Wieland Wagner en Anja Silva
![]() |
| Anja Silva in 1968. Bron: Wikipedia |
![]() |
| Anja Silva in 1968. Bron: Wikipedia |
Weer een oude recensie. Deze stond op 9 december 2005. Ik heb alles maar laten staan zoals het er stond, al zou ik nu hier en daar andere woorden gekozen hebben. Met het oordeel ben ik het nog wel eens, vermoed ik.
De stomme zonde (2005) was het eerste boek dat ik van haar las. Ik vond het een interessante historische roman en besloot meer van haar lezen. Het Keuriskwartet (2000) las ik daarna. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, vond ik dat ook weer een heel aardig boek, over een strijkkwartet waarbinnen spanningen zijn ontstaan.
In 2009 verscheen Sickings derde boek, De tien wetten der verleiding. Dat boek stelde me enigszins teleur. Het speelt zich af op een middelbare school in 1977 en het leest weer vlot, maar het viel me tegen. Ook over dat boek schreef ik een recensie.
En daarna verloor ik het werk van Sicking uit het oog. Nu lees ik dat er nog twee romans verschenen zijn: Ferrari's in de hemel (2016) en De visionair (2022). Ze zijn me ontgaan. Maar als ik ze tegenkom, ga ik ze wel lezen.
Enkele maanden geleden was er enige ophef over De stomme zonde, een historische roman van Anja Sicking over de homovervolging in 1730. Sicking heeft voor haar boek gebruik gemaakt van het boek Sodoms zaad in Nederland van theo van der Meer. De bron waaruit Sicking geput heeft, heeft ze niet vermeld in haar roman en ook in interviews heeft ze er niet naar verwezen.
Eerlijk gezegd ken ik Sodoms zaad niet, dus ik kan niet controleren in hoeverre Sicking leentjebuur gespeeld heeft, maar de beschuldiging dat iemand voor het schrijven van een historische roman gebruik gemaakt heeft van een boek dat handelt over de periode die zij beschrijft, is curieus. Het zou raar zijn als de schrijfster dit boek niet gebruikt had.
Dat zij er feiten aan ontleend heeft, dat zij stukken geparafraseerd heeft - wat zou het? Al had zij alles bij elkaar geknipt en geplakt en het had een roman opgeleverd die er daarvoor nog niet was, dan zou dat toch haar eigen knip- en plakwerk geweest zijn en het resultaat uiteindelijk haar eigen boek. De schrijver moet er dan natuurlijk ook niet geheimzinnig over doen als er naar de bronnen van het boek gevraagd wordt.
Al in de titel lijkt De stomme zonde te verwijzen naar homofilie. Het meisje Anna, buiten haar schuld aan lager wal geraakt, moet zich als dienstmeisje aanmelden bij een muziekuitgever in Amsterdam, de heer De Malepert. Ze vat genegenheid voor hem op en maakt zichzelf soms wijs dat dat wederzijds is, maar dat is niet het geval, want De Malapert geeft zich over aan 'de stomme zonde' en kijkt dus niet naar vrouwen om.
Anna zoekt achteraf nog een verklaring voor wat zij als een afwijking van haar heer ziet. Ze vermoedt dat hij ten diepste op haar verliefd is geweest, maar omdat zij van een lagere stand was, was hij onbereikbaar en die onmogelijke liefde zou de homofilie van De Malapert veroorzaakt kunnen hebben.
Dat Anna zich na zoeveel jaren (de hele toestand heeft zich twaalf jaren daarvoor afgespeeld) nog zo met De Malapert bezighoudt, is wel logisch. Zij is er mede de oorzaak van dat het uiteindelijk slecht met hem afliep. Maar De Malapert had ook een fraudeur of een andersoortige crimineel kunnen zijn, die uiteindelijk door Anna's toedoen opgepakt had kunnen worden. Met andere woorden: de homofilie is, zeker in Anna's ogen, bijzaak, omstandigheid. En dat maakt de beschuldiging van plagiaat nog wonderlijker.
De titel lijkt me dan ook eerder te verwijzen naar het 'verraad' van Anna, waarover zij nooit iemand heeft verteld: 'Mijn zonde is altijd stom gebleven.' Ze zegt erbij dat haar schuldgevoel enorm is, al lukt het Sicking niet goed om dat schuldgevoel ook over te brengen.
Meer dan over homofilie lijkt De stomme zonde te gaan over de beperktheid van de menselijke blik. Al op de tweede bladzijde van de roman zegt Anna over zichzelf: 'Ik ben een nuchtere vrouw die in de eerste plaats naar de feiten kijkt', maar in de loop van het verhaal blijkt dat haar fantasieën met haar op de loop gaan. Ook haar visie op De Malapert (als een mogelijke partner) klopt niet.
Meer personages hebben een visie op zichzelf of anderen die aantoonbaar onjuist is. De slampamper van een knecht, Pieter, vindt dat zijn meester blij mag zijn met een knecht zoals hij. De hopeloze vrouw Brigitte, die Anna ontmoet in een verlopen logement, heeft ook een veel te positieve kijk op zichzelf en de patriciër Borgholt schat zijn zoon Everard, minnaar van De Malapert, volstrekt verkeerd in.
De personages zijn niet in staat zichzelf en de wereld te zien zoals die zijn. Het zal dan ook niet toevallig zijn dat Anna een van de weinige bezittingen die ze heeft, een spiegel, de deur uit doet om aan geld te komen. Juist een spiegel verraadt ons de dingen die we liever niet over onszelf weten, maar Anna zal er niet meer in kijken.
Anna leidt een tragisch leven. Het zit haar allemaal niet mee en ze heeft weinig invloed op wat er gebeurt. 'Nu ik alles in gedachten opnieuw meemaak, besef ik dat het misschien lijkt alsof mijn leven grotendeels bestond uit het gadeslaan van de levens van anderen. Dat is wat overdreven gesteld, maar toch niet geheel onwaar', zegt ze zelf. Anna staat aan de zijlijn en op het moment dat ze wel tot handelen overgaat, wordt dat meteen haar meester en daardoor ook haarzelf fataal.
Tegenover Anna staat haar zus, met wie ze alleen nog via brieven contact onderhoudt. Zij is iemand die wel beslissingen neemt, wel deelneemt aan het leven, in plaats van het alleen maar te ondergaan. Ook haar blijft de ellende niet bespaard, maar uiteindelijk loopt het beter met haar af. Zij houdt er een liefhebbende man aan over en haar kind is op komst.
Juist zo'n spiegelfiguur maakt Anna tragischer: het had blijkbaar anders gekund. Maar Anna is niet verder gekomen dan de vrouw die afgebeeld staat op het voorplat: die staat met de rug naar het leven toe en wendt haar hoofd af. We kunnen haar ogen niet zien, maar het zou me niet verbazen als haar blik naar binnen is gericht. Die innerlijke wereld is uiteindelijk alles wat iemand als Anna overhoudt.
Verse moeders weten het: je krijgt kraambezoek en je denkt dat iedereen komt om je kind te bewonderen, maar de bezoekers vertellen over hun eigen bevalling.
Iets soortgelijks kan ik me voorstellen bij de verhalenbundel Milde klachten van Sanneke van Hassel. De tien verhalen in die bundel spelen zich af in de tijd van de coronapandemie en wie ze leest, denkt terug aan die tijd. Gebeurtenissen en omstandigheden die we half vergeten waren, staan weer scherp in ons geheugen. En hoe voelden we ons ook alweer?
Aan de ene kant is dat onvermijdelijk: alle verhalen spelen zich af in de tijd dat corona het nieuws en het leven beheerste. Aan de andere kant is een verhaal meer dan zijn decor of zijn onderwerp. Het gaat er niet in de eerste plaats om of Van Hassel netjes verslag heeft gedaan van de recente geschiedenis, maar of ze goede verhalen heeft geschreven.
De tien verhalen staan niet helemaal los van elkaar. In het eerste verhaal, 'Niemand die het ziet' stuurt Mariloe een ansichtkaart naar haar oude opa (hij is over de negentig), in het derde verhaal 'Zwevend balkon' bezoekt ze hem met een hoogwerker. In 'Illuminati' is de hoofdpersoon een schrijfster, met de kinderen Essie en Gijs. Dat is dezelfde persoon als de hoofdpersoon in 'Dochters', een verhaal waarin de dichter Hans Sleutelaar centraal staat. In 'Geduld' denkt iemand: 'Een paar deuren verder had die beroemde dichter gelegen.' Dat zou Sleutelaar kunnen zijn. Er is meer dat de verhalen samenbindt dan alleen het onderwerp.
Het woord 'onderwerp' klopt eigenlijk niet. Het zijn geen verhalen over de coronatijd, maar ze spelen zich in die tijd af. Door die omstandigheid worden mensen op zichzelf of hun kleine kringetje teruggeworpen en moeten ze er iets van zien te maken.
In het openingsverhaal houdt Mariloe een dagboek bij.
Ik wil zo precies mogelijk opschrijven wat ik meemaak. Omdat ik later anders vast denk dat het niet is gebeurd. Omdat ik geen zak te doen heb. Omdat schrijven goed voor je schijnt te zijn, rust in je kop.
Ze wil uitzoeken wat ze echt wil. De enige in haar omgeving is haar huisgenoot Toby, maar ze is zo met zichzelf bezig, dat ze zich eigenlijk niet af kan vragen hoe het met hem gaat. Als haar ouders niet vragen hoe zij het maakt, signaleert ze dat. Je proeft erin dat ze eigenlijk vindt dat die ouders dat wel hadden moeten vragen. Ze voelt zich een vogel met een geknakte vleugel. Die ziet ze en de vogel wordt bijna meteen een metafoor voor haarzelf.
'Afbreekbaar', het woord raakt haar, ja zo is het, het leven, moeilijk op te bouwen, makkelijk in elkaar te laten donderen, af te breken.
En al eerder in het verhaal:
'Het gaat niet slecht, maar zeker ook niet goed genoeg,' zeiden ze op tv, de perfecte samenvatting van haar leven.
Voor wie zo bezig moet zijn met het eigen leven lijkt alles in de omgeving een afspiegeling van dat leven.
Doordat het kringetje zo klein is, kan het leven benauwend zijn en liggen irritaties op de loer. Veel van de personages doen hun best, maar soms moeten ze eruit breken, dingen doen die ze anders niet gedaan zouden hebben. Mariloe gaat met haar huisgenoot naar bed, Elissa (in 'Berensporen') doet dat met een willekeurige bouwvakker, Karin (in 'Speeltijd') ontvlucht het gezin en overnacht op kantoor.
Die Karin zou overigens dezelfde kunnen zijn als de vriendin van mevrouw Vuursteen (in '1 april'), die het in dier ogen allemaal zo goed voor elkaar heeft.
In 'Haarden' bezoekt Irene haar broer Frits in Antwerpen. 'Ze gaat niets zeggen over alle jaren dat hij er voor hun ouders niet was.' Mensen zijn voorzichtig en proberen irritaties te vermijden. Mevrouw Vuursteen merkt de agressie op in de toon waarop haar man spreekt.
Ze wil zich niets van hem aantrekken, en toch komt er een spanning in haar lichaam die ze moeilijk weg krijgt. Ademhalen, denkt ze, bij het keukenraam in de avondzon gaan staan, en dan voelen wat er is, zonder oordeel, zoals ze op yin yoga leerde.
De schrijfster die in 'Illuminati' een vriend bezoekt om bij hem te kunnen werken, verdenkt hem van complottheorieën, maar ze laat het niet tot een confrontatie komen.
De hoofdpersoon in het slotverhaal ('Panic room'), een arts, kan de confrontatie niet langer ontlopen. Ze heeft alleen maar informatie willen geven over vaccinaties, maar dat riep veel agressie op, tot doodsbedreigingen aan toe. Ze durft daardoor de straat niet meer op en overnacht al anderhalve maand niet meer thuis.
De pandemie zorgt er dus voor dat je op jezelf teruggeworpen en dat de omgang met anderen verandert, maar hoe gaat daarna het leven verder? Dat lezen we in het verhaal 'Geduld' waar oudere mensen naar een stuk gaan dat een moderne variant op de Matthäus Passion is. De regels zijn versoepeld en mensen ontmoeten elkaar weer.
Hoewel we niet meteen konden opnoemen wie er niet waren, wisten we dat we bekende gezichten misten.
De tekst van de Matthäus krijgt zwaarte door de omstandigheden. De dood is dichterbij gekomen de laatste jaren. Er zijn vrienden verdwenen, niet alleen door corona, maar ook omdat de mensen al wat ouder zijn. In het verhaal zijn perspectiefwisselingen, zodat we in de hoofden van verschillende bezoekers kunnen kijken.
Die weten niet hoe gauw ze de nare periode achter zich moeten laten. De gesprekken gaan weer over de dagelijkse dingen, 'En nooit over het geworstel van de mensen met zichzelf, met elkaar, en de behoefte aan een zondebok.'
De tijd die voor hen ligt vraagt om een zinvolle invulling. Marja is de laatste jaren maar doorgegaan en nu heeft ze nog een tijdje om verder te leven met Hans. Maar de problemen zijn niet achter de rug.
De somberte van Hans, die moest accepteren dat hij niet alles meer kon. Het waren hun laatste jaren samen. Ze wilde er wat van maken.
Veel van de verhalen van Van Hassel, ook in eerder bundels, gaan over mensen die een beetje goed door het leven moeten zien te komen, maar die beseffen dat ze dat nooit helemaal in eigen hand hebben. Ze doen hun best en sommigen doen aandoenlijk hard hun best, maar dat is zeker geen garantie voor het grote geluk.
Een goed voorbeeld is het grappige verhaal '1 april' waarin mevrouw Vuursteen het leuk wil houden voor haar hele gezin. Het knappe van dit verhaal is dat het niet alleen grappig, maar vooral ook schrijnend is. De luchtige kant maakt het alleen maar schrijnender.
Bijzonder is het verhaal 'Dochters' over de dichter Hans Sleutelaar, die in coronatijd moederziel alleen op een kamertje zijn laatste dagen doorbracht. Aan de ene kant is het een aspect van die tijd dat belicht wordt. Maar het is niet alleen een mens die in eenzaamheid sterft, zoals in zoveel verzorgingshuizen gebeurde, het gaat ook over een auteur die voor een deel vergeten is.
Tijdens de coronatijd kon de verteller, die waarschijnlijk veel op Van Hassel lijkt, hem niet bezoeken, maar met dit verhaal bezoekt ze hem eigenlijk alsnog en geeft ze hem de aandacht die ze hem aan het eind van zijn leven niet kon geven. Het is een bijzonder liefdevol verhaal, juist omdat de ik-figuur ook zo haar vragen heeft bij het werk van Sleutelaar. Waar zijn bijvoorbeeld de vrouwen in dat werk? Ze zijn bijna afwezig en wat zegt dat?
Wie Milde klachten (wat een geweldige titel trouwens!) leest, kan niet om de eigen herinneringen heen. O ja, de pompjes met ontsmettingsmiddel, de QR-codes, de perspex schermen, de avondklok en de rellen erover, de tijd dat 'lockdown' een nieuw woord was. Daar is niks mis mee en deze verhalenbundel is dan ook een mooi tijdsdocument.
Maar het is vooral een bundel met goede verhalen, waarin niet alleen een tijd beschreven wordt, maar het algemeen menselijke gepeild wordt, wat alleen kan door de individuele mensen te beschrijven. Met empathie, met welwillendheid, maar ook eerlijk, met oog voor de lastiger kanten van mensen.
Veel van het leven in coronatijd speelde zich binnenshuis af. Sanneke van Hassel geeft ons een kijkje achter de gordijnen. De cover toont zo'n gordijn, aangevreten door vocht. Het is een geweldige foto van Bianca Sistermans, van wie ik alleen portretfoto's kende. De titel slaat vooral op de symptomen van corona, maar misschien zijn we door die tijd allemaal een beetje aangedaan en hebben we op een of andere manier allemaal milde klachten. Gelukkig hebben we de verhalen nog.
Onlangs toegevoegd op Bunt Blogt mijn bespreking van IJsregen.
De setting doet denken aan die van de film The silence of the lambs (1991). Daarin zit de seriemoordenaar Hannibal Lecter (gespeeld door Anthony Hopkins) in een zwaar beveiligde psychiatrische inrichting. Hij wordt door de jonge agente Clarice Starling (Jodie Foster) gevraagd mee te werken aan de zoektocht naar een andere seriemoordenaar.
In beide gevallen is er een jonge vrouw en een gevaarlijke man. De jonge vrouw maakt indruk op de man, maar weet niet in hoeverre ze hem vertrouwen kan.
In deel 1 van Nobody, Onbekende soldaat krijgt de man de gelegenheid om zijn verhaal te doen. Daar heeft hij aanvankelijk weinig zin in. Hij acht zich verantwoordelijk en zegt de doodstraf verdiend te hebben. Uiteindelijk begint hij te vertellen, te beginnen bij zijn jeugd.
Als hij nog jong is, in 1968, doodt hij bij een inbraak een oude man. De FBI vraagt de jongen om met hen samen te werken. Daarvoor moet hij wel een bekentenis ondertekenen. Hij moet infiltreren in een groep jongeren die tegen de Amerikaanse inmenging in Vietnam is. De jongen moet niet alleen verslag uitbrengen aan de FBI, maar ze ook geleidelijk brengen tot een gewapende strijd.
Waar dat toe leidt, lezen we in dit eerste deel, dat de vorm heeft van een biecht, te vergelijken met die in de geweldige graphic novel Blast van Manu Larcenet. In hoeverre is het verhaal van de dader betrouwbaar? Beatriz Brennan wordt gewaarschuwd dat de man haar probeert te manipuleren, maar ze zegt dat ze een grote meid is en dat ze dus geen advies nodig heeft.
![]() |
| 1 februari 1968 Executie van Vietcongsoldaat |
De groep jongeren waarbij hij zich aansluit is in principe geweldloos. Ze weten hoe beelden invloed kunnen hebben. Eerder dat jaar is de iconische foto van Eddie Adams gepubliceerd waarop een
Vietcongsoldaat wordt geëxecuteerd. Verder heeft iemand portretfoto's gemaakt van alle dode soldaten die gerepatrieerd zijn naar de Verenigde Staten. De jongeren wilden foto's maken van politiegeweld bij demonstraties. Maar de FBI is intussen van alles op de hoogte.
De gevangen man weet alles van manipulatie, omdat hij de opdracht daartoe kreeg, maar ook omdat hij zelf gemanipuleerd is. Welk beeld van hemzelf wil hij overbrengen? En wat is zijn uiteindelijke doel?
NoBody is een intrigerend verhaal. Je hebt als lezer de neiging om de man te geloven, maar je weet niet of dat verstandig is. Eigenlijk zit je in dezelfde positie als Beatriz Brennan, de eerste die de man aan het praten heeft gekregen.
Hij zegt dat hij zijn partner Henry heeft vermoord omdat die zijn vrouw Anne vermoord heeft. Maar ook dat hij Henry eigenlijk al een keer gedood heeft in een missie in de woestijn. En dan heeft de man ook nog een verleden bij de politie. Hoe zit dat allemaal?
Er zijn veel onbeantwoorde vragen. Uiteindelijk wil je als lezer natuurlijk wel weten wat er gebeurd is, maar belangrijker is dat je iets wilt snappen van de man die een gruwelijke moord begaan heeft, maar die daar vrij rustig onder is en zelf vraagt om de doodstraf.
De maker van de strip, Christian De Metter heeft weer goed werk afgeleverd. Eerder besprak ik van hem De kleuren van de brand en Tot ziens daarboven. De links naar die besprekingen vind je hieronder.
De graphic novel wordt uitgegeven in vier delen, waarvan Onbekende soldaat het eerste is.
Nu is het teerbeminde bruidjede voetveeg van haar echtgenoot:ze doet zijn wasje, lapt zijn ruitje,ze boent zijn vloer, ze werkt zich dood.Och heden, in haar huw'lijksbootzit zij weer in hetzelfde schuitje.
Er komt een prins, denkt ze, zoals ze dat heel vaak denkt. Een prins van ver, die me komt halen. Zijn paard zo wit als zijn gebit. En ik mag achterop. Zo rijden we dan in galop, zijn armen warm, zijn haren lang, als stro zo geel zo goud, en dan laat hij me nooit meer los, de man van wie ik houd.
Het slot van die alinea doet me denken aan de standard The man I love:
Someday he'll come along
The man I love
And he'll be big and strong
The man I love
And when he comes my way
I'll do my best to make him stay
Dat lied is al vaak uitgevoerd. Ik hoorde het ooit bij Cultureel café Dante, waar het gezongen werd door Jessica Koomen, die het met heel veel ironie deed. Dat lijkt me een gepaste interpretatie.
In het lied wordt al duidelijk dat die droomprins misschien niet zal komen:
Maybe I shall meet him Sunday
Maybe Monday, maybe not
Still I'm sure to meet him one day
Maybe Tuesday will be my good news day
In 'Meneer Pelsteel' blijft het meisje niet langer op haar geluk wachten. Ze wikkelt haar kind in een dekentje en verlaat het paleis.
Buiten het hek beginnen de bossen al. Er zijn korenvelden, er drijven schapenwolkjes in de lucht. De zon verwarmt haar gezicht, de middag is zacht.Zo zacht dat het lijkt of hij haar omhelst.Zo zacht dat je je handen er gemakkelijk doorheen zou kunnen steken en aanraken wat erachter ligt.
'Je kan moeilijk verwachten dat er een prins aan komt zeilen op een dag, die alles weer goed kust, nietwaar?'De koning zuchtte weer.'Je zus kan er moeilijk aan wennen...''Ach, die zus van mij. Die denkt nog dat het leven een sprookje is. Wij weten wel beter, toch?'
Het is bijna Koningsdag en dat roept Koninginnedag in herinnering. Op die dag verjaarde niet alleen mijn collega Duits, maar ook de schrijver Jeroen Brouwers. Ik begon Brouwers in 1980 te lezen. Zijn Kladboek trof me midscheeps. Zo geestig, zo goed geschreven, zo persoonlijk ook. Ik moest daarna alles van Brouwers lezen dat ik maar te pakken kon krijgen.
Toen Brouwers overleed in 2022 had ik eigenlijk over hem moeten schrijven, maar het kwam me niet uit. Precies herinner ik het me niet meer, maar ik zal het druk gehad hebben en ik wilde niet een kort flodderstukje over hem schrijven. Daarom stelde ik het even uit en van dat uitstel kwam afstel. Misschien moet ik alsnog een keer mijn leesgeschiedenis van het werk van Brouwers schrijven.
Op Literom vond ik verschillende recensies die nog niet op Bunt Blogt staan. Onderaan plaats ik de links naar de bijdragen die er wel staan. Recensies van bijvoorbeeld Datumloze dagen (2007) en Het leven, de dood (2003) hou je nog tegoed.
Hieronder een recensie van Hamerstukken - alle polemieken en korzeligheden (2010), het verzamelde polemische werk van Brouwers, een heerlijk boek, van meer dan 750 bladzijden. In mijn recensie noem ik ook nog het nummer van De Parelduiker over Brouwers. Het stuk verscheen op 25 juni 2010 in het Nederlands Dagblad.
Op Koninginnedag dit jaar werd Jeroen Brouwers zeventig jaar. Of het journaal daar die dag aandacht aan besteedde, weet ik niet. Als het niet zo is, had het gemoeten. Brouwers behoort immers tot onze grote schrijvers.
In de ruim van vijfenvijftig jaar dat hij publiceert, heeft hij een oeuvre bij elkaar geschreven dat omvangrijk is (de bibliografie beslaat enkele pagina's), coherent en van hoog niveau. Als zo iemand een mooie ronde leeftijd bereikt, dient er gezorgd te worden voor saluutschoten, vuurwerk en champagne.
De redactie van De Parelduiker begreep dat en wijdde een themanummer aan Brouwers. Brouwerskenner Johan Vandenbroucke interviewde de schrijver, Stefan Brijs en Benno Barnard schreven fraai over hun contact met Brouwers en -om niet meer te noemen- er is een prachtig artikel van Arjen Fortuin over Brouwers en Geert van Oorschot.Ook de uitgever van Brouwers zag in dat er wel weer eens op de trommel geslagen mocht worden: er is een herdruk van de roman Bezonken rood, de drie Indiëromans werden uitgegeven in één band en Brouwers' polemieken werden gebundeld in Hamerstukken.
Na de dood van Willem Frederik Hermans zijn er eigenlijk maar twee auteurs die een pennenstrijd kunnen voeren op het niveau van Mandarijnen op zwavelzuur: Gerrit Komrij en vooral Jeroen Brouwers. Diens stukken waren verspreid over meer dan vijftien bundels en het is mooi dat ze nu bij elkaar in één boek staan.
Brouwers' polemieken behoren tot de kern van zijn werk. Hij is daarin stilistisch minstens even virtuoos als in zijn fictionele werk, hij maakt erin duidelijk waarvoor hij staat en wat hij afwijst en hij weet daarin ook nog eens aansluiting te vinden bij de rest van zijn oeuvre. Wie werk van Brouwers leest, van welk genre dan ook, leest niet alleen dat werk, maar leest een auteur wiens handschrift altijd herkenbaar is.
Sommige van Brouwers' strijdschriften zijn bij zo'n beetje elke literatuurliefhebber bekend: de polemiek met Rudy Kousbroek over Japanse oorlogsmisdaden; zijn stukken over Vlaanderen, het Vlaamse Nederlands en de Vlaamse literatuur; De nieuwe Revisor, over de 'jongetjesliteratuur' aan het eind van de jaren zeventig; zijn 'feuilletons' over redacteur Ronald Dietz en nog niet zo lang geleden over Ronald H. Plasterk.
Dat die polemieken zo bekend geworden zijn, heeft niet alleen te maken met de hoeveelheid stof die de publicatie ervan deed opwaaien. Dat stof is intussen wel gaan liggen, maar nog steeds blijken de stukken bij herlezing te fonkelen en ze staan nog als een huis. Brouwers is een uitmuntend polemist.
In 'Plasterk in plakjes', een vervolg op 'Sysiphus' bakens', legt hij nog maar eens uit aan welke eisen een goede polemiek moet voldoen.
Zij moet geestig zijn: polemiek moet spetteren van vrolijkheid, de per polemiek aangevallen persoon, instantie, toestand (het onderwerp als het ware) dient te worden bedolven onder confettiregens van hoon, dient taarten in het gezicht te krijgen, dient te sidderen van het gesis, geknal, geknetter van vuurwerk dat alle misstanden en stommiteiten in het sproeilicht zet en met lawaai extra accentueert. Net als bij cabaret.
Verder moet polemiek waarheidsgetrouw zijn. Brouwers is (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de door hem op dit punt aangevallen Karel van het Reve) altijd precies in het geven van citaten, vindplaatsen, data. Alles moet te controleren zijn.
Daarom ook is Brouwers altijd overtuigend. Zelfs een onwillige lezer kan niet onder de argumenten uit die Brouwers staaft met exacte gegevens. Brouwers is niet alleen overtuigd van zijn eigen gelijk, ook wie zijn dwingend geschreven stukken leest, kan niet anders zeggen dan: Brouwers heeft gelijk.
Natuurlijk is Brouwers soms kwaadwillend of kwaadaardig. Maar dat neem je voor lief, aangezien hij daarnaast altijd voldoende degelijke argumenten aanvoert. Bij het voetbal zou men in zo'n geval spreken van 'noodzakelijke overtredingen'.
Brouwers polemiseert buitengewoon geestig, maar hij doet het niet voor de lol. Je merkt dat hij zijn onderwerpen serieus neemt. Als bijvoorbeeld Vlaanderen, het Vlaamse Nederlands en de Vlaamse literatuur hem niet zoveel hadden kunnen schelen, had hij toch niet de moeite genomen er zo uitputtend over te schrijven? Je krijgt er immers alleen maar gedoe van. Maar de zaak is het gedoe blijkbaar waard. Het is heerlijk om een schrijver te lezen waarin het vuur met uitslaande vlammen brandt. Geen lezer zal er koud onder kunnen blijven.
Eerder schreef ik over:
In de kinderboeken die ik in de jaren zestig van de vorige eeuw las, waren piraten altijd een gevaar. Kapers, zeerovers - de handelsschepen naar en van de koloniën moesten er weinig van hebben. Je moest ze bestrijden of aan hen ontkomen en het liefst blijf je bij hen uit de buurt.
In verschillende strips spelen piraten de hoofdrol en leef je juist met hen mee. In die verhalen heeft het piratenleven iets aantrekkelijks. Het zal wel te maken hebben met de autonomie van piraten. Ze gehoorzamen geen overheden, kiezen hun eigen weg, doen wat hun goeddunkt. De zee, waar je zelf je route kunt kiezen, roept ook al een associatie op met vrijheid. Misschien leeft die drang naar vrijheid in ieder van ons, maar doen we daar niets mee. Maar we bewonderen wel de vrijbuiters die de grenzen van hun vrijheid verkennen.
Zeerovers zijn uit op buit, dus er moeten schepen beschoten en geënterd worden. Dat daarbij doden en gewonden vallen is een gegeven. De piraat kan er niet zo mee zitten. Hij moet ook uitkijken voor zijn eigen hachje, want vaak wordt er op hem gejaagd. Het nemen van de vrijheid heeft zo zijn prijs. Dat nemen we voor lief als we ons vereenzelvigen met de zeeschuimers.
In strips en films varen veel piraten rond, van Roodbaard tot Pirates of te Caribbean en van Brammetje Bram tot Black Sails. In het striptweeluik De Buizerd staat Olivier Levasseur (ca. 1680 - 1730) centraal, een legendarische piraat, die naar verluidt een gigantische schat verzamelde. Hij werd uiteindelijk gevangengenomen en veroordeeld. Op het schavot pakte hij zijn ketting met medaillon en wierp die in het publiek. Het medaillon zou een code van zeventien regels bevat hebben. Wie die zou kunnen kraken, zou de schat kunnen vinden.
Als grootste verovering van Levasseur/de Buizerd geldt het schip Nossa Senhora do Cabo, De maagd van de Kaap, dat bezit was van de Portugese onderkoning van de Indiën, Xavier de Meneses. Het schip zat vol goud, robijnen en juwelen. Als het tweede deel van de strip begint, is dat schip al veroverd, maar de buit moet nog geborgen worden.
![]() |
| Graf van Levasseur op Reunion herkomst beeld: Wikipedia |
We bevinden ons in Libertalia, een staatje in het noorden of noordoosten van Madagaskar. De vertaler van de strip maakt daar 'ten noorden van Madagskar' van, wat in ieder geval niet klopt. De verhalen over Libertalia zijn niet te controleren en we weten niet eens zeker of het wel bestaan heeft. Volgens het verhaal zou de kolonie gesticht zijn door piraten. De zeerovers vielen schepen aan, lieten gevangenen leven en bevrijdden slaven.
De schatten worden verborgen, er wordt gevreesd voor samenzweringen, er wordt een schip veroverd en aan het eind van het album wordt De Buizerd gevangengenomen. Dat zou spannend genoeg kunnen zijn, maar het verhaal is duidelijk niet op de spanning geschreven. Zelfs bij de passages die spannend zijn, blijf je als lezer wat op afstand. De gruwelijkheid van de verovering van een schip, waarbij ook met schroot wordt geschoten, komt wel over, maar voor de rest heeft het verhaal een vrij laag verteltempo.
Er is ook niet een dwingende verhaallijn door het album heen. Het lijkt er eerder op dat er afzonderlijke scènes na elkaar zijn geplaatst. Tussen de stukken verhaal in, wordt in vrij grote tekstblokken uitleg gegeven. Daarbij heb je meer het idee dat je in een boek over de geschiedenis aan het lezen bent in plaats van piratenstrip.
Waarschijnlijk vindt de stripmaker Jean-Yves Delitte die historische werkelijkheid belangrijk, maar daarbij had het verhaal wel wat meer aandacht mogen krijgen. Meer vaart zou ik prettig gevonden hebben. Nu kabbelt het voort. Niet onaangenaam, maar de lezer had meer meegesleurd mogen worden.
Het tekenwerk van Delitte is trouwens heerlijk. Uit zijn tekeningen blijkt de liefde voor schepen, die ongetwijfeld historisch zullen kloppen. Als je de zeilen ziet die Delitte tekent, merk je hoe schematisch die van veel andere tekenaars zijn. De stofuitdrukking is bij Delitte echt heel goed.
Er zijn veel vrij donkere tekeningen, wat passend is voor een strip waarin veel zaken het daglicht niet kunnen verdragen. Aan de lichtval is altijd veel aandacht besteed, waarbij Delitte nooit voor de gemakkelijke oplossing kiest. Hij schrikt niet terug voor veel werk en tekent bijvoorbeeld een gedetailleerde schaduw van een boom op een huis of licht dat door kleine ruitjes in de kajuit valt.
Het zijn de details die indruk maken: een sloep waarvan je ook een stukje onder water ziet, omdat water nu eenmaal doorzichtig is, water dat nog in straaltjes van een schip druipt, katrollen en touwen die allemaal precies kloppen.
De houding van de mensfiguren is ook altijd natuurlijk, maar ik moest altijd goed kijken welk personage er getekend was. Ook dat zorgt ervoor dat je als lezer toch wat op afstand blijft.
De Buizerd is een geweldig getekende strip, maar het verhaal heeft weinig vaart en het sleept de lezer niet echt mee. Dat is wel een minpunt.
De Buizerd deel 2 - Voor de eeuwigheid. Tekst en tekeningen Jean-Yves Delitte. Vertalling: James Vandermeersch. Standaard Uitgeverij; 48 blz. € 19,99