baren van haar kind, hoe het met Sofia in die tijd gaat en dan nog een afsluitend hoofdstuk. Sofia had ervoor gezorgd dat ze een opvangadres had: een vriendin van haar moeder runde een hotel in Breda. Vandaaruit bezinnen de vrouwen zich op verdere actie. 

Boeken vergelijken heeft altijd iets hachelijks, maar naar mijn gevoel is Moederheil het beste boek dat Els Florijn geschreven heeft. Het heeft bijna de hele tijd veel vaart, zit vol levendige en rake beschrijvingen en de karakters van de personages zijn geloofwaardig. 

Net als in de vorige boeken heeft ze vrouwen geportretteerd die eigenzinnig zijn, die hun eigen weg zoeken en die zich niet zomaar neerleggen bij hoe de zaken nu eenmaal gaan. 

Sofia is eigenwijs, gevat, zelfbewust, wat niet alleen blijkt uit wat ze doet, maar vooral ook uit hoe ze praat. Alleen als ze haar verhaal vertelt aan Maria, valt ze ineens terug in een ander register en is ze minder herkenbaar. 

Maria is verliefd op Samuel en Florijn laat goed zien wat die verliefdheid met haar doet en waarom Maria ver met hem durft te gaan. 

Maatschappelijk gezien hebben de getekende vrouwen weinig rechten en als ze in Moederheil terechtkomen doen veel vrouwen afstand van de weinige rechten die ze hebben. Het is min of meer vanzelfsprekend dat ze hun kind afstaan en ze mogen geen contact met elkaar onderhouden nadat ze weg zijn uit de instelling. 

Vroege jaren zeventig

Wanneer het verhaal zich afspeelt, is niet zo duidelijk. De moeder van Maria was zwanger van haar in het laatste oorlogsjaar en Maria vertelt ergens dat ze negentien jaar oud is. Als Maria nog in 1945 geboren is, zou het dus 1974 moeten zijn. Maar er wordt ook gesproken over een zomer waarin een dienstplichtig militair veroordeeld wordt tot achttien maanden cel omdat hij weigerde zijn haren te laten knippen en dat is in 1971 gebeurd. Laten we het dus maar houden op de vroege jaren zeventig. 

Het is verbazend dat zelfs in die tijd nog een instelling als Moederheil bestond en hoe weinig de vrouwen zelf in te brengen hadden. De vrouwen in de roman Moederheil leggen zich niet bij hun situatie neer. Vooral Sofia is hierin de drijvende kracht. Haar moeder, die in de gevangenis zit heeft haar voorgehouden dat ze net zo veel waard is als ieder ander en dat ze nooit naar beneden moet kijken. Dat doet ze ook zeker niet. Ze vecht voor het behoud van haar kind en neemt ook wraak. 

Dat doet ze voor een ander meisje in Moederheil en ze haalt ook haar eigen recht bij de verwekker van haar kind. Dat is niet het sterkste deel van het boek: het is wel erg toevallig dat ze weet wanneer die zich gaat verloven, maar over het algemeen kun je Sofia goed volgen in wat ze doet. 

Wilde schrijfster

Bij de bespreking van De engelen van Elisabeth schreef ik:

Stiekem denk ik dat Els Florijn een veel wildere schrijfster is dan ze nu laat merken en dat ze in elk boek aan het verkennen is wat ze durft. Ik ben benieuwd wat dat nog gaat opleveren.

Eigenlijk is die gedachte in Moederheil alleen maar bevestigd. De vrijmoedige Sofia, die voor de duvel niet bang is, Maria die zich helemaal mee laat voeren door haar verliefdheid, de vaart waarmee het grootste deel van het boek verteld wordt - op al die punten gaat Florijn verder dan in haar vorige romans en elke keer worden haar romans iets beter. 

Weer heeft ze een maatschappelijk onderwerp bij de kop genomen en weer neemt ze het op voor vrouwen die zelf hun boontjes moeten doppen. Het is een belangrijk onderwerp, waarbij ik ook moest denken aan de roman Schemerleven van Jaap Robben, waarin ook verteld wordt hoe weinig rechten een ongehuwde, zwangere vrouw heeft in de jaren zestig. 

Waartoe Florijn allemaal in staat is, zullen we moeten afwachten. In elke roman schudt ze meer van zich af en ik ben benieuwd waar dat uiteindelijk toe leidt. 


vrijdag 2 januari 2026

Afgestoft: Verdwenen tijd (Thomas Verbogt)

Bij het werk van Thomas Verbogt heb ik een dubbel gevoel. Aan de ene kant lees ik het graag en ik heb er ook heel wat van gelezen. Het is altijd prettig geschreven in een soepele stijl, het leest eigenlijk altijd wel goed. En aan de andere kant blijft er weinig van hangen, zijn er maar weinig boeken bij die ik echt goed vind. Zijn titels vergeet ik ook altijd. En als ik ze mij herinner, weet ik niet meer bij welk verhaal ze horen. 

Het zijn sympathieke boeken, helemaal niet slecht, maar dat is het dan ook wel. En eigenlijk vind ik dat net te weinig. 

Van Verdwenen tijd herinner ik me niet zo veel meer. 'Niet zo goed', kwam bij me boven. In ieder geval minder goed dan bijvoorbeeld Perfecte stilte. In 2009 besprak ik Verdwenen tijd. De recensie stond op 4 september 2009 in het Nederlands Dagblad. Ik vond het boek inderdaad niet zo goed. Maar ook na het lezen van de recensie komen de herinneringen aan het verhaal nauwelijks boven. Dat zal niet alleen aan het boek, maar ook aan de recensie liggen. 

De anekdote over het voorlezen van het verhaal van het jongetje in de drumband staat me nog wel helder voor ogen. Ik weet niet meer waar Verbogt het voorlas, maar wel dat ik er erg om moest lachen. En verder zag ik Verbogt vroeger wel eens bij een theatervoorstelling in de kleine zaal van de schouwburg in Arnhem. Hij zal dan wel een recensie over de voorstelling hebben moeten schrijven. In mijn herinnering had hij altijd een flaphoed op, die hij de hele tijd ophield. Misschien klopt dat helemaal niet, maar zo heb ik het onthouden. 

Verbogt zal best boeken geschreven hebben waarvoor iemand zijn hoed kan afnemen, maar ik vermoed dat Verdwenen tijd er niet eentje van is. Ik krijg in ieder geval niet de neiging om het te gaan herlezen. Maar als je nooit iets van Verbogt las, zou je dat toch moeten doen. Zoals ik al schreef: sympathieke boeken, soepel geschreven. Ze zijn aangenaam in de omgang. Probeer maar eens. 

Verbogt wil alles verklaren


Ooit hoorde ik Thomas Verbogt een verhaal voorlezen waarin de ik-figuur als klein jongetje moest meelopen met een drumband. Het ging helemaal mis, doordat de pet of de kolbak of welk hoofddeksel het ook was, over zijn ogen zakte. Nooit heb ik het verhaal ergens gelezen, maar het is een literatuurervaring waar ik nog altijd met veel plezier aan terugdenk.

Stiekem had ik dan ook gehoopt dat ook Verbogts nieuwe roman, Verdwenen tijd, zo'n soort boek zou zijn. Een beetje weemoed, wat ironie, een vleug absurdisme en dat alles in een soepele stijl die het lezen aangenaam maakt.

Voor een deel is Verdwenen tijd ook zo'n boek. De hoofdpersoon, Robert van Noorden, een graag geziene gast in tv-programma's, haalt herinneringen op aan bijvoorbeeld de palingen die zijn vader kocht op de kermis. Hoe hij de krant openvouwde en hoe ze zich dan glimmend van het vet toonden. Of hij herinnert zich de sunlightzeep waar vroeger iedereen naar rook. Of hoe zijn vader met een boek van Graham Greene thuiskwam en dat ging zitten lezen.

Het zijn kleine gebeurtenissen, met veel liefde beschreven. Ingehouden, licht weemoedig. Op die momenten krijgt Verbogt het voor elkaar een gevoel op te roepen dat verwant is aan dat wat hij bij de hoofdpersoon suggereert.

Schuldgevoel

Maar er zijn ook andere momenten.

Van Noorden heeft een extreem groot schuldgevoel. Het is zo groot dat hij zich over zo'n beetje alles schuldig voelt. Wanneer dat met ironie wordt verteld, kun je erom glimlachen. Remco Campert zou een dergelijke personage zo kunnen neerzetten. Maar bij Verbogt krijg je toch al snel het idee dat het allemaal wel heel erg gemeend is.

Goed, hij houdt wel een lichte toon, maar eigenlijk relativeert dat het schuldgevoel nauwelijks en dat is ook niet zo vreemd, want Verbogt heeft dat nodig voor de plot.

Zo'n plot had van mij niet gehoefd. Ik had wel een beetje willen meeleven met Van Noorden, me betrokken willen voelen bij zijn doen en laten, willen genieten van de toon waarop Verbogt vertelt, maar nee, Verbogt wil meer. Er is een plot. Er blijkt een gebeurtenis uit het verleden te zijn die heel veel verklaart.

Van Noorden heeft die gebeurtenis verdrongen, maar uiteindelijk realiseert hij zich toch wat er gebeurd is. Dat verklaart van alles, maar dat is tegelijkertijd het probleem. Door de plot zo zwaar aan te zetten, bereikt Verbogt dat je het idee krijgt dat het daar alleen maar om gaat. Het ophelderen van het verleden overschaduwt zo'n beetje alle andere zaken in het boek en bovendien wekt het de suggestie dat het raadsel Robert van Noorden daarmee opgelost is. Eigenlijk voelde ik me een beetje bekocht, toen bleek dat veel te verklaren was door één gebeurtenis in het verleden.

Ook verloor het boek er veel van zijn geheimzinnigheid door.

Ernst

Het is trouwens geen kattenpis, wat er in het verleden gebeurd is. Vandaar ook de ernst in het boek, die Verbogt met een lichte stijl niet weggewerkt krijgt.

Soms kan lichtheid het erge en het ernstige alleen maar benauwender maken, maar ook dat gebeurt niet. Het relativerende, dat ik zo waardeerde in het drumbandverhaal, ontbreekt voor mijn gevoel.
Misschien heeft Verbogt geprobeerd een echt degelijke roman te schrijven, zo eentje die hem een plaats geeft in de serieuze literatuur. Op een van de flappen van Verdwenen tijd staan blurbteksten van Thomas Rosenboom en Arnon Grunberg. Nadat je dit boek gelezen hebt, kun je ze eigenlijk alleen nog maar ironisch opvatten.

In bijvoorbeeld zijn stukjes in De Gelderlander valt juist de pretentieloosheid op. Verbogt schrijft daarin vaak over kleine gebeurtenissen, op een bescheiden toon. Maar in veel geval zijn die stukjes gewoon goed. Het lijkt erop alsof Verbogt nu eens meer wilde, grotere sprongen wilde maken. Misschien is daarvoor zijn polsstok niet lang genoeg.


Eerder schreef ik over andere boeken van Thomas Verbogt:

woensdag 31 december 2025

Mantel der liefde (Michiel van de Pol)

In 2022 overleed de moeder van Michiel van de Pol. En nu heeft hij over haar een graphic novel gemaakt, Mantel der liefde. Dat was misschien ook wel te verwachten. Van de Pol blijft, ook in de korte stripjes die hij op de social media plaatst, het liefst dicht bij zijn eigen leven. Bovendien heeft hij ook een strip gemaakt over de relatie met zijn vader, Scherpschutters.

Er zijn meer striptekenaars die een boek over hun moeder hebben gemaakt. Ik moest meteen denken aan Wat wij moeten weten van Willy Linthout. Ook Linthout is stripmaker die in dit soort boeken dicht bij huis blijft en die de dagelijksheden en de ongemakken niet schuwt en daarbij toch een lichte toon weet te bewaren. 

Belofte

De moeder van Michiel, Riet, had ook haar eigen leven beschreven. Dat mocht haar zoon wel lezen, maar hij mocht er nooit een strip over maken, wat hij beloofde, maar waarvan hij waarschijnlijk toen al wist dat hij zoiets niet werkelijk kon beloven. Dat maakt de drempel voor het maken van een boek als Mantel der liefde wel hoog. Want hoewel het een daad van liefde is, lijkt het ook een daad van verraad. Van de Pol omzeilde die laatste gedachte door er heel erg zijn eigen boek, zijn verhaal van te maken. Pas in de epiloog komt hij terug op wat zijn moeder schreef. 

Met een mantel der liefde bedek je over het algemeen de wat minder aardige kanten van iemand. De vraag is of dat in dit boek wel gebeurt. Je zou kunnen zeggen dat de liefde van de moeder als een warme deken aanvoelt en aan de andere kant schrijft/tekent Van de Pol ook heel liefdevol over zijn moeder. Daarbij worden de lastige kanten juist niet vermeden, maar misschien is ook dat een uiting van liefde: laten zien dat ondanks de lastigheden de verbinding blijft. 

Van geboorte tot dood

Van de Pol beschrijft zijn leven, waar zijn moeder altijd deel van uitgemaakt heeft, van zijn geboorte tot na de dood van de moeder. Dat leven kende aangename momenten (bijvoorbeeld de uitziekdagen, waarop je al bijna beter bent, maar nog niet naar school hoeft), maar ook de ongemakkelijke momenten, van de docent die jou als leerling eruit pikt tot de momenten dat het jongetje graag bij de anderen wilde horen, maar toch afstand tot hen bleef houden. Zijn moeder gaf hem goed bedoeld advies, waar hij niet zoveel aan had: 'Gewoon gezellig meedoen.' Zijn moeder was er, al dan niet op de achtergrond, bij. 

In het leven van moeder en zoon zijn er belangrijke markeringspunten, zoals de dood van de vader en de komst van Lisette, met wie Michiel zijn leven zou gaan delen en die een heel andere persoonlijkheid is dan hijzelf. En natuurlijk zijn ontwikkeling als kunstenaar. Hij begint met conceptuele kunst, dat eigenlijk niet bij hem past en vindt uiteindelijk een vorm waarin hij zich wel thuisvoelt en die hem ook nog een broodwinning oplevert. 

Behoefte aan zorg

Moeder wordt ouder en krijgt meer behoefte aan zorg. Je ziet hoe Michiel heel erg zijn best doet, oplossingen bedenkt die niet moeders oplossingen zijn. De sta-op-stoel gebruikt ze wel, maar de mobiele telefoon en de scootmobiel worden niet gebruikt. 

Heel erg je best doen en toch het gevoel hebben tekort te schieten, dat is een pijnlijke situatie. Riet geeft soms signalen dat ze eenzaam is en legt ook een behoorlijk grote claim op haar zoon, al zegt ze juist dat ze dat niet wil. Ook verandert ze. Ze komt soms met ongezouten meningen in situaties waarin ze vroeger terughoudender geweest zou zijn. 

Naast een beeld van de moeder en van de relatie tussen moeder en zoon, geeft Mantel der liefde ook een beeld van de tijd en de maatschappij. Bijvoorbeeld van de tijd dat corona rondwaarde of van hoe lastig het is om een indicatie te krijgen voor een bepaalde vorm van verzorging. 

Niet comfortabel

Maar bovenal is Mantel der liefde een beeld van moeder en van de relatie tussen moeder en zoon, waarbij er veel aandacht is voor de laatste jaren waarin moeder steeds meer behoefte heeft aan zorg. De titel van dit boek zal ook wel naar 'mantelzorg' verwijzen. Je zou ook kunnen zeggen dat de zoon de mantel der liefde is, die om moeder heen geslagen wordt en dat beide partijen zich daar toch niet altijd comfortabel bij voelen. Hierbij schoot mij het lied 'Je laat ze echt niet in de steek' te binnen (geschreven door Guus Vleugel, gezongen door Jasperina de Jong). Als geen ander kan Van de Pol die dubbelheid (liefde en ongemak) vangen in zijn strips. 

In Mantel der liefde wordt beschreven hoe moeder na de dood van vader aan de ene kant veel spullen van hem wegdoet en aan de andere kant hem op een voetstuk plaatst, zodat hij eigenlijk niet meer bereikbaar is. Van de Pol doet met zijn moeder het omgekeerde: hij haalt haar postuum naar zich toe, laat het ongemak bestaan, maar tekent vooral hoeveel hij van haar gehouden heeft en nog van haar houdt. Misschien niet alleen maar ondanks haar moeilijke kanten, maar mede dankzij haar moeilijke kanten, omdat ook die bepaalden wie ze geweest was. 

Stijl van tekenen en vertellen

Wie het werk van Van de Pol een beetje kent, herkent het ook meteen in dit boek. Hij heeft een losse stijl van tekenen. Als hij kaders gebruikt, tekent hij die zonder liniaal. En hij buit de mogelijkheden van het medium uit niet braaf te tekenen wat er gebeurt, maar ook wat er gedacht wordt. In de klas waarin de kleine Michiel zich bevindt, is niet alleen de docent een roofvogel, maar zijn ook de klasgenoten dat. En als hij wil laten zien dat moeder de basis is van zijn leven, laat hij moeder Michiel in veel houdingen dragen. Het lijkt haar geen moeite te kosten, maar het is ook een vorm van balanceren. 

Verder houdt hij altijd zijn lichte, relativerende toon van vertellen. Juist daardoor zijn de zwaardere gedeelten voor de lezer goed te verteren. Juist door de grapjes, ervaar je de ernst van de situatie. 

Dit boek van Van de Pol had met gemak in mijn eindejaarslijst met beste strips van 2025 gekund, maar ik had er nog niet over geschreven en vaak wordt mij pas duidelijk wat ik van een boek vind op het moment dat ik erover schrijf en mijn gedachten onder woorden moet brengen. In ieder geval maakt Mantel der liefde een grote kans om volgend jaar in de lijst opgenomen te worden. 

Eerder schreef ik over andere boeken van Michiel van de Pol:






dinsdag 30 december 2025

Ossenkop (Manik Sarkar)

Gelukkig ontgaat me van tijd tot tijd wat. Dat heeft tot gevolg dat ik verrast kan worden. Zo was me ontgaan dat de korte roman Ossenkop (2024) van Manik Sarkar geprezen werd. Het haalde de shortlist van de Bronzen Uil 2024, de longlist van de Boon 2025 en de longlist van de Libris Literatuurprijs 2025. Het boek won de Hebban Debuutprijs 2025 en de Hans Vervoortprijs 2025. Niets van gemerkt, niet gezien.

Maar deze zomer maakte een collega bij de Staatsexamens, in wier neus voor goede boeken ik vertrouwen heb, me erop attent. Er ging geen enkel belletje bij me rinkelen toen ze de titel noemde. Nou ja, heel in de verte de titel van de film Rundskop (2011) die ik indertijd gezien heb, maar die heeft er niets mee te maken. 

Tot het uiterste

Ossenkop is, ik zeg het maar meteen, een prachtig boekje, over een uitzonderlijke slager. Als slagerszoon groeit hij op met het vak, maar hij blijkt meer dan anderen kijk te hebben op wat voor vlees hij in de kuip heeft en hoe hij het het beste kan bereiden. Hierbij moest ik denken aan een documentaire over worstmakers. Ik dacht dat die gemaakt was door Michiel van Erp, maar nu ik op zoek ga, kan ik hem niet terugvinden. Het gaat over slagers die meedoen met een wedstrijd en die met heel veel liefde en zelfs enige ontroering over hun worst spreken. Ze zijn tot de grens gegaan, ze hebben werkelijk alles gedaan wat ze kunnen om een worst te maken die de allerbeste is. 

Die compromisloosheid, dat gaan tot het uiterste, vinden we ook terug bij Rensing, die de zaak van zijn vader zal overnemen.

Rensing senior wist dat zijn zoon bepaalde kwaliteiten had die de zijne ver overtroffen, maar terwijl hij de tong uit het strottenhoofd sneed voelde hij onrust opwellen over de talenten waar het zijn zoon aan ontbrak en daarmee, eerlijk is eerlijk, ook de angst dat zijn winkel na zijn dood te gronde zou gaan. Rensing senior had niet alleen een zoon maar ook een dochter -de winkel- en hij moest een manier vinden om de ongemakkelijke verhouding tussen zijn nageslacht te beslechten. 

Jacomine

Er komt een meisje in de winkel, een slagersdochter, Jacomine, die het verstaat om met klanten om te gaan. Ze zullen met elkaar trouwen. 

Van verliefdheid zou nooit sprake zijn. Wat wel zou groeien was een gevoel van verbondenheid, een saamhorigheid die weliswaar op een aantal misverstanden berustte, maar toch lange tijd bestendig zou blijken. 

Rensing wil alleen het beste vlees en hij koopt het vee zelf op de markt, waar hij de hoofdprijs betaalt. Ook heeft hij grote plannen voor het concept van de winkel, maar hij heeft geen gevoel voor de klanten en hij weet niet of hij ze mee kan krijgen. De zaak komt financieel in zwaar weer terecht, zeker als er een supermarkt in het dorp komt, met goedkoop vlees. Jacomine doet wat ze kan om Rensing bij te sturen, maar ze weet niet of ze echt invloed op hem heeft. 

Ze confronteert hem met de situatie, maar Rensing kan zijn ideaal niet opgeven. 

En net toen hij iets wilde zeggen, al wist hij nog niet wat, eigenlijk wist hij het wel maar hij wist niet welke woorden hij ervoor kon gebruiken, hoe hij duidelijk kon maken dat sommige dingen belangrijker zijn dan overleven, dat het ging om de zoektocht, het streven, en dat alles voor niets was als je dat opgaf, dat alles dan maar beter helemaal niet kon bestaan, hij niet en de winkel niet, maar vind maar eens woorden om dat duidelijk te maken aan een ander wier leven je daarmee ook de grond in boort, vind maar eens een manier om duidelijk te maken dat je bereid bent om niet alleen je eigen bestaan maar ook dat van een ander op te offeren voor wat abstracties, wat idealen, waarbij het nog maar de vraag is of je daartoe werkelijk bereid bent, tot in het diepst van je beenderen, of dat het een droom is die je zo nodig kunt wegsnijden - net op dat moment schalde de winkelbel en kneep Jacomine met een zucht haar ogen dicht, veegde toen wat denkbeeldige haren uit haar gezicht en liep de klapdeur door. 

Jans

Af en toe komt Jans Boerema, een oud-klasgenoot van Rensing, in de winkel, met bijvoorbeeld een aangereden haas. Ze is wat zonderling en in het dorp willen weinig mensen met haar te maken hebben, maar Rensing helpt haar als hij kan. Ook zij gaat haar eigen weg, maar eigenlijk is ze al de hele tijd aan het verliezen en redt ze het niet. Mogelijk is ze een spiegel voor Rensing: er hoeft maar weinig te gebeuren om aan de verkeerde kant van de streep terecht te komen.  

Hoe het afloopt met Rensing en Jacomine en met de zaak laat ik in het midden, want ik wil niet alles verklappen. Uiteindelijk moet Rensing zijn leven onder ogen zien. Om met de dichter Jean-Pierre Rawie te spreken: 'Het hoge doel waarop je had gemikt, / het lager doel waartoe je mocht geraken'. Hij heeft het doel in het oog gehouden, hij is zoveel mogelijk zichzelf trouw gebleven. 'Het was mijn vlees' is zo'n beetje de laatste uitspraak die hij doet. 

Slot

Het slot van de roman is misschien wat over de top, maar ik vond het ook wel weer passend bij de weigering van Rensing om welk compromis dan ook te sluiten en bij zijn bereidheid om tot het uiterste te gaan. 

Ossenkop is een prachtige, korte roman. Het onderwerp is onalledaags en Sarkar heeft zich goed in de stof verdiept. Het motto is ontleend aan Het handboek voor de slager uit 1955. Mogelijk heeft Sarkar ook dat geraadpleegd. Af en toe verschuift het perspectief naar het dier dat geslacht gaat worden. Dat was voor mij niet nodig geweest, maar het laat wel zien met hoeveel betrokkenheid Rensing naar het dier kijkt. 

Uiteindelijk gaat het boek over het najagen van idealen, hoe ver je daarvoor wilt gaan en of dat ten koste van jezelf en van de mensen in je omgeving mag gaan. Moet je realistisch zijn of moet je doorbeuken met je ossenkop? Misschien moeten niet alleen anderen zich realiseren dat het wel je vlees is, maar ook jijzelf. 

maandag 29 december 2025

Jules Verne. Het astrolabium van Uranië, tweede deel (Gil/Puerta)

Afgelopen zomer besprak ik het eerste deel van het tweeluik Het astrolabium van Uranië, waarin Jules Verne en zijn broer naar Amerika reizen. Onderweg meent Jules een oude liefde te zien, Estelle, van wie hij dacht dat ze overleden. De broers achtervolgen een geheimzinnige man met een koffer, tot bij de Niagarawatervallen. 

Verhaallijnen

Deel twee begint waar deel 1 geëindigd is. De broers zijn uit elkaar geraakt: Jules volgt een trap naast de waterval en komt terecht in een ondergrondse gang, waar hij ontdekt dat hij niet Estelle gezien heeft, maar een filmprojectie. Hij maakt kennis met de man die het astrolabium bezit, die verhalen heeft over Atlantis en die een enorme kanonnengieterij heeft. 

Jules' broer gaat intussen op zoek naar zijn broer. Van de politie krijgt hij geen medewerking, maar hij wordt opgepikt door een van de oorspronkelijke bewoners van Amerika, die hem meeneemt naar een groep indianen (zoals ik ze voor het gemak toch maar zal noemen). Die zijn boos omdat Amerika onafhankelijk dreigt te worden en er dus beslist zal worden over hun grond, waar volgens hen de onderhandelende staten niets over te zeggen hebben. Ze gaan met een groepje naar de mijn waar niet alleen Jules is, maar waar ook indianen gevangen gehouden worden. 

Dan is er nog een derde verhaallijn, die zich afspeelt in Europa. De illustrator en de uitgever van de verhalen van Jules Verne hebben een gesprek. De kinderen van kapitein Grant zal binnenkort uitkomen en de illustrator wil alvast weten waarover het volgende boek gaat, zodat hij zich kan documenteren. In die tijd, we schrijven 1867, is er ook nog een Wereldtentoonstelling in Parijs. 

James Bond

Dit verhaal van Jules Verne heeft wel wat weg van een James-Bondfilm die zich in een ver verleden afspeelt: iemand met ideeën over een soort wereldheerschappij, Verne die dat probeert te voorkomen en in de problemen raakt en dan ook nog een andere groep mensen die gered moet worden. Het loopt allemaal vreselijk uit de hand, waardoor alles instort, maar gelukkig kunnen er ook mensen gered worden. De verhaallijn in Europa wordt mooi afgerond met de aanwezigheid van indianen op de Wereldtentoonstelling. Op de slotpagina zien we een schrijvende Jules Verne, die alles voor ons boekstaaft. 

Zoals bij elke strip, helpt het als je een beetje van het genre houdt. Dit zou je een historische avonturenstrip kunnen noemen, met daarbij een vleug science-fiction. Bij zo'n verhaal moeten de personages het moeilijk krijgen, zodat de situatie uitzichtloos lijkt, maar natuurlijk loopt het het toch net goed af. 

Scenario en tekeningen

Dat is hier ook het geval. Verne is aanvankelijk te gast in de ondergrondse wereld, maar hij wordt al gauw een gevangene. Dan is er ook nog de ellende van de indianen en tot overmaat van ramp is er ook nog een aardbeving. Dat kan voor de kritische lezer net te toevallig zijn, maar voor de leeservaring is het handigst als je je gewoon mee laat voeren met het verhaal Esther Gil, dat geschreven is door  en dan blijkt het stevig in elkaar te zitten. In de proloog van het eerste deel was de kleine Jules getuige van de overhandiging van astrolabium en zoveel jaar laten komt hij erachter wat het is en wat je er allemaal mee kunt. 

Je identificeert je als lezer gemakkelijk met de hoofdpersonen, omdat je het idee hebt dat ze in principe strijden voor een goede zaak. En de tekeningen van Carlos Puerta helpen natuurlijk ook. Ze zijn bijzonder realistisch, in een schilderachtige stijl. Er zijn veel bruinen en groenen gebruikt, die passen bij de omgeving (veel speelt zich ondergronds af, maar die ook goed dat verleden oproepen. Misschien heeft dat te maken met de kleuren van oude foto's. Verder is het mooi meegenomen dat deze kleuren goed contrasteren met het geel en oranje van het vuur.  

Van de losse delen van deze strip heb ik zeker genoten, maar het verhaal komt het best tot zijn recht als je beide albums leest. 

Titel: Jules Verne. Het astrolabium van Uranië, deel 2
Scenario: Esther Gil
Tekeningen: Carlos Puerta
Vertaling: Kees-Willem Bruggeman
Uitgever: Arboris
2025, 48 blz. € 11,95 (softcover), € 21,95 (hardcover)

Het astrolabium van Uranië, deel 1 





zaterdag 27 december 2025

Er hangt iets van lente in de klas (red. Theo Magito & Henk Sissing)

Van tijd tot tijd heb ik een dik boek onderhanden waar ik dan (bijna) dagelijks een stukje uit lees. Dat deed ik bijvoorbeeld met het boek van David van Reybrouck over Congo en dat doe ik op dit moment met het boek van Piet Hagen over de koloniale oorlogen in Indonesië. En ik deed dat met Er hangt iets van lente in de klas, een verzameling gedichten, bijna negenhonderd bladzijden, over het onderwijs. De ondertitel luidt dan ook: Nederlandstalige onderwijsgedichten vanaf de dertiende eeuw tot nu. Het kloeke boek is samengesteld onder redactie van Theo Magito en Henk Sissing

Er zijn heel wat bloemlezingen met onderwijsgedichten. De eerste die me onder ogen kwam, hadden mijn ouders in de kast staan: De muze op school, een bundel die uitkwam ter gelegenheid van de Boekenweek 1961. Later schreef ik over Nog één keer door die hoge gang, samengesteld door Hans Werkman en over Vaarwel o klas, samengesteld door Gerrit Buessink. Het waren korte besprekingen in Liter, die ik nog een keer bij elkaar zal vegen en hier zal plaatsen. 

Maar het boek dat er nu is, is andere koek. Niet alleen is het veel dikker dan al die andere bloemlezingen, maar het bestrijkt ook een veel grotere periode van de Nederlandse literatuur. Het oudste fragment komt uit Floris ende Blancefloer. Ik was alweer kwijt dat daar een passage in voorkomt waarin verteld wordt dat de kinderen naar school gaan. 

De oude teksten zijn allemaal hertaald. Dat betreft zo ongeveer de eerste honderd bladzijden en dan zijn we aangekomen in de achttiende eeuw, bij Pieter Langendijk. Ik heb zoveel mogelijk de oude teksten gelezen en dat is eigenlijk best goed te doen, maar als je er niet helemaal uit komt, kun je altijd in de hertaling kijken. 

Biografietjes

Bij (bijna) elke dichter wordt een biografietje gegeven. De keuze van de titels die daarin genoemd worden, lijken vrij willekeurig en soms ontbreekt het bekendste werk. Zo wordt bij Hiëronymus van Alphen niet zijn Proeve van kleine gedichten voor kinderen vermeld. Er is om een of andere reden veel aandacht voor gewonnen prijzen. Die worden in de biografische stukjes altijd genoemd, net als een eventuele website waar de dichter te vinden is. 

Vooral in de oudere teksten heb ik veel aangetroffen dat totaal onbekend was voor mij. Bijvoorbeeld een gedicht van Jan van Boendale (veertiende eeuw) 'Hoe die meester starf doen hi Jhesuse sloech' (Hoe de meester stierf toen hij Jezus sloeg). Jezus moet naar school 'also doudere hadden bevolen'. Hij treft een leraar die 'een stuer man' is en als Jezus hem een wijsneuzig antwoord geeft, pakt de meester de roe, waarna hij prompt dood neervalt. 

Hieromme wart die meester gram
soe dat hi ene roede nam
ende sloech Jhesum op thoet. 
Ende thant viel die meester doet. 
Dat zijn heerlijke teksten. Ten eerste zie je eraan dat er legenden over Jezus zijn die nu bij veel mensen niet bekend zijn, maar het laat ook iets zien van het onderwijs in de tijd van de dichter: blijkbaar was het logisch dat je naar school ging en het was ook niet vreemd dat je in de klas een klap kreeg, al heeft de meester zich wel verkeken op degene die hij sloeg. 

Bij elke periode is er trouwens een korte inleiding waarin iets verteld wordt over het onderwijs in de betreffende tijd. Van Boendale beschrijft ook nog 'Hoe Jhesus sinen meester nam den boec uter hand ende zelf las'. Jezus pakt het boek uit de hand van de meester en gaat zelf lesgeven. 

Het nut van het onderwijs

Het nut van het onderwijs komt in verschillende gedichten en fragmenten naar voren, bijvoorbeeld in Der minnen loep van Dirc Potter:
Mijn kunst en prijs ic niet eye. 
Doch dunct mi prijs waerdich wesen
datmen scriven can en lesen
ende te maten Latijn verstaen. 
(Mijn schrijfkunst stelt heel weinig voor,
maar ik vind het wel prijzenswaardig
als iemand kan lezen en schrijven
en redelijk wat latijn begrijpen.) 
Dat het onderwijs verandert, vind je terug in de gedichten. In de tweede helft van de zestiende eeuw schrijft Dirck Adrieaensz. Valcooch dat de kinderen verlegen en bang zijn als ze naar school gaan en dat de ouders hen met appels en koek moeten verleiden, maar de leraren moeten ook vriendelijk met hen omgaan, zodat de kinderen willen blijven en naar school willen gaan. 
De jonge Scholiers, die noyt ter scholen hebben geweest, 
Als sy comen, zyn sy beschroomt en seer bevreest,
En zouden wel van angst uyt der scholen loopen,
D'ouderen moeten hen met applen, coeck daer toe coopen, 
Soo moet dan de Schoolmeester haer met soete coutinge omgaen,
Sullen sy blijven, ende ter scholen volstaen. 

Schoolopziener

Soms is er in een voetnoot een prachtige anekdote vermeld. In de negentiende eeuw zijn er schoolopzieners, wellicht te vergelijken met de onderwijsinspectie van nu. Om het 'ongeregeld groeten der kinderen' te voorkomen voerde hoogleraar Van Swinderen als schoolopziener het gebruik in dat leerlingen bij zijn aankomst en vertrek een lied zongen. Dat leverde enkele gedichten op waarvan de maker onbekend is, maar mogelijk is dat Van Swinderen zelf. Het lied bij vertrek:

Afscheidsgroet aan den Weled. Heere Schoolopziener

Wij danken u voor 't onderrigt, 
Dat gij ons geeft van onze pligt, 
Wij zullen vlijtig leeren. (bis)
Bezoek, een and're tijd, ons weêr;
Wij zien u graag, zelfs keer op keer;
Vaarwel Heer Schoolopziener! (bis)

Van sommige gedichten kun je je afvragen of ze in deze bundel thuishoren. Ik volsta met een enkel voorbeeld, 'Het kind en ik' van Martinus Nijhoff. Daar komt weliswaar een schrijvend kind in voor, maar dat lijkt me geen onderwijssituatie. Met heel veel goede wil kun je zeggen dat de 'ik' zich laat onderwijzen door het kind. 

Selectie

Op kwaliteit is niet gelet. Er staan best wat gedichten tussen die thematisch uitstekend in de bloemlezing passen, maar die verder niet zo interessant zijn. Eigenlijk vind ik dat niet zo erg. Bij zo'n brede selectie wil je zoveel mogelijk meenemen, denk ik. Andere gedichten zijn dan weer niet opgenomen. Ed Leeflang schreef de bundel Op Pennewips plek (1982). Nagenoeg al die gedichten hadden in deze bundel gekund, maar er zijn er maar enkele opgenomen, net als van de Sonnetten van een leraar (1951) van Ida Gerhardt. En, over Pennewip gesproken, waarom staat het 'Lofdicht op den meester' van Slachterskeesje (uit Woutertje Pieterse) niet in de bloemlezing? En het gedicht over de geranium van Hans Vlek gaat niet helemaal over het onderwijs, maar ik moest in verband met deze bundel wel meteen denken aan het begin ervan:
Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis, onder hoge ramen
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium.

Ook herinnerde ik mij nog gedichten van Driek van Wissen en Hans Werkman die om een al dan niet duistere reden de selectie niet gehaald hebben. 


Waar is mijn oogst?

Wie goed zoekt, zal nog wel meer vinden wat toegevoegd had kunnen worden, maar belangrijker is wat er wel in staat en dat is heel veel. Veel dat al bekend is, maar ook veel wat voor mij nieuw was, vaak ook van dichters wier naam mij zelfs niet bekend was. Een ervan was Jan Boer, die zijn gedicht 'Oogst' opdroeg aan Theo Thijssen. Volgens Thijssen is dit gedicht het mooiste uit Boers bundel Paedagogische pöezie. Misschien ook wel vanwege die opdracht. 
Oogst

Aan Theo Thijssen

Ik heb gezaaid, 
Ik heb gewied, 
Waar is mijn oogst?
Ik zie ze niet...

Het was toch lang
Geen slechte klas!
En nu - wat is
Het voor gewas?

Vol onkruid nog, 
De stengels schraal, 
Hoe ver nog van 
Mijn ideaal!

Toch zwoegde ik
Het hele jaar
Wat was mijn winst?
Wist ik het maar!!

Nee, dan de bòer,
Gelukkig man
Die alles zien
En tasten kan!
Er zijn gedichten waarin de ik de docent is, maar er zijn ook veel herinneringen aan docenten, zowel vreselijke als geweldige. En soms komen in een gedicht de herinnering en het zelf docent zijn samen, zoals in een gedicht van Kristiaan Laps:

Angst

Een enkle keer schok ik nog zweten wakker:
ik ben weer dertien jaar, loop door de gang. 
Aan 't einde staat, bijna even breed als lang, 
het schrikbeeld van mijn schooltijd, Van den Akker.

Waar hij stond werd ons zelfvertrouwen zwakker:
zelfs vijfdeklassers, peilloos hoog in rang, 
waren voor hem als kinderen zo bang. 
Wij slopen langs hem heen, en niemand sprak er. 

Nu stap ik zelf als leraar door 't gebouw, 
lach om de angsten die mij 's nachts bekropen,
tot een drie-havo-horde, ruig en rauw

op weg om 'n talenpracticum te slopen,
mij tegemoet stormt. In een zijgang, gauw!
Ik word net niet onder de voet gelopen. 

Register

Voor wie gedichten zoekt over een bepaald aspect van de school of het onderwijs, is er een handig zaakregister achter in de bloemlezing opgenomen. Daarin valt op dat er bijvoorbeeld wel veertien gedichten opgenomen zijn over een reünie en dat er heel veel gedichten zijn die vallen onder 'School (Herinneringen aan...)' en maar drie die gerubriceerd zijn onder 'School (Heimwee naar...)', een aanduiding die twee keer in het register voorkomt: een keer met een enkel gedicht en een keer met twee gedichten. 

Zo'n register is handig, maar het is niet waterdicht. Bij een steekproef ging het meteen fout. Het gedicht 'Het woord' van Kees Spiering zou volgens mij wel onder het kopje 'Pesten' passen, maar bij 'Pesten' wordt er niet naar verwezen. 

Het woord

Ze schreeuwen
waar zij gaat, het woord,
als meester hen niet hoort. 

Ze vertelt het niet, 
'Dan slaan we je dood',
hebben ze gezegd. 
Hun ogen meenden het echt. 

Het staat op asfalt waar zij loopt,
op briefjes die in schooltijd
naar haar toe worden gegooid. 

Ze doet of ze niets ziet,
niets verstaat. Praat door. 
Lacht met alleen haar mond. 
Veegt snel een lok achter haar oor. 
Maar heel veel is er natuurlijk wel goed te vinden. Het gaat er ook niet om of Er hangt iets van lente in de klas een perfecte bloemlezing is. Dat is het niet, zoals geen enkele bloemlezing perfect is. Maar het is wel een bloemlezing met meer gedichten over het onderwijs dan welke andere bundel dan ook en ik kan me voorstellen er in de volgende jaren nog meer gedichten toegevoegd worden, zodat er een verzameling ontstaat met steeds minder ontbrekende gedichten. 

En daarnaast kan in de boekenkast een dik boek gezet worden met prozafragmenten over het onderwijs. Dat boek wordt misschien nog wel dikker. Het zou me niet verbazen als een paar mensen al bezig zijn om die bloemlezing samen te stellen. 

Er hangt iets van lente in de klas. Nederlandstalige onderwijsgedichten vanaf de dertiende eeuw tot nu. Redactie Theo Magito & Henk Sissing. Uitg. Noordboek, 2025; 880 blz. € 39,90 (gebonden, leeslinten)