woensdag 15 oktober 2014

Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw


Toen ik het boek Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw in handen had, vroeg ik mij af of er in mijn familie vroeger vieze liedjes werden gezongen. Ik herinner mij verjaardagen bij mijn opa en oma van moeders kant, waarin mijn ooms zongen over een pot, die tussen de bomen werd opgehangen. Ik hoor mijn ooms nog zingen: 'en hadden die vol met stront gedaan!' De mensen werd wijsgemaakt dat er een ballon op zou stijgen, maar toen de dorpelingen onder de pot stonden te kijken, werd die kapotgeschoten. 'En de boerkes en boerinnekes waren met die stront belaân'.

Dat soort vieze liedjes staan er trouwens niet in het boek. Daar heeft het 'vieze' alleen betrekking op de erotiek. Die liedjes zongen mijn familieleden niet. Niet op verjaardagen, in ieder geval.

Annemieke Houben werkte enkele jaren voor het Meertens Instituut. De schunnige liedjes die ze verzameld had, waren bedoeld als afscheidscadeau voor haar oud-collega's. Uiteindelijk werd het een boek van bijna tweehonderdvijftig pagina's.

Het is een toegankelijk boek: Houben herspelde de liedjes en verklaarde woorden die lastig konden zijn. Daar zijn overigens wel wat kleinigheidjes op aan te merken. Bij de regel 'Oorlof nu dochters valiant', wordt wel 'Oorlof' verklaard, dat we dan al heel vaak onverklaard tegengekomen zijn, maar 'valiant' niet. 'Hem' als wederkerend voornaamwoord wordt meestal niet uitgelegd, al zou dat voor misverstanden kunnen zorgen. Ach, het zijn maar knorven in de biezen. Over het algemeen is de handige uitleg keurig verzorgd.

Elk lied wordt kort, samenvattend ingeleid, vergelijkbare liederen zijn bij elkaar geplaatst. Bij elk hoofdstukje geeft Houben uitgebreider uitleg, bijvoorbeeld over het klisteren of de behandeling van geslachtsziekten. Verder is het boek  rijk geïllustreerd.

Tijdens het lezen kreeg ik het idee dat veel liedjes geschreven zijn vanuit het mannelijke perspectief. Hoe het daarmee precies zit, legt Houben verder niet uit. Ik kan mij gemakkelijker voorstellen dat een paar honderd jaar geleden mannen deze liederen zongen dan dat vrouwen dat deden. Maar misschien ligt dat aan mijn voorstellingsvermogen.

Er komen veel metaforen in de liedjes voor. Bijna alles kan een beeld zijn voor de geslachtsdelen of voor de geslachts-gemeenschap. Er worden nootjes gekraakt, bressen in muren geschoten, er wordt gekarnd, de man zeilt Venus' bosje in. De koster van de kerk werkt met zijn sleutel, de vrouw heeft haar tuintje, waar het paardje van de man in kan draven en de man wil zijn dobber wel in het vijvertje van de vrouw werpen. Bij een vrouw die een tobbe aan het schuren is, bedenkt de man dat hij haar tobbe ook wel eens wil schuren. Een schaatser verwoordt het aldus: 'Waar ik rijd, ik kom ik in scheuren'

Al die beelden zorgen natuurlijk voor dubbelzinnigheid. Mannen die in een bontwinkel een mof uitzoeken - dat klinkt nogal onschuldig: 'Wij zochten bontjes naar onz' zin, / om daar te mogen kruipen in / om zo ons halfvervrozen leên / wat weder te ontdooien.'  Maar eigenlijk is het een bordeelscène.

De personages in de liederen hebben zelf de dubbelzinnigheid ook niet altijd in de gaten. Een boerin die met vinken naar de markt loopt, komt langs een venster van een man die haar vraagt: 'Waarvoor laat je u vog'len?'  Zij denkt dat hij naar de verkoopprijs van de vinken vraagt, maar de man verstaat wat anders onder 'vogelen'. Hij geeft de boerin wijn met suiker en werpt haar op het bed. 'En de jonker was vol vreugde / bij het vangen van een vink'.

Er zal veel gelachen zijn bij het horen van de liedjes. Bijvoorbeeld om dit fraaie lied over een vrouw die geniet van haar minnaar. Hij speelt fluit en hij heeft een prachtig instrument:
Ach, wat behaagt het fluitespel
mijn hart en jonge zinnen,
ik heb een aardig jong gezel,
die is daarom te minnen.
Ik bemin hem - ik beken't -
allenig om zijn instrument,
ik nam hem tot knecht alleen
omdat hij speelt zo ongemeen.
Die laatste vier regels komen bij elk couplet terug. Ik laat ze in het vervolg weg.
Wanneer ik wens hij vrolijk speelt,
kus ik hem onder 't spelen.
Ik bid, dat gij u eens verbeeldt
of 't spel hem kan vervelen.
Zijn fluitje is schoon en ongemeen,
daar weet ik van te spreken,
zulks ik hem mijne koker leen
opdat het niet mocht breken. 
Ik vond nooit waar ik zocht een knecht
die zo lang weet te spelen,
die zo in 't spel is afgericht
en zonder te vervelen.
Gij vrijsters die het spel bemint,
met mij daartoe genegen,
maak dat gij ook zo'n speelknecht vindt
die nimmer is verlegen.
Dien u van zijn instrument,
ik wed j'er licht'lijk aan gewent,
want ik nam mijn jonge guit
allenig om zijn schone fluit.
En wat te denken van de metselaar, die dacht dat zijn klus erop zat. Hij ging naar binnen 'en vraagde toen aan 't meisje klare / of er nog meer werk ware.' Je raadt het al: zij heeft nog wel een kier die gedicht moet worden. Als dat gebeurd is, komt er een tweede meid, die ook wel wil.
De metselaar (die sprak daar niet tegen)
zei: 'Mijn kind, wees niet verlegen,
ik heb nog kalk genoeg hier
voor een gaatje of drie, vier,
want de brave metselaren
die zullen nooit geen kalk sparen
voor zoete meisjes in 't gemein
die van haar gediend wil zijn.'
Daarna komt de vrouw des huizes, die zegt dat de metselaar nog kalk over moet houden voor haar 'scheurtje, hups en fris'. Daar staat de metselaar al, met zijn troffel in de hand. Daarna kan hij het huis verlaten. Hij 'was nog luchtig op zijn benen / schoon hem nu al kalk ontbrak, / morgen weer een volle bak.'

Naast de liedjes vergast Houben ons op wat strooigoed: korte gedichtjes. Bijvoorbeeld over de vrouw die overdag de koe melkt en 's nachts haar man:
Maar dit is 't hartzeer dat ik lij':
de koe die geeft meer voer als hij.
In een lied wordt trouwens de vrouw met een koe vergeleken: 'Ik wed zij heeft een kiekeboe / zo groot gelijk die van een koe.'

Vieze liedjes uit de 17e en de 18e eeuw is een heerlijk boek. Vaak humoristisch, maar niet altijd. Er staan ook vreselijke verhalen in over syfilislijders en de hoeren mogen fraaie namen hebben (Mag're Moord, Sperzievreetster, de Gravin, Utrechts Bruin, mevrouw Tietje), makkelijk hadden ze het niet.

We mogen Houben wel dankbaar zijn voor deze uitgebreide verzameling van liedjes die je verder niet zomaar ergens anders tegenkomt. Het boek draagt ze op aan haar ouders: 'Lieve pap en mam, dit boek is voor jullie. Dat komt er nou van.' Maar het is gelukkig ook voor ons.

Nog eentje dan, om het af te leren. Een kort gedichtje over een meisje dat ontsteld is de beharing die ze krijgt. Houben schrijft aan het eind van regel 3: 'o jee', maar dat verknoeit het rijm. Daarom toch maar even het origineel.

Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw
Ingeleid door Annemieke Houben
Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2014; 244 blz. € 19,95

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen