dinsdag 17 februari 2026

Wie niet weg is wordt gezien (Ida Vos)

De naam van Ida Vos (1931 - 20006) kende ik en ik wist dat ze jeugdboeken over de oorlog had geschreven. Het was een vaag besef. Nooit had ik iets van haar gelezen, nooit echt iets over haar gelezen. Ik denk dat ik pas geïnteresseerd raakte na het lezen van Onbevrijd gevoel van Ellen Krol, een bundeling van essays over hoe de tijd net na de oorlog terugkomt in de literatuur: hoe ging men om met Joodse Nederlanders die de oorlog overleefd hadden. Daarin noemt ze ook Ida Vos. 

Vlak na het lezen van dat boek vond ik Wie niet weg is wordt gezien (1981) van Ida Vos in een kringloop en ik kocht het. Het lag nog een tijdje op een stapel, maar ik heb het nu toch gelezen. Ik moest me wel echt zetten tot het lezen, naar dat heeft te maken met de vormgeving van het boek: alle letters zijn vetgedrukt. Erg lelijk, vind ik, maar toen ik aan het lezen was, had ik er gek genoeg geen last meer van.

Het boek is duidelijk bedoeld voor kinderen. Bij Auschwitz staat er bijvoorbeeld een voetnoot: 'concentratiekamp in Polen', de ondergrondse krijgt de uitleg 'verzetsbeweging' en Führer is het Duitse woord voor leider en zo werd Hitler vaak genoemd. De aanname is dat het publiek niets weet over de oorlog en waarschijnlijk is dat terecht.

Hoofdpersoon in het boek is Rachel Hartog. Voor haar stond Ida Vos zelf model. Achter in het boek legt ze uit dat ze de gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk heeft weergegeven, maar dat ze de onderduikadressen beperkt heeft tot vier, om het voor de lezer behapbaar te maken. 

De anderen

Het verhaal begint al voor de oorlog. Als er een vriendinnetje bij Rachel komt spelen, ziet ze daar Hebreeuwse boeken. Daarna komt ze nooit meer: ze mag geen jodenboeken lezen. Het laat zien dat joden blijkbaar gezien werden als de anderen en dat er Nederlanders waren die daar duidelijk niets mee te maken wilden hebben. Dat gevoel bleek er na de oorlog nog steeds te zijn. 

Al voor de inval van de Duitsers is er een oefening met het verduisteren van de ramen van woningen. Dat was me onbekend. Dat het in de oorlog gebeurde, wist ik wel. Rachel registreert het vooral, net als de meeste dingen die in de oorlog gebeuren. Ze lijkt veel dingen te accepteren, omdat die nu eenmaal zo zijn. 

In het boek werkt dat heel goed. Het is niet Rachel die ontzet is over wat er gebeurt, maar de lezer. En je ziet vooral hoe de oorlog doorwerkt in de gewone dagelijkse dingen. Bij het verstoppertje spelen, verbergen de kinderen zich in het park, want daar mag Rachel niet komen. 

Zij kan niet meer meedoen. Verstoppertje spelen mag ze niet van de moffen. Alleen niet-joodse kinderen mogen dat.

Boodschappen doen mag alleen maar tussen drie en vijf, op een bankje zitten is verboden, net als zwemmen. 

Nieuwe namen

Uiteindelijk moeten Rachel, haar ouders en haar zusje Esther onderduiken. Ze krijgen nieuwe namen. Maar als ze een poëziealbum op haar verjaardag krijgt, schrijft ze er voorin: 

Dit album is van mij
Zolang ik hoop te leven
Rachel is mijn naam
Door mijn ouders mij gegeven.
Hartog is mijn van, 
Mijn vaderlijke stam, 
Groningen is ...

'Ria, in godsnaam. Wat doe je? Laat dat!'
Moeder staat achter haar. Ze trekt het album van de tafel. Ze begint de eerste bladzij eruit te scheuren. 
'Niet doen mamma!' roept ze. 'Niet scheuren!'
Moeder scheurt toch. 
'Laat dat mamma!'
Met twee vuisten slaat ze tegen mamma's hoofd. Ze schreeuwt, ze huilt. Ze wil niet meer stil zijn, nooit meer. Ze voelt dat moeder haar op schoot trekt. Ze voelt dat moeder haar kusjes geeft en lieve woordjes in haar oor fluistert. 
'Kindje kindje wat wil je toch? vraagt moeder. 
'Niks,' snikt ze. 'Niks, alleen maar Ria Hartog zijn.'

Getraumatiseerd

Twee grootouders overleven de oorlog niet. Twee andere wel, maar opa is getraumatiseerd door het kamp. Hij is nog steeds op zoek naar brood in vuilniszakken. 
Vanuit de kamer hoort ze de harde stem van oma: 'Verdomme. Laat dat toch! Je bent niet meer in het kamp. We zijn terug in Holland. Hier hoef je geen beschimmeld brood meer te eten.'

Tante Jetje, die het kamp overleefd heeft, komt na de oorlog mensen tegen die haar naar andere mensen vragen, die in de oorlog vermoord zijn. Ze heeft geen zin dat elke keer te vertellen en breekt het gesprek af, waarop ene mevrouw Van Dalen zegt: 'Weer één te weinig vergast. Kale kakmadam.'

Dat was, als ik het mij goed herinner, een passage die Ellen Krol citeerde. Er wordt slechts weergegeven wat er gebeurde en daarom is het zo schokkend. 

Het Parool 1 april 1980

Krantenberichten

Door het hele boek zijn er sobere illustraties opgenomen, bijvoorbeeld een grijze pagina met een Jodenster en verschillende keren staat er op de grijze pagina een krantenbericht, waarin we kunnen lezen welke maatregelen er tegen de Joden zijn afgekondigd. 

Achter in het boek wordt verteld dat er 100.000 Nederlandse Joden in de oorlog vermoord zijn en dan volgt er een lange lijst van mensen uit het boek die de oorlog niet hebben overleefd. 

Toen Ida Vos in 1981 Wie niet weg is wordt gezien publiceerde had ze al drie dichtbundels op haar naam staan: 35 tranen (1976), Schiereiland (1979) en Miniaturen. 35 tranen is een gedichtenbundel over de kinderen in haar klas. Slechts vier van hen overleefden de oorlog, onder wie Ida. 

Het kinderboek Wie niet weg is wordt gezien verscheen in het najaar van 1981. Het eerste exemplaar werd in het Anne Frankhuis overhandigd aan haar onderduikouders, Oom Jaap en tante Nel de Lange. Ida zat bij hen in Venhuizen (in de buurt van Hoorn) een deel van de oorlog ondergedoken. 

Het boek wordt genoemd en gerecenseerd, vaak in combinatie met andere boeken. Alle besprekingen zijn positief, maar meestal is de omvang ervan beperkt. Blijkbaar werd er niet uitgebreid geschreven over jeugdliteratuur in die tijd. Alleen in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 29 januari 1982 wordt een groot artikel aan  het boek besteed. 

Wie niet weg is wordt gezien was het prozadebuut van Ida Vos. Daarna zou ze nog verschillende boeken schrijven, waaronder Anna is er nog (1986) en Witte zwanen zwarte zwanen (1992).

Overhandiging van het eerste exemplaar (Nieuwsblad van het Noorden 27 november 1981)







maandag 16 februari 2026

The Mythmakers, De wonderlijke vriendschap tussen C.S. Lewis & J.R.R. Tolkien (John Hendrix)

Eigenlijk ben ik niet de meest geschikte persoon om een bespreking te wijden aan The Mythmakers van John Hendrix. Het boek gaat over de vriendschap tussen Tolkien en C.S. Lewis De eerste is bekend van In de ban van de ring en De Hobbit en de tweede van De kronieken van Narnia. Waarschijnlijk weet iedereen ongeveer waarover die boeken gaan, al is het maar door het kijken naar de verfilmingen en er zullen ook wel prentenboeken van zijn of andere bewerkingen. 

Eerlijk gezegd heb ik wel enkele van de films gezien en heb ik ook wel wat over de boeken gelezen, maar ik heb de boeken zelf nooit gelezen. En de films vond ik best aardig, maar ik ben ook niet een heel grote liefhebber van het genre. 

Stripvorm

Toch was ik wel meteen geïnteresseerd toen ik las dat het boek The Mythmakers in het Nederlands verscheen. Het is een boek over de vriendschap tussen Tolkien en Lewis en daar wist ik helemaal niets van af. Ik had er zelfs geen idee van dat die twee elkaar kenden. Maar nog belangrijker is: voor een deel wordt het verhaal verteld in de vorm van een strip. 

Een deel is in proza, maar die prozagedeelten zijn wel rijk (en leuk) geïllustreerd en een deel is helemaal in stripvorm. Verder is de vorm heel origineel. In het begin hebben we twee vertellers: een leeuw en een tovenaar, met wie we als lezer op stap gaan. Er zijn allerlei deuren waaruit ze kunnen kiezen en dan kom je in het verhaal van de vriendschap terecht. Dat wordt redelijk chronologisch verteld, maar je hebt op verschillende momenten de mogelijkheid om door een deur in een portaal terecht te komen, waarin de hoofdpersonen een wasbeer en een distel zijn die ons meenemen door een stripverhaal. In die portalen worden begrippen als mythe, epos en sprookje uitgediept. Die stukjes staan achter in het boek. 

Je kunt het boek ook gewoon bladzij voor bladzij lezen, maar dat je heen en weer kunt bladeren (en daarbij toch de weg niet kwijtraakt), is wel een heel aantrekkelijke vorm. Het geeft een zekere speelsheid aan de opzet. 

Oorlog

Als Lewis (ook Jack genoemd) en Tolkien (ook Ronald of Tollers genoemd) elkaar ontmoeten, hebben ze al een deel van hun leven achter de rug. Daarin speelt de Eerste Wereldoorlog een rol. Tolkien is geboren in 1892, Lewis in 1898 (ze hadden mijn grootouders kunnen zijn). Ze hebben niet alleen de Grote Oorlog bewust meegemaakt, maar ze hebben er ook aan deelgenomen. Het was niet de eerste keer dat ze met de dood geconfronteerd werden. Beiden waren hun moeder al verloren. 

Lewis die altijd veel twijfels heeft gehad bij het begrip God, krijgt steeds meer twijfels over zijn twijfel en zal uiteindelijk toetreden tot de Anglicaanse kerk. Tolkien is katholiek. Ze hebben met elkaar te maken in Oxford, waar ze wekelijks bij elkaar komen met een vriendengroep, de Inklings. Die becommentariëren elkaars teksten en jutten op die manier elkaar op. Ze scherpen elkaar. 

Lewis en Tolkien hebben belangstelling voor mythen, sprookjes en volksverhalen, maar dat niet alleen. Ze dagen elkaar uit om te schrijven over tijdreizen en ruimtereizen. 

De ster van Lewis rijst al snel. Hij is bijzonder productief en in de Tweede Wereldoorlog houdt hij voordrachten voor de radio. Tolkien is veel detaillistischer in zijn manier van werken, kan eindeloos schaven aan onderdelen en het zal lang duren voordat hij uiteindelijk In de ban van de ring publiceert. 

Verwijdering

In de loop van de tijd komt er verwijdering tussen de twee schrijvers. Er komt iemand bij de vriendengroep die Tolkien ervaart als concurrent in zijn vriendschap met Lewis en nog weer later zorgt het huwelijk van Lewis voor afstand. Lewis trouwt met een Amerikaanse vrouw, die dat huwelijk nodig heeft om in het Verenigd Koninkrijk te kunnen blijven. Je zou kunnen zeggen dat de liefde van Lewis voor Joy zich pas ontwikkeld heeft toen ze al getrouwd waren en zeker toen bleek dat Joy ernstig ziek was. 

Het probleem was dat Joy een gescheiden vrouw was. Lewis en zij konden een burgerlijk huwelijk aangaan, maar dat kon niet kerkelijk ingezegend worden. Na heel veel tijd is dat uiteindelijk wel gebeurd. Een huwelijk is een ingrijpende gebeurtenis, maar Lewis vertelde niet aan zijn omgeving dat hij getrouwd was en dus ook niet aan Tolkien. 

Zo raakten de twee uit elkaar en werd de vriendschap niet wat die misschien had kunnen worden. Later was de afstand misschien wat minder groot, maar de vriendschap werd nooit meer zoals in het begin.

Sympathie

John Hendrix geeft een mooi beeld van de twee schrijvers. Niet alleen kom je de feiten uit hun leven te weten, maar je krijgt ook een goed beeld van hun persoonlijkheden. Ze worden zo gepresenteerd dat je ze met sympathie beziet en begrip voor ze hebt. De aandacht waarmee ze beschreven (en getekend) worden, verraadt de betrokkenheid van de auteur. 

Dat zie je vooral in het slot als hij in de verbeelding de twee oud-vrienden samenbrengt en hen uit laat spreken wat ze voor elkaar betekend hebben. Dan verschijnt er ineens ook meer kleur in de tekeningen, zodat het verhaal warmer wordt. 

In de rest van het boek is het kleurgebruik vrij sober. De tekeningen staan in dienst van het verhaal en de afwisseling van proza en strips werkt goed. Op beide manieren wordt de geschiedenis van een vriendschap verteld. 

Smetjes

The Mythmakers is vertaald door Daan Savert, die de titel onvertaald liet. Mij is niet helemaal duidelijk waarom, maar misschien waren er contractuele verplichtingen die hem daartoe noopten. In de Nederlandse versie zijn wel een paar foutjes geslopen, waarvan de ernstigste is dat de sterfdatum van Lewis niet klopt: die was niet op 2 november 1963, maar op 22 november van dat jaar. De sprookjes van Grimm krijgen twee verschillende jaartallen (1812 en 1857), een persoon heet de ene keer Morris, de andere keer Morries, maar vooruit, het zijn maar kleine smetjes. 

Ik heb The Mythmakers met veel plezier gelezen en dan behoor ik misschien niet eens tot de doelgroep. Er zijn veel fans van het werk van Lewis en Tolkien en die zullen heel erg genieten van de manier waarop Hendrix laat zien hoe hun ideeën en hun oeuvre zich ontwikkeld hebben. Daarin vind ik hem bijzonder helder. Kenners kunnen beoordelen of het ook allemaal klopt, maar op mij kwam het in ieder geval heel aannemelijk over. 

Het is ook wel heel gepast dat de vriendschap tussen twee originele geesten op zo'n originele manier verteld wordt. Er zijn al heel veel stripbiografieën, waarvan ik er verschillende hier besproken heb, maar zo'n mengvorm van geïllustreerd proza en strips is veel minder gebruikelijk. Door al die tekeningen is het een extra aantrekkelijk boek geworden, dat geschikt is voor een breed lezerspubliek. 

John Hendrix, The Mythmakers. De wonderlijke vriendschap tussen C.S. Lewis & J.R.R. Tolkien. Vertaling: Daan Savert. Uitg. KokBoekencentrum, 2026. 218 blz. € 27,99




donderdag 12 februari 2026

Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma (Anton de Goede)

Het lezen van biografieën trekt mij aan, maar waarom eigenlijk? Mannen van een zekere leeftijd keren zich een beetje af van de fictie en lezen meer non-fictie, heb ik al vaak horen zeggen, maar ik hou nog evenveel van de fictie. Toch lees ik van tijd tot tijd met heel veel plezier een biografie. Onder de bespreking van die van Arthur van Schendel nam ik een lijstje op met recensies die ik van biografieën heb geschreven. Het waren er meer dan ik verwachtte. 

Voor een deel speelt misschien mee dat sommige biografieën gaan over een tijd die ik zelf meegemaakt heb. Ze beschrijven een deel van mijn levenstijd, ze frissen zaken op die ik alweer een beetje kwijt was. Je leest nooit alleen een boek, maar ook jezelf. 

In ieder geval lees ik graag biografieën en ik zou er nog meer willen lezen. Dat moet maar na mijn pensionering. Eerst maar zien dat ik het halve jaar tot die tijd ongeschonden doorkom en dat zal nog lastig genoeg zijn. 

Anton de Goede schreef Een gat in het hoofd; Leven en werk van Heere Heeresma en ik zeg het maar meteen: een boek waar ik erg van genoten heb. 

Leesgeschiedenis

Het werk van Heeresma leerde ik kennen in 1977 toen er jongen in het internaat kwam wonen, Mijndert, die boeken bij zich had die ik nog niet kende: het werk van Nescio, Het zwarte licht van Harry Mulisch en ook Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972). Ik las dat boek en genoot ervan. Het was wonderlijk hoe humor en tragiek samenkwamen in een boek. Ik besloot meer van Heeresma te gaan lezen. 

In 1978 werd ik lid van boekenclub ECI en mocht voor een tientje drie boeken uitzoeken. Als mijn geheugen mij geen loer draait, koos ik voor Heeresma Helemaal (zijn verzamelde verhalen), het boek van Rien Poortvliet over de kabouter en een boek over Escher. 

Die verhalen van Heeresma zijn me steeds bijgebleven. Toen ik docent Nederlands was, heb ik er een stel voorgelezen en ik heb ze ook wel gekopieerd om ze klassikaal te lezen. Helemaal zeker ben ik er niet van, maar ik vermoed dat dat in ieder geval 'Een winkelier keert niet weerom' en 'Meneer Frits en juffrouw Lenie' waren. Intussen had ik andere boeken van Heeresma geleend uit de bibliotheek en de meeste heb ik naderhand ook aangeschaft: Een dagje naar het strand (1962), De vis (1963), Geef die mok eens door, Jet! (1968). Ik heb ook De verloedering van Swieps (1967) en Hip, hip hip voor de Antikrist (1969), maar daar heb ik maar een vage herinnering aan. 

Het gekke is, dat ik er later niet meer toe kwam om Heeresma's werk te lezen. Ik had zeker wel zin in Een jongen uit plan Zuid (2005) en eigenlijk wil ik dat boek (eigenlijk twee boeken) nog steeds lezen. Het is nooit gebeurd. 

Pornopersiflages

Kwam dat doordat Heeresma op een gegeven moment ook porno ging schrijven? Zelf noemde hij het pornopersiflages. Voor mijn gevoel was hij terechtgekomen in een sector waar ik weinig van verwachtte. Ik weet nog dat een leerling (ik ken zijn naam nog), zo'n boek op de lijst wilde zetten. Ik vroeg of hij dat nou wel moest doen en of zo'n boek wel op een literatuurlijst paste. Hij vond van wel en ik wilde het niet verbieden, maar ik zei dat hij op zijn mondeling dan wel uit moest leggen waarom het boek terecht op zijn lijst stond. Het mondeling ging moeizaam en toen ik de kandidaat vroeg waarom waarom Een hete ijssalon (1982) -het kan ook Gelukkige paren zijn geweest- recht had op een plek in de literatuur zei hij dat hij daar niet zo over had nagedacht. Op de enige vraag die hij vooraf al wist, had hij geen antwoord. Ik geloof dat ik hem een drie gegeven heb. 

Maar nu de biografie. De Goede vertelt over het leven van Heere Heeresma, van wie de broers Marcus en Faber ook een zekere bekendheid zouden krijgen. Met Marcus raakte hij ernstig gebrouilleerd en Faber werd niet oud. Waarschijnlijk maakte hij zelf een einde aan zijn leven. De Goede zet de aanwijzingen daarvoor op een rijtje. 

De vader van Heeresma was een soort evangelist, met een eigen tijdschrift, De flambouw. Die vader zal een grote invloed gehad hebben. Ook Heeresma hield zich bezig met het doorvorsen van de Bijbel en hij voelde zich verbonden met het jodendom. In zijn taal klinkt de Bijbel vaak door. Heeresma vond dat zijn aandacht voor de Bijbel onderbelicht is gebleven, maar De Goede maakt er ruimte voor vrij. 

Aanwezige auteur

Een gat in het hoofd is een levendige biografie. Bronnen zitten vaak niet verstopt in voetnoten, maar de auteur beschrijft hoe hij ze spreekt en onder welke omstandigheden. Dat betekent dat De Goede, die lang contact met Heeresma heeft gehad, ook zelf in de biografie aanwezig is. Ik vind dat prettig. Als lezer heb je het idee dat je hem vergezelt op zijn zoektocht naar Heeresma. 

De schrijver moet geen gemakkelijk mens zijn geweest en dat laat De Goede duidelijk zien, maar hij laat hem niet vallen en ook dat vind ik prettig. Hij verbloemt niets, maar praat ook niets goed. En hij heeft een zeker wantrouwen tegenover alles wat Heeresma beweert. Hij weet hoe diens fantasie op hol kan slaan en dat of iets een goed verhaal is voor hem vaak belangrijker is dan of het waar is. 

Heeresma zei dat zijn hele leven zich achter een brandscherm afspeelde en dat hij daar niemand achter liet kijken. Hij deed zijn best om zich af te schermen. Vooral ook van de overheid. Daarom haalde hij zijn zoon van school om hem thuis te onderwijzen, werd hij het liefst contant uitbetaald en waar hij woonde, was bij velen onbekend. Hij had al lang de pensioengerechtigde leeftijd bereikt voordat hij AOW aanvroeg. Toch krijg je door deze biografie de indruk dat je Heeresma zo goed mogelijk hebt leren kennen. 

Bij de mensen in zijn omgeving veroorzaakte Heeresma ongemak en richtte hij schade aan. Hij brak met de dochter uit zijn eerste huwelijk en zijn zoon, Heere Heeresma jr. verbrak het contact met zijn vader na de dood van zijn moeder. Voor de buitenwereld was de schrijver vaak onbereikbaar, maar dat gold wellicht in zekere zin ook voor de mensen die hem na stonden.

Populair

Het werk van Heeresma is ongekend populair geweest. Veel meer dan ik mij ooit gerealiseerd heb. Hij noemde zich de meest verfilmde schrijver van Nederland en De Goede gaat op elk van die verfilmingen in. Een dagje naar het strand werd zelfs twee keer verfilmd. 

Maar op een gegeven moment komt de klad in het werk van Heeresma. Er verschijnt weinig nieuw werk. Pas tegen het eind van zijn leven zal hij weer werk van niveau publiceren: Een jongen uit plan Zuid en Kijk, een drenkeling komt voorbij (2006). Toen hij minder publiceerde, was hij nog wel voor de radio te horen. In 2014 werden transcripties van zijn radiomonologen uitgegeven onder de titel Kaddish voor een buurt

In Een gat in het hoofd doet De Goede zowel de schrijver als zijn werk recht. Hij trekt ook mogelijke lijnen tussen de inhoud van het werk en het leven van Heeresma, maar daarin is hij voorzichtig. Dat lijkt me terecht. 

Boeiend

De biografie boeit van begin tot eind. Ik heb al genoemd dat de auteur ook een persoon binnen het boek is, maar er is meer. De Goede heeft de stof soepel geordend, staat zich zijwegen toe om toch weer feilloos op de hoofdweg terecht te komen en wijst op wat er nog komen gaat. Dat houdt de spanning erin. Zo krijgen we al in het begin van het boek te lezen dat het niet goed is gegaan tussen Heere Heeresma en zijn broer Marcus, maar de toedracht lezen we pas veel later. De hele tijd was ik benieuwd naar wat er tussen hen gebeurd was. 

Heel vaak komen andere mensen aan het woord, die Heeresma meegemaakt hebben en De Goede is gul met zijn citaten. Hij drukt een interview af dat niet eerder in druk is verschenen of citeert een complete recensie. Het werkt allemaal goed. Je leest het leven van iemand over wie gepraat wordt, over wie anderen iets vertellen, maar die ook veel te raden overlaat. 

In Een gat in het hoofd is natuurlijk een fotokatern opgenomen en aan het eind is er een handig namenregister. Nu wel met bladzijnummers. Heeresma hield dat tegen bij Vlieg vogel vlieg met me mee tralala.

Wie werk van Heeresma wil lezen heeft tegenwoordig Heeresma houdmaar tot zijn beschikking, een van de mooie dundrukboekjes die verschijnen bij uitgeverij Van Oorschot. Eerlijk gezegd heb ik het niet gelezen, omdat ik vermoedde dat er veel in zou staan wat ik al kende. Dat had ik natuurlijk wel moeten controleren. Maar dat kan ik alsnog doen. 

Naast geschreven heeft Heeresma ook veel gesproken, als een soort dagsluiter op de radio. Ik meen gelezen te hebben dat daarmee ook nog iets gebeurt, maar nu ik het zoek kan ik het niet vinden. 

Het is mooi dat een markante schrijver als Heeresma een goede biografie heeft gekregen. Zijn werk verdient herlezing of een nieuw publiek. Niet alles is goed, maar wel is alles helemaal Heeresma en kun je van een groot deel van zijn werk genieten. 

Anton de Goede, Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma. Uitg. De Arbeiderspers, 2025. 520 blz. € 34,99 (gebonden, stofomslag)

woensdag 11 februari 2026

Volgen

Deze week kreeg ik een aardige mail van een aardig iemand over een oude blogpost, die over Gekleurd grijs, over Gerard Bilders, en over Kneppelhout. Het boek staat mij nog heel goed bij en een maand geleden zag ik nog schilderijen van Bilders (en zijn vader) op een expositie in Nunspeet. Afgelopen zondag wandelde ik nog in Wolfheze, langs de Wodanseiken, die in de negentiende eeuw veelvuldig zijn geschilderd door de Veluwezoomschilders.

Ik heb een voorliefde voor de negentiende eeuw en als je zoekt in Bunt Blogt vind je daar allerlei bijdragen over die tijd, van die over Waarheid en droomen (Jonathan) of De kiesvereeniging van Stellendijk (Lodewijk Mulder) tot de Dichterlijke nalatenschap (E.A. Borger) en de biografie van Jacob van Lennep. Als je die stukken zoekt, vind je ze wel. 

De mailschrijfster vroeg mij hoe ze mijn weblog kon volgen. Hoe kun je ervoor zorgen dat je een mailtje krijgt als er weer iets op Bunt Blogt verschenen is. Ik wist het niet. Ik heb een leeslijst, van weblogs die ik ooit wilde volgen en ook wel gevolgd heb, maar eerlijk gezegd doe ik daar niet veel meer mee. 

Maar jij weet wellicht hoe dat op een eenvoudige manier kan. Zou je dat willen laten weten? Daar help je iemand mee. 

Terwijl ik dit aan het tikken ben, komt er een berichtje van mijn dochter binnen: Cees Nooteboom overleden. Oud geworden en toch nog verscheiden voordat hem de Nobelprijs toegekend werd. Ik zal binnenkort over hem schrijven. 

Als plaatje bij deze blogpost koos ik de omslag van een boek van Wam de Moor. Wordt zijn naam ook weer eens genoemd. Ik las zijn recensies indertijd in De Tijd en ik volgde ooit een cursus bij hem, toen men aan het uitvinden was hoe het vak culturele en kunstzinnige vorming eruit moest gaan zien. 

Gebundelde kritieken - die verschijnen ook niet meer, vermoed ik. Ik kocht ze indertijd: van Tom van Deel, van Carel Peeters en dus ook van Wam de Moor. Hopelijk zijn hun namen nog niet vergeten. 

Door de illustratie lijkt het een beetje of ik oproep om Bunt Blogt te volgen, maar dat is niet de bedoeling. Maar ik zou wel willen weten hoe je een weblog op blogspot volgt, om iemand ter wille te zijn. Alvast bedankt voor je medewerking. 

dinsdag 10 februari 2026

De omloop Het Hoofd

Van sport weet ik vrij weinig, maar ik herinner mij dat er ooit een wielerwedstrijd bestond die 'De omloop Het Volk' heette. Corrigeer me als ik het fout heb, maar volgens mij was (of is) Het Volk een krant. Ik vond de benaming altijd een beetje vreemd. Het was niet De omloop van Het Volk, maar blijkbaar heette De omloop gewoon Het volk. 

Deze weken heb ik meer te kampen met De omloop Het Hoofd: mijn hoofd loopt om. Aan drukte ben ik wel gewend. De weekends hou ik zoveel mogelijk vrij (op een enkele boekbespreking bij de lokale omroep na), maar door de week werk ik de hele dag en vaak ook in de avond. Dat is me meestal goed af gegaan: de ene drukte ontspande van de andere. Maar ik merk dat me dat sinds kort niet meer lukt: het is moeilijk om het overzicht te bewaren en dat levert stress op. 

Ik maak lijstjes die ik moet afvinken en als ik al bezig ben met de opdrachten, schieten mij nog weer andere dingen te binnen die ook nog op het lijstje moeten. Soms raak ik zo'n lijstje in de loop van de dag ook weer kwijt, wat mij diep doet zuchten en voor de derde keer een stapel papieren door doet bladeren. Af en toe word ik overvallen door afspraken die ik over het hoofd heb gezien. 

Op andere momenten staar ik naar mijn scherm, niet meer wetend wat ik ook alweer aan het doen was, waarnaar ik aan het zoeken was. Dan loopt de machinerie even vast. Diep zuchten helpt dan wel eens. 

Gelukkig zijn mijn collega's aardig en begrijpend en ondersteunend. Ook zij hebben het druk, ook zij werken hard. Ze werken op deze plek wat langer en weten beter hoe alle systemen werken. En ze zijn jonger, wat natuurlijk ook scheelt. 

Elke week probeer ik hier drie nieuwe recensies te plaatsen en meestal schrijf ik twee ervan op maandag. Dat is lastig. Als je hoofd de hele tijd vol gezeten heeft van het ene boek, schakelt het lastig over naar het volgende. Bovendien loopt ook mijn maandag vol met andere werkzaamheden. Al verschillende maandagen moet ik halverwege stoppen met het schrijven, omdat ik dan op stagebezoek moet. Vorige week naar Voorthuizen en Barneveld, deze week naar Scherpenzeel. 

Gisteren schreef ik een recensie van de graphic novel Lucien. Ik hoop dat mijn geschrijf niet al te zeer te lijden heeft van mijn volle hoofd, al zal er wel iets van te merken zijn. Over het stuk dat ik schreef over Anja Meulenbelt, vorige week, was ik trouwens tevreden. Gistermiddag ging ik aan de slag met de recensie van Een gat in het hoofd, de biografie die Anton de Goede schreef van Heere Heeresma. Toen ik al een eind was, vond ik het ineens genoeg. 

Ik wist dat ik ook de hele avond bezig zou zijn: een schaakwedstrijd, waarvan ik pas om 00.30 uur thuis was. Ik schoof mijn bureaustoel achteruit en besloot naar de apotheek te wandelen, waar mijn medicijnen voor de komende maanden klaar lagen. Even naar buiten. Dat heeft mij goed gedaan. 

Ook vanavond zal ik niet verder schrijven aan de recensie. Ik was vanochtend om kwart over zeven op mijn werk. Ik had om 17.30 uur nog een stagebezoek en was om 18.30 uur weer thuis. Toen was het wel mooi geweest. Ik zou wat kunnen  lezen, maar lezen is bij mij een rare mengeling van ontspanning en werk. Ik vind meestal dat ik een bepaald aantal bladzijden moet lezen op een dag (want anders kan ik die drie besprekingen niet schrijven). Dus misschien moet ik ook het lezen vanavond maar helemaal laten zitten. 

In ieder geval wilde ik even melden dat er deze week waarschijnlijk wat minder online komt. Volgende week heb ik voorjaarsvakantie, maar die week kan ik nog moeilijk overzien. Op donderdag werk ik gewoon bij 113 en mijn lief en ik gaan waarschijnlijk nog wel even weg, maar dat heb ik nog niet helder. Plannen is sowieso lastig voor me, merk ik. Ik hecht sterk aan mijn papieren agenda. Die geeft me wel wat overzicht. 

Straks zal ik nog even een plaatje bij dit stukje zoeken en dan doe ik even helemaal niks. Op een recensie moet je dan meer even wachten. De eerstvolgende zal die van de biografie van Heere Heeresma zijn en verder lees ik in een boek, gedeeltelijk een strip, over de vriendschap tussen Tolkien en C.S. Lewis (The mythmakers) en in een jeugdboek van Ida Vos. Kijk er maar naar uit en heb geduld. 

maandag 9 februari 2026

Lucien (Rani De Prée)

Lucien draagt het licht in zijn naam, maar hij heeft vooral te strijden met de duisternis. Soms voelt hij een vuur in zich branden en daarna gaat er iemand dood. Er rust een vloek op hem, denkt hij. Hij moet wel een monster zijn. 

Zijn moeder probeert dat uit zijn hoofd te praten en geeft hem een kistje met een soort dobbelstenen met daarop doodskoppen. Op deze manier kan hij de oorzaak van de dood van anderen buiten zichzelf leggen: de stenen bepalen die. Maar Lucien heeft nog een lange weg te gaan. 

De Lucien is de hoofdpersoon van de graphic novel Lucien van Rani De Prée. Na een proloog op een begraafplaats volgen we Lucien, een jongen met een wat armoedig uiterlijk: hij loopt op blote voeten en de onderkant van zijn broekspijpen is gerafeld. Maar misschien is ook wel de boodschap dat hij met zijn blote voeten op de aarde staat. 

Wonderlijke brief

Op een dag komt op een wonderlijke manier een brief bij hem, uit een soort andere werkelijkheid. Juist dan is er een zonsverduistering, waarin de duisternis het lijkt te gaan winnen van het licht. In die tijd moet Lucien aan de slag. 

Hij ontmoet in het paleis Caelesta, de hoedster van de sterren. Maar ook in haar wereld rukt de duisternis op. Zij heeft de hemel in haar naam, maar ook zij moet de duisternis bestrijden. Lucien zal haar vergezellen. 

Je kunt de tocht en de strijd zien als een symbolische tocht, die Lucien nodig heeft om zijn leven op orde te krijgen, als een innerlijke strijd. Maar ook als een kosmische strijd tussen het goed en het kwaad. Ook de noties leven en dood spelen er steeds doorheen. Zo zijn sterren niet alleen hemellichamen, maar staan ze ook voor de levens van overleden mensen. Het boek gaat ook over dealen met de sterfelijkheid. Daarin gaat het niet om de eigen sterfelijkheid, maar ook die van de geliefden, bijvoorbeeld de moeder van Lucien. 

Epiloog

Net als de proloog speelt de epiloog van Lucien zich af op een begraafplaats. Maar nu is er geen angst, maar juist rust en de kleuren die gebruikt worden, geven iets vredigs aan het geheel. De strijd is voorbij. 

Wat de kern van Lucien is, is lastig uit te leggen. Waarschijnlijk wilde De Prée het mysterie intact laten en ze heeft er vooral in symbolen over verteld, maar het geeft het boek ook iets vaags. Dat heeft natuurlijk ook een voordeel: je kunt je interpretaties bijna de vrije loop laten. Maar eigenlijk had ik wel wat meer helderheid gewild. Het verhaal blijft voor mijn gevoel nogal zweverig en daarin had ik wat meer stevigheid wel op prijs gesteld. 

Vertelplezier

Aan de andere kant merk je ook wel het vertelplezier. Het verteltempo is vrij laag, maar dat stoorde mij niet zo erg, omdat er in de verschillende passages wel een aangename intensiteit zit. Het geworstel van Lucien speelt zich af op existentieel niveau en misschien zou daar geen recht aan gedaan zijn als de ontwikkelingen zich sneller hadden afgespeeld. 

De Prée heeft een bijzondere manier van tekenen: de verschillende tekeningen hebben geen kaders en er wordt geen inkt gebruikt bij de omlijning van de verhaalfiguren. Passend bij de inhoud van het verhaal wordt er veel gewerkt met licht (en vooral ook) donker, wat heel bepalend is voor de sfeer van het boek. Na zoveel donkerheid, ben je ook wel toe aan de kleurrijkheid van de epiloog. 

Lucien is het debuut van Rani De Prée en het is een intrigerend boek. Ik ben benieuwd welke wegen De Prée nog gaat bewandelen. Het is een bijzonder verhaal, maar de indruk die Lucien bij me nalaat is toch meer 'interessant' dan 'goed'. Ik denk dat het boek had kunnen winnen bij een strakker scenario en bij meer helderheid. Maar misschien was dit boek er dan niet geweest en dat zou toch ook jammer zijn. 

Titel: Lucien
Tekst en tekeningen: Rani De Prée
Uitgever: MENLU
2026, 208 blz. € 29,99 (hardcover)

vrijdag 6 februari 2026

Afgestoft: Dit is alles (Aidan Chambers)

Wat was het eerste boek dat ik van Aidan Chambers gelezen heb? Helemaal zeker weet ik het niet, maar ik vermoed dat Tirannen (1986) is geweest, een boek over pesters. Ik was toen docent op een mavo en beheerde daar ook de biliotheek. Eigenlijk las ik zo'n beetje alles wat ik nieuw aanschafte en Tirannen was een van die boeken. 

Mogelijk, maar ik moet enkele slagen om de arm houden, las ik daarna Het geheim van de grot, dat een jaar eerder was uitgekomen. Ook een aardig jeugdboek, maar ik was pas echt onder de indruk toen ik Nu weet ik het (1990) gelezen had. Daarna heb ik nog veel meer boeken van hem gelezen en volgens mij heb ik hier in huis nog ergens Verleden week (1979) ongelezen liggen. 

Over het dikke boek Alles is anders schreef ik in Liter nummer 52, jaargang 11 (2008). Over Nu weet ik het heb ik ook in Liter geschreven. Dat stukje zal ik nog een keer afstoffen. 



Een hoofdkussenboek


Volgens Ivan Morris is een hoofdkussenboek ‘een dagboek, of verzameling dagboeken, bewaard op een veilige, min of meer geheime plek, waarin van tijd tot tijd indrukken worden genoteerd, dagelijkse gebeurtenissen, gedichten, brieven, verhalen, ideeën, beschrijvingen van mensen, etc.’ Deze Morris, die mij verder onbekend is, noteerde dat naar aanleiding van Het hoofdkussenboek van Sei Shÿnagon (begin elfde eeuw), dat mij ook onbekend was, maar dat blijkt te gaan over wat Shÿnagon aan het hof beleefde.

Aidan Chambers noteert het citaat van Morris aan het begin van zijn dikke boek (bijna achthonderd pagina's) Dit is alles en dat is wel begrijpelijk. Het boek heeft immers als ondertitel Het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn. Zo'n ondertitel lijkt een vrijbrief om van een boek een allegaartje te maken en misschien is het dat voor een deel ook wel geworden, maar wie eerder werk van Chambers heeft gelezen, weet dat hij zijn boeken altijd zorgvuldig opbouwt.

Dit is alles (vertaald door Annelies Jorna, Querido, Amsterdam 2007, 784 blz., €27,90) is bedoeld als sluitstuk van de cyclus Dance sequence, die bestaat uit Verleden week (1979, 1990), Je moet dansen op mijn graf 1985), Nu weet ik het (1990), De tolbrug (1993) en Niets is wat het lijkt (2000). Pas bij het tweede boek besloot Chambers dat hij een serie ging schrijven. De boeken moesten elkaar opvolgen, maar ze moesten ook op zichzelf kunnen staan, zoals dansen die elkaar opvolgen.

Chambers' boeken zijn bedoeld voor de oudere jeugd, zo ongeveer van vijftien jaar en ouder, maar een goed is boek is natuurlijk voor alle leeftijden. In elk boek leven we mee met een jongere, dus iemand die opgroeit en met de problemen van dat opgroeien te maken krijgt. Mij sprak vooral Nu weet ik het aan, een boek waarin de spanning tussen rationeel denken en geloof verkend wordt. De hoofdpersoon Nik, die aanvankelijk niets van het geloof afweet, bekeert zich, maar wordt niet gelovig. In de andere boeken schrijft Chambers over lichamelijke en zintuiglijke waarnemingen, emotie en obsessie, het herkennen van vriendschap en het verkennen van grenzen. Terwijl ik dit schrijf, besef ik hoezeer ik Chambers tekort doe door zijn boeken terug te brengen tot een thema.

In Dit is alles moeten al die thema's samenkomen en dat doen ze ook. Het is voor het eerst in deze serie dat Chambers het verhaal vertelt vanuit een vrouwelijke hoofdpersoon, Cordelia Kenn, bijna twintig jaar oud, die zwanger is en het hoofdkusssenboek schrijft voor haar nog ongeboren dochter. Ze wil haar het boek overhandigen als ze zestien is, zodat moeder en dochter min of meer tegelijk volwassen kunnen worden: moeder zal in het boek immers net zo oud zijn als de dochter in werkelijkheid is.

Of het Chambers gelukt is een jonge vrouw realistisch te tekenen, zou eigenlijk beoordeeld moeten worden door een vrouw. Op mij komt Cordelia in ieder geval als geloofwaardig over.

Dit is alles bestaat uit zes boeken, die als titel aanduidingen hebben als ‘De rode kussendoos’, ‘De groene kussendoos’ enzovoort, waarmee ze verwijzen naar de dozen waarin Cordelia haar aantekeningen bewaart. Die verschillende boeken (ik zal voor het gemak de aanduiding ‘hoofdstukken’ gebruiken) verschillen onderling van opzet. Van het tweede hoofdstuk zijn de rechterpagina's als één doorlopend verhaal te lezen en de linkerpagina's ook, zodat je steeds moet kiezen: lees ik de ene verhaallijn eerst en daarna de andere, of wissel ik het af. In het vierde hoofdstuk verwijzen onderhoofdstukjes naar elkaar. Soms staat aan het einde van zo'n stukje waar je het vervolg kunt lezen. Het kan ook zijn dat je dat al gelezen hebt, omdat het eerder in het boek opgenomen is. In het laatste hoofdstuk wordt steeds de aanduiding ‘Scène’ gebruikt, alsof het over een toneelstuk gaat.

Hierdoor is Dit is alles een boek waarin je als lezer vrijheid hebt. Het is prettig om een beetje aan te kunnen rommelen, terwijl je toch het idee hebt dat de schrijver op de achtergrond greep op je leesgedrag heeft.

Cordelia wandelt in dit boek op het pad van de liefde, al is het aanvankelijk helemaal niet haar bedoeling om dat pad op te gaan. In een tijdschrift over het seksleven van jongeren heeft ze gelezen dat het gemiddelde meisje voor het eerst seks heeft op een leeftijd van zestien jaar en drie maanden en omdat Cordelia niet doorsnee wil zijn, besluit ze dat ze met een jongen naar bed geweest moet zijn voordat ze die leeftijd bereikt. Ze kiest daarom uit een handje gegadigden Will (William Blacklin) als jongen met wie ze ‘alles onthullende, alles omvattende seks’ wil. Ze had gehoopt dat hij meer ervaren was dan zij, maar dat valt tegen. Wel wordt ze verliefd op hem en deze liefde blijkt hun beider leven nogal te compliceren.

Cordelia's vader zou misschien een voorbeeldfiguur kunnen zijn, maar hij is dat niet. Sinds zijn vrouw is overleden, heeft hij af en toe een vriendin, maar enige stabiliteit zit er niet in deze verhoudingen. Wanneer hij toch een vaste relatie opbouwt met een vrouw, is dat met Cordelia's vertrouwenstante Doris, iemand die ze eerst min of meer voor zichzelf had en die ze nu kwijtraakt.

Cordelia heeft wel een soort mentrix, die gaandeweg haar vriendin wordt. Het is Julie, die we nog als jongere kennen uit het boek Nu weet ik het, waar ze een tijdje optrekt met hoofdpersoon Nik. Julie is lerares Engels en doet ook wat denken aan meneer Osborn uit Je moet dansen op mijn graf: een wijze volwassene, die raad geeft, zonder daarbij zijn wil op te leggen. Julie zet Cordelia aan het nadenken over wie ze is en wat ze betekent. Ze doet dat naar aanleiding van een gedicht van Veronica Forrest-Thomson dat ‘Cordelia’ heet. Een gedicht moet niet iets betekenen, maar iets zijn volgens Forrest-Thomson en Cordelia komt na lang nadenken tot de conclusie dat ze betekent wat ze is. De reactie van haar lerares: ‘Heel slim, Cordelia. Nu moet je nog bewijzen dat het waar is wat je zegt.’

Chambers houdt van overpeinzingen en Cordelia is dan ook een meisje dat graag de dingen op een rijtje zet. Van mij mocht dan het verhaal wel weer gewoon verder gaan, omdat personages immers niet alleen en misschien wel niet in de eerste plaats getypeerd worden door wat ze denken, maar vooral ook door hoe ze handelen.

Gelukkig kan Chambers ook de lezer meeslepen door het verhaal, dat soms uitgesproken spannend is, bijvoorbeeld wanneer Cordelia in de macht is van de gewelddadige Cal.

Toch werd al het gereflecteer mij wel eens wat veel en ook de lijstjes die Cordelia opstelt (mooie spreuken, citaten, eisen waaraan mijn geliefde moet voldoen, vreemde uitdrukkingen met het woord ‘ogen’) verveelden mij wel eens. Nog erger waren de gedichten, die Cordelia dan wel bescheiden ‘dichtsels’ noemt, maar die toch maar in het boek opgenomen zijn.

Ach, het zijn maar smetjes. Dit is alles is een gedurfd en rijk boek en Cordelia is een eigenzinnige jonge vrouw die van mij best een plaatsje in de literatuur mag hebben.