dinsdag 9 september 2014

Kanaleneilandjes (Janne IJmker)


Er zijn nogal wat schrijvers die hun putemmertje hebben laten zakken in hun jeugd, om vroege herinneringen op te halen. Soms leverde dat boeken op die gepresenteerd werden als non-fictie, soms waren het romans of verhalen.

Ook bij fictie heeft de lezer vaak wel in de gaten dat de werkelijke schrijver erdoorheen schemert. Zo weten we wie model gestaan heeft voor de personages in De avonden. Van enkele boeken weet ik niet eens meer of ze in de ik-vorm verteld zijn en of die ik-figuur gepresenteerd wordt als de schrijver in zijn kindertijd. Bij bijvoorbeeld Het nijlpaard ellende van Harrie Geelen is bij mij blijven hangen dat de verteller het jongetje is uit wie later de auteur zou groeien. Maar of dat zo is, weet ik niet eens.

Het maakt ook niet uit. Fictie of niet, het boek moet gewoon goed zijn.

Janne IJmker is altijd ver bij de autobiografie vandaan gebleven, door haar romans te laten spelen in een tijd die zover achter ons ligt, dat ze die onmogelijk meegemaakt kan hebben. Ongetwijfeld zit er veel van haarzelf in de personages, maar niemand zal denken dat het verhaal eigenlijk over haarzelf gaat.

Bij IJmkers nieuwe boek Kanaleneilandjes is dat anders. Voorop staat een foto in zwart-wit van een gezin. Dat zou zomaar het gezin kunnen zijn van de schrijfster zelf. Achter in het boek schrijft IJmker:
Als iemand zich niet herkent in één van de personages die ik heb opgevoerd, dan klopt dat. Ik heb ook veel verzonnen. Maar Kanaleneiland bestaat. Nog steeds wonen daar dappere vaders en moeders met moedige kinderen. Ik draag dit boekje ook aan hen op.  
Daarmee zegt ze dat een groot deel niet verzonnen is. Als iemand zich wel herkent, dan zal dat ook wel kloppen.

De ik-figuur in het boek is een jong meisje, Josje. Ze is nog geen vier jaar oud aan het begin van het boek. Het gezin telt vijf kinderen. Josje heeft twee oudere broers, een oudere zus en een jonger zusje. Vlak daarvoor is het gezin in (op?) Kanaleneiland in Utrecht komen wonen. Aan het eind van het boek vertrekt het gezin weer, naar een dorp.

De titel verwijst dus naar de wijk in Utrecht, maar ook naar de gezinsleden:
Als we zo allemaal knikken dan vind ik ons opeens toch een eiland van zeven aan elkaar gebonden eilandjes. Het zusje is van hier, want die is hier geboren, maar we hebben haar gewoon aan onze eilandjes geknoopt. Zij hoort bij ons. Daarbuiten zijn anderen. 
Het is een mooi beeld: het gezin is een eilandje, maar de gezinsleden zijn binnen dat gezin ook weer eilandjes. Er komen meer eilandjes in het boek voor die even aan elkaar geknoopt worden: de moeder van Josje en de moeder van haar vriendinnetje Mariska vormen bijvoorbeeld ook een eilandje als ze samen koffiedrinken: ze komen allebei uit Drenthe en dat is te horen als ze met elkaar praten.

Dat eilandjesgevoel zit door het hele boek heen: IJmker heeft van Josje een eilandje gemaakt, door ons in haar hoofd te laten kijken; bij de andere personages kunnen we dat niet. De kinderen van het gezin wordt ook ingeprent dat het gezin zich aan andere regels houdt dan veel andere gezinnen. Sommige woorden (machtig, eeuwigheid, poep) mogen niet gezegd worden en niet alle kerken zijn goed. Daar opent het boek mee:
Tegenover onze flat wordt een kerk gebouwd. Daar zullen we niet naartoe gaan, want ze geloven daar lang niet alles wat wij geloven. 
Het gezin bezoekt verschillende kerken. Als moeder vraagt of Josje meegaat (tot haar zesde mag ze kiezen), vraagt ze dan ook: 'Welke kerk?' Het gezin verhuist uiteindelijk naar een dorp. Moeder vertelt meteen dat ze daar in ieder geval een héle goede kerk hebben.

Josje neemt scherp waar: niet alleen kijkt ze naar haar omgeving, maar ook naar zichzelf. Ze signaleert hoe ze zich voelt. Bijvoorbeeld:
Er aaide iets zachts in mijn buik. Alsof ik een veertje had ingeslikt dat uit het gevulde tijk van het opklapbed in de balkonkamer was ontsnapt. Ik moest ervan lachen. 
 Ook over de taal denkt Josje na. Haar broer heeft het over 'de schrift' en dat moet volgens haar 'het schrift' zijn. Ze houdt ervan woorden te laten versmelten: een strenge engel wordt een 'strengel', waterige wimpers worden 'wampers' en ouders kunnen 'brozen': brommen en boos zijn.

Ze merkt het op als volwassenen woorden en uitdrukkingen gebruiken die zij nog niet gebruikt ('onder geen beding') en ze vraagt zich af wat ze betekenen. Als je iemand de stuipen op het lijf jaagt, wat gebeurt er dan? Stuipen zullen wel schubben zijn, denkt ze.

In het gezin heeft Josje veel oog voor haar moeder. Soms lijkt ze een beetje jaloers op haar kleine zusje, die tegen moeders zachte borsten of zachte buik aan mag liggen. Moeder is zo'n beetje de enige moeder die niet meegaat op de eerste schooldag. Daar voelt Josje zich eerst ongemakkelijk onder, totdat ze inziet dat moeder haar als een grote meid ziet, die best alleen naar school kan.

Het lijkt erop dat IJmker zich in Kanaleneilandjes stilistisch vrijer voelt dan in haar vorige romans. Ze gebruikt onbekommerd personificaties en vaak werken die goed. Waarschijnlijk ook omdat ze dicht staan bij de manier waarop een kind de werkelijkheid beleeft:
De pijn trekt vanaf mijn vingers door mijn arm en gaat naar mijn hoofd en mijn hoofd zegt: Huilen! Ik huil.' Of: 'mijn oog is gesplinterd en schreeuwt duizend dat het pijn heeft.
Bij liedjes en aftelrijmpjes schrijft IJmker alle woorden per zin aan elkaar. Waarschijnlijk laat dat zien dat Josje eigenlijk niet weet wat ze zingt; de afzonderlijke woorden hebben geen betekenis voor haar. Pas in het laatste hoofdstuk krijgt een psalmregel (Zelfs vindt de mus een huis o Heer....) woorden die op zichzelf staan. Het zou kunnen zijn dat Josje nu pas beseft wat de woorden inhouden. De mus vindt een huis en het gezin zit aan tafel  en zingt een thuisgevoel naar boven.

Er zijn heel wat schrijvers die fraai over hun jeugd hebben geschreven, nauwkeurig observerend en formulerend. Je zou kunnen zeggen dat Janne IJmker de zoveelste in de rij is, ook al heeft ze degelijk werk geleverd. Daarmee doen we haar tekort. Kanaleneilandjes is niet het dertiende in het dozijn boeken met jeugdherinneringen. Josje wordt een echt een personage met wie we graag meeleven.

Het meest bijzondere is dat er na elk hoofdstuk een kort stukje met commentaar opgenomen is. Het lijkt erop dat Jannes broers en zussen (en ook haar moeder) commentaar geven op de verhalen die ze vertelt. Ze lopen langs de locaties waar de verhalen zich afspelen en samen halen ze herinneringen op. Soms komen die overeen met de verhalen, soms niet. De verhalen stimuleren de herinnering en soms weten de commentatoren niet meer wat nu waar gebeurd is en wat niet. Gelukkig weet de lezer dat ook niet.

Die stukjes (die natuurlijk ook verzonnen kunnen zijn) nemen een voorschot op de discussies die kunnen ontstaan naar aanleiding van een autobiografisch boek. In Kanaleneilandjes lijkt IJmker alleen maar te glimlachen op het commentaar van de broers en zussen. Ze legt niet uit wat er verzonnen is en wat niet en zo hoort het. Ook wat niet letterlijk zo gebeurd is als het verteld wordt kan waar zijn.

IJmker lijkt met elk nieuw boek in haar oeuvre een stap te zetten. Afscheid van een engelwas beter dan Achtendertig nachten, vooral doordat ze zich minder heeft aangetrokken van mogelijke reacties van lezers uit christelijke hoek. Ze schreef zoals dat nodig was voor het boek. Met Kanaleneilandjes brengt ze haar autobiografie in haar werk. Dit boek is persoonlijker en stilistisch is IJmker vrijer geworden. Met de commentaarstukjes bediscussieert ze het onderscheid tussen fictie en non-fictie. IJmkers werk wordt avontuurlijker; daarom wil ik het graag volgen.


Janne IJmer, Kanaleneilandjes. Uitg. HanZ, onafhankelijk platform. 176 blz. € 14,50, inclusief verzendkosten. Hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen