2 januari 2023
Aan mijn grootouders bewaar ik goede herinneringen. Mijn opa van vaders kant heb ik het minst lang meegemaakt: tot mijn achtste. Ik herinner mij hem als een beminnelijk mens, die van muziek hield. Als hij langskwam op zijn brommer, vroeg hij mijn moeder vaak om iets te spelen op haar mondharmonica en dan stak hij een wijsvinger omhoog, ten teken dat we goed moesten luisteren.
Mijn oma Bunt (opoe Loenen) was niet makkelijk, hoor ik van verschillende mensen, maar zo herinner ik mij haar niet. Toen mijn opa overleden was, wilde ze niet meer ‘s nachts alleen zijn en door de week logeerde er dan altijd een kleinkind bij haar. Mijn nicht Johanna van maandag tot en met donderdag, ik van donderdag tot en met zaterdag. Daarna kwam tante Jannie op haar brommer, met mijn neef Joop achterop, zijn voeten in de fietstassen. Zij was er in het weekend.
Met oma had ik het altijd gezellig. Ze noemde me een ‘kwibus’ als ik grapjes maakte en ik maakte vaak tekeningen op de kladblokken die in een la lagen waarvan ik mij de geur nog herinner. Of ik las in de Revu. Later heette die Nieuwe Revu en het blad heette ook een tijdje Revue. Achterop stond een strip. Daarvan herinner ik me Lucky Luke en Olivier B. Bommel, en ik denk dat ook Asterix een tijdje de vaste strip was. In het midden van het blad was er soms een uithaler, een foto van een voetbalteam, die je helemaal kon uitklappen. Die van Ajax hing ik op mijn slaapkamer.
4 januari 2023
Ik zou je nog vertellen over mijn grootouders van moeders kant, in het kort. Mijn opa Ganseman leerde mij het woord ‘opa’, volgens mijn moeder: ik liep om de ronde tafel, op de maat van dat woord, met de klemtoon op de laatste lettergreep: opá. Eigenlijk herinner ik me niet zo veel van deze opa, behalve dan dat hij heel goed het geluid van een duif kon nadoen. Maar het was zonder meer een aardige man. Gek genoeg heeft Marinus, mijn jongere broer, een heel stel herinneringen aan mijn opa die ik niet heb.
Mijn oma Ganseman heb ik tot na mijn twintigste meegemaakt. Het was een doodgoed mens, dat alles weggaf als ze er iemand een plezier mee kon doen. Ook als het dingen betrof die niet van haar waren. Ze overleefde mijn opa en trouwde met Van de Brand. Die was toen nog niet gepensioneerd. Hij werkte als schilder in het bedrijf van zijn broer en heeft later wel eens verteld dat hij altijd een hekel aan het werk heeft gehad. Maar hij heeft het tot zijn vijfenzestigste gedaan.
Oma kwam als huishoudster bij hem en zijn twee zonen (Tonnie en Eddie) in huis. Ze zijn in stilte getrouwd en ze hebben indertijd nog een feestje gegeven bij hun 12,5-jarig huwelijk. Er is nog een foto van die gelegenheid waar ik op sta.
Ik logeerde in de zomervakantie bij oma en draaide dan LP’s op de pick-up. Ik herinner me platen van Corrie en de Rekels en van Ben Cramer, die in de verte nog familie was. ‘Hij lijkt op zijn moeder’, zei oma altijd. Van de Brand fietste met me naar de Oud-Veluwse dag in Barneveld, waar ik nog een keer een ontbijtkoek won. Die moest je met een knuppel doormidden slaan. Dat lijkt niet zo moeilijk, maar ze lieten hem in de verpakking zitten.
Wakker worden bij opa en opoe is heerlijk. Ik blijf dan nog even liggen om te luisteren naar het geronk van de schepen op de Waal. Dat is een prettig geluid. Ik kleed me snel aan en ga naar beneden. In de keuken haalt mijn oma een washand door mijn gezicht. Ze heeft al thee gezet.
Opoe ontbijt eigenlijk niet. Ze neemt een paar droge beschuiten. Die doopt ze in de thee en dan eet ze die op. Voor mij maakt ze een beschuit met dik roomboter erop en daarop suiker. Dat is een traktatie! En ik mag er zoveel eten als ik wil. Dan ga ik gauw naar achteren waar opa al bezig is. Hij heeft de geiten uit het schuurtje gehaald en zet nu elke geit met een ketting aan een ijzeren pin in de grond. Bij elke geit zet hij een emmer water. Verschillende keren per dag moet hij ernaar gaan kijken, want zo’n domme geit loopt de emmer zomaar om en dan heeft hij niks te drinken.
Bij het schuurtje van opa is altijd veel te zien. Opa haalt altijd van alles op bij de Waal. Daar spoelen planken en touwen aan. Soms zelf een hele deur. Opa stapelt die op, want hij kan die nog goed gebruiken, denkt hij. Ik weet niet of ik wel eens gezien heb dat hij er iets mee doet. Of verstookt hij het hout in de kachel? Dan moet het eerst wel drogen.
Verder zijn er soms bessen of aardbeien die geplukt moeten worden. Ik herinner me de bessenstruiken en de aardbeienplanten, maar niet dat ik meehelp met plukken.
Vlak bij de krib ligt het bootje van de pierenvisser. Hij vist in de Waal op wormen en daar heeft hij een moeilijk woord voor: tubifex. Als hij klaar is, laadt hij de emmers met pieren in zijn auto. Na het overlijden van mijn opa zal de pierenvisser met zijn gezin in het achterhuis gaan wonen. Dat geeft nog wel eens problemen. Hij maakt een keer ruzie met een van mijn omes Henk. Dat is maar een klein mannetje, maar die blijkt hem wel aan te kunnen.








%20LR.jpg)














