dinsdag 12 juli 2016

We komen nog één wonder tekort (Rebekka de Wit)



Van Rebekka de Wit had ik tot voor kort nog nooit gehoord. Als iemand een paar maanden geleden haar naam genoemd had, had ik niet geweten of het een presentatrice, een voedingsdeskundige of speerwerpster betrof. Ze is schrijfster, merkte ik, toen ik een podcast beluisterde van dit gesprek, dat Lex Bohlmeijer met haar voerde voor De Correspondent. Heel aardig, vond ik. Dat boek, We komen nog één wonder tekort, dat een goede titel had, moest ik maar eens gaan lezen.

Rebekka de Wit vertelt over een gezin waarin twee gaten geslagen zijn: moeder overlijdt en vrij snel daarna overlijdt de verloofde van de zus van ik-figuur. Als de begrafenissen achter de rug zijn, gaat de rest van het gezin (de ik, haar broer, haar zus, haar vader) een tijdje weg. Kamperen, zou je kunnen zeggen, maar dat klinkt te vrolijk. Bovendien is het gezin de tentstokken vergeten.

Tijdens het verblijf in de natuur gebeurt er niet veel. In het gras liggen, naar Graceland van Paul Simon luisteren, of naar Leonard Cohen, en af en toe naar de snackbar. Dat er bijna niets gebeurt, is logisch. Het is voor de gezinsleden lastig als alles maar gewoon door zou gaan.

Het verdriet is er, maar er wordt niet veel over gesproken. De gezinsleden zijn bij elkaar, delen ruimte en tijd en zijn er gewoonweg. Wat valt er verder ook te doen of te zeggen bij zoiets groots? Alles dreigt het kleiner te maken.
Mijn zus was boos op mij omdat ik de hele tijd deed alsof het leven niet afgelopen was. Alsof het goed ging komen. Alsof we niet kwaad hoefden te zijn. 
De toon waarop het verhaal verteld wordt, is luchtig. Blijkbaar was de schrijfster bang dat het anders allemaal te zwaar zou worden. Mij stoort bij sommige passages de luchtigheid die me in die gevallen als opgeklopt overkomt, of als flauw:
Mijn broer heeft zijn golfbroek weer aan. Hij lijkt op mij, of ik op hem, maar hij heeft een baard en ik niet.
Of:
In het dorp van de slager staan de ramen open. Er liggen katten op de vensterbank te slapen. De vingers van de slager lijken op de worsten die hij draait en we nemen er tien. Worsten bedoel ik. 
De ik-figuur denkt veel na. Soms zijn haar associaties origineel, maar ze volgen vaak hetzelfde spoor: iets waarnemen en het toepassen op iets anders:
Ik weet niet echt wat voor man mijn vader is. Hij heeft voor alles een afstandsbediening. (...) Als we weer eens verdrietig waren om iets en daardoor onaardig deden, had hij het fijn gevonden ons uit te kunnen zetten. Omgekeerd wou ik ook dat ik voor hem een afstandsbediening had. Dat ik hem aan zou kunnen zetten als ik dat wil.
En vergelijkbaar:
Het geluid van een dichtklappende autodeur geeft me altijd het gevoel dat het mogelijk is ergens weg te gaan. Hadden gebeurtenissen maar autodeuren. Dan zou je die kunnen dichtgooien en dan weet de gebeurtenis dat ie moet weggaan.
De ironie schept afstand en ik snap wel dat je die een beetje wilt bewaren bij zo'n heftig onderwerp. Maar misschien onderschat de schrijfster zich. Dicht op de gebeurtenissen zitten, zonder ironisch commentaar kan ze heel goed. De passage over de dood van de moeder is sober verteld en aangrijpend.

Het ironische commentaar is vaak ook duidend en meestal heeft een passage die duiding niet nodig. Als er van iemand bijvoorbeeld wordt verteld dat hij een stukje peterselie tussen zijn tanden heeft zitten, lijkt me de observatie genoeg; de toevoeging 'wat hem iets sprookjesachtigs en treurigs geeft' kan ik daarbij missen.

De ik-figuur, en met haar de schrijfster, zo blijkt uit het bovengenoemde interview, heeft ook nog wel iets om tegenaan te schoppen. Over mensen die denken dat ons leven bepaald wordt door de keuzen die we maken, Woody Allen bijvoorbeeld.  Of over de Declaration of Independence, waar elke Amerikaan bij zweert, terwijl we meer gebaat zouden zijn bij een afhankelijkheidsverklaring.

Het zijn aardige gedachten en er zit ook wel iets in, zoals er wel meer aardige gedachten en observaties in het boek voorkomen. Of je niet alleen de hoop, maar ook de wanhoop op zou kunnen geven. Wat dat is, je hart volgen. Wat het verschil is tussen aanraken en kennen.

Maar de kracht van We komen nog één wonder tekort is toch de tekening van de mensen met hun verdriet waar niet echt wat aan te doen is. Hoe ze bij elkaar zijn terwijl de tijd maar doorgaat.

En de bladzijden over de dood van de moeder, mogelijk de enige bladzijden die ik nog eens terug zal lezen.

Als geheel overtuigde We komen nog één wonder tekort met niet, maar dat geeft niet. Ik heb in ieder geval kennisgemaakt met een schrijfster van wie ik het derde of vierde boek wel wil lezen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen