woensdag 16 september 2015

Drentelen (Woorden die je weinig hoort 7)


Al een tijd ben ik aan het lezen in De klop op de deur van Ina Boudier - Bakker. Het schiet niet erg op. Dat ligt niet aan het boek, want ik vind het interessanter dan ik had verwacht, maar aan de drukten om en in mij waardoor ik niet een tijdlang aan het lezen blijf.

Op bladzijde 202/203 lees ik over Annètje Craets het volgende:
Ze keek naar buiten - keek in haar naaidoos - stond op - drentelde de kamer door - in een gracieus behagelijk bewegen.
In die zin staan enkele woorden die we niet meer dagelijks gebruiken. Of mensen nog een naaidoos hebben (in de betekenis die Boudier-Bakker bedoelt), weet ik niet en 'behagelijk' kennen we eigenlijk nog alleen in zinnen als 'Het is hier behaaglijk warm'. Dat laat ik even zitten. Het gaat mij om 'drentelen'.

Toen ik in mijn omgeving vroeg wat de betekenis is van 'drentelen', kreeg ik antwoorden als 'trippelen', maar ook 'slenteren'. Volgens de een paste het vooral bij de manier van lopen van een kind, volgens anderen hoeft dat helemaal niet.

In Van Dale vinden we de volgende betekenissen:
1. langzaam, op zijn gemak voort- of heen en weer wandelen, zonder bepaald doel rondlopen.
2. talmen
Het is altijd goed om ook even terug te kijken. In het WNT worden vier betekenissen gegeven:
1. Op zijn gemak of langzaam heen- en weerloopen, rondloopen of voortloopen.
2. Langzaam en met moeite loopen.
3. In toepassing op het trappelen en stampvoeten van eene koe, die op het punt staat te kalven.
4. Talmen. In dezen zin niet meer algemeen

Als we het citaat van Boudier-Bakker voor ogen houden, dan vallen betekenis drie en vier af. Het lijkt me dat Annètje een beetje heen en weer loopt, zonder een bepaald doel.

Het oudste citaat dat WNT geeft bij de eerste betekenis is van 1789, van Wolff en Deken (Brieven van Abraham Blankaart):
Ik wil niet hebben dat gy daar als lange lummels … door de kraamen zult loopen drentelen, om naar allerleie ydelheid te staan kyken en gaapen.
Uit de negentiende eeuw zijn er verschillende citaten, van onder anderen A. Fokke Simonsz, Nicolaats Beets, Carel Vosmaer en Virginie Loveling. Ik vond nog een aardige in de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Hij bespreekt het boek Norine's keuze van H. van der Laan (1889):
Met dit en de volgende werkjes tegenover mij gevoel ik mij weêr heelemaal als op een bewaarschool van auteurs. Pieperige schrijvertjes, popperige boekjes-schrijf-industrieeltjes drentelen dreinzend langs mijn kuiten, aldoor maar dezelfde zeurderige woordjes herhalend. Het zijn echte nare, vervelende lammenadige kindertjes, en ik weet niet eens wat zij bedoelen, ik weet waarachtig niet wat of ik hun andwoorden moet. Ja, ja, lievertjes, goed-zoo, best, ferm, pake komt al,... maar schei nu ook uit, schei uit, 't is om tureluursch te worde... ja, ja, ik heb' et begrepe, kriste's, hoe kanne jullie zoo in 't oneindige 't zelfde zegge!...
Virginie Loveling, die ook al in het WNT wordt genoemd, leverde nog een aardig voorbeeld op bladzij 162 van Een dure eed (1892)
Hij bleef niet lang in den elskant meer. Hij trok de koeien achter zich mede naar 't hof en ‘kniepootte’ ze - 't is te zeggen: een zeel aan een hoorn en een voorpoot kort toesnoeren om het schenden der fruitboomen te voorkomen; en hij ook ging heen, doch alleen in de stukken drentelen, terwijl Blesse en Roos en Sterreken met den kop, die niet meer recht kon, schuins hem naloeiend, gehinderd en ongeduldig dravend, pogingen deden om hare boei los te wringen, en niet of slechts weinig meer op den kortgeschoren boomgaard grazen wilden. 
Een ander voorbeeld trof ik aan in Tirol van Carry van Bruggen (1926):
En daar drijven we mee met de stroom, in een zoete schemering, in een aangename atmosfeer van zalige vermoeienis. Want langs de stralende, weelderige winkels, bioscopen, café's, konditoreien drentelen bijna enkel toeristen, van een zware dagtoer weergekeerd, de leden mat van heerlijke loomte, de ogen zonverzadigd, de longen luchtvervuld... ze drentelen, roken, lachen, snoepen. Nikkerkoppen vertonen ze boven de blauwlinnen bergtoerjasjes. Morgenochtend gaan ze weer, morgenavond komen ze weer met hun sfeer van zalige vermoeidheid de Maria-Theresien-straat vervullen, de lichte, vrolijke, aan het eind waarvan de donkere, steile bergwand rijst.
Kampioen drentelen lijkt me Daan van der Zee. In zijn verhaal 'Politiekamer', gepubliceerd in Groot Nederland (1905) wordt er maar liefstvijf keer gedrenteld in tien bladzijden, waarvan drie keer op één pagina:
Even-gedraai van blauw en grijs en kort beweeg van vochtige schoenen, dan weer strak-zien der oogen naar de boomen, waartusschen enkele wandelaars drentelen naar 't Bosch.
 (...)Van avond zal hij weer met hàar uitgaan zooals gisteren, en een stil verrukken, dat even opflitst uit z'n staar-oogen golft warm door z'n gebogen lijf. Weèr drentelen langs de kronkel-paadjes van de Scheveningsche boschjes, de arm geslagen rond haar middel, gebogen 't hoofd tegen het hare. En dan weer zalig fluisteren intieme woordjes en weer indrinken die gulle lachjes uit haar tintel-oogen. Straks, als 't koffie-drinken is afgeloopen en fluks de jasknoopen even blinkend zijn gewreven, zal hij vlug uitgaan de poort met gauw-een-groet aan den op-en-neer-drentelenden sergeant en dan haastig afloopen de Mauritska, Piet-Heinstraat en Heemskerckstraat, en dan èven fluiten, zoò....
 (...)En langs de smalle paadjes drentelen de paartjes, die wachten den avond. Meest soldaten. Jagers en grenadiers en huzaren, wier kleuren-gewirwar heenschemert door 't jonge bladgroen. 
In moderne teksten kom ik het woord nauwelijks meer tegen. Op de site Brabants Centrum trof ik een stukje aan over een oversteekplaats voor koeien. Er bij stond deze foto:


Het onderschrift: 'Koeien drentelen van Kampina naar Mortelen'. Daar heb ik wel mijn twijfels bij. Het lijkt erop dat de koeien vrij doelbewust aan het oversteken zijn en ook aardig doorlopen. Daarbij past eigenlijk niet het woord 'drentelen'. Daar moeten we de schrijver misschien maar niet te hard om vallen: als een woord zo weinig voorkomt, kun je het gemakkelijk verkeerd gebruiken.

Een enkele keer wordt drentelen uitdrukkelijk afgekeurd, bijvoorbeeld in het boek Spreken in het openbaar (2011) van Patricia Jansen.
Stil blijven staan is veel moeilijker dan lopen. Alhoewel lopen een presentatie soms een meer ontspannen en dynamischer uitstraling kan geven, kan daar dan ook beter niet te vroeg mee worden begonnen. Dynamisch heen en weer lopen ontaardt bij mensen met te weinig ervaring al snel in zenuwachtig gedrentel.
Stilistisch is er wel wat op het citaat aan te merken, bijvoorbeeld het gebruik van 'dan ook' dat in die zin niet op zijn plaats is. Het doelloze van drentelen komt wel duidelijk in het citaat naar voren. 

Eigenlijk komen alle voorbeelden van 'gedrentel' of 'drentelen' op hetzelfde neer: doelloos heen en weer lopen. Verschillende keren trof ik het woord aan in combinatie met diere, bijvoorbeeld bij een zieke hond of het gedrentel van puppy's.

Verdwenen is het woord 'drentelen' niet, maar je zult er ook niet dagelijks over struikelen. Het heeft voor mij iets belegens; een woord dat ik in streekromans en aanverwante boeken aan zou kunnen treffen. Ik trof het ook wel in dat soort romans, hier bijvoorbeeld.

En misschien dat mijn bejaarde moeder nog wel het rijmpje over het alfabet op wil zeggen:
A is een aapje, dat eet uit zijn poot
B is de bakker, die bakt voor ons brood
C is Charlotte, die drinkt chocolaad
D is een dame, die drentelt op straat

2 opmerkingen:

  1. De klop op de deur: bij ons thuis, via mijn moeder, een populair boek, meer dan eens herlezen, niet alleen door mij, ook door mijn zussen. Of mijn jongste broer het ook heeft gelezen, dat weet ik eigenlijk niet (mijn oudste broer zeker niet, hij is geen lezer)

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Op dat boek kom ik zeker nog terug, Tineke. Als ik het uit heb.

      Verwijderen