donderdag 24 juli 2014

Gissingen, gebeurtenissen (Hans Tentije)


Hans Tentije heeft al vijftien bundels met poëzie gepubliceerd en dat is niet onopgemerkt gebleven: verschillende keren kreeg hij een prijs. Toch had ik nog nooit een hele bundel van hem gelezen. Waarom, dat weet ik niet, maar het was zo. Maar intussen las ik Gissingen, gebeurtenissen (2013).

In de titel wordt al duidelijk waartussen de gedichten zich bewegen: tussen wat zich in de werkelijkheid afspeelt en wat er in het hoofd gebeurt. In het gedicht 'Het Prater' komt een vrouw voor die gissingen en gebeurtenissen op elkaar afstemt en dingen doorstreept. Het is mooi als wat zich in je hoofd bevindt een beetje klopt met wat daarbuiten is. Soms moet je afstand nemen van veronderstellingen, omdat ze onhoudbaar gebleken zijn.

Tentijes gedichten hebben ruimte nodig. Verschillende gedichten passen niet op één pagina en sommige hebben zelfs aan twee pagina's niet genoeg. Daarbij zijn ook de zinnen soms erg lang. Tentije houdt erg van de komma, waarmee hij zinsdelen verbindt tot lange zinnen. Het lezen daarvan vereist concentratie en het lezen van de lange gedichten vereist uithoudingsvermogen.

Veel gedichten van Tentije 'vloeien' niet. Het zijn geen glad geasfalteerde wegen waarover je zoeft naar de slotregel, maar onverharde wegen, die je van tijd tot tijd doen hobbelen. Soms prikt er een steentje in je schoenzool. Het is uitkijken geblazen, zodat je maar traag vooruit komt.

Maar die stroefheid heeft wel zijn aangename kanten. Tijdens lezen ontrolt zich langzaam een situatie. Tentije houdt van plaatsen. De locaties waarop zijn gedichten zich afspelen zijn altijd helder. Je kunt in het gedicht om je heen kijken en de sfeer opsnuiven. Het zijn gedichten waarin je kunt rondlopen. De locaties hebben vaak iets desolaats en soms iets verlopens. Locaties om even te zijn, zoals een wegrestaurant, maar niet om te blijven.

Behalve de plaats dringt ook de tijd zich aan je op. In veel gedichten hangt het waas van een verleden. Iets of iemand die hier geweest is. Kenmerkend daarvoor zijn de slotregels van de bundel:
eerdaags zou het hele bedrijf, enige erfgename
als zij was, het hare wezen, met inbegrip van al het teloorgegane
Door de bundel heen is er van tijd tot tijd een 'zij' of een 'jij', een geliefde, die verdwenen is en van wie nog steeds gehoopt wordt dat ze gevonden wordt of dat ze op zijn minst sporen heeft nagelaten. Tentije heeft niet het obsessieve en het bezwerende van Achterberg. Dat is hem te groot en te hoog. De liefde is niet iets juichends. Of zoals Tentije terloops opmerkt: 'eendere liefdes, eerdere fiasco's'.

Mistroostigheid hangt in een groot deel van de bundel. Niet dat de 'ik' daaronder lijdt. Hij heeft eerder iets gelatens: zo is het leven nu eenmaal. Hij neemt waar en heeft er misschien wel geen oordeel over.

Toen ik de bundel begon te lezen, moest ik wel wat overwinnen. Voorin staat, cursief gedrukt, een gedicht dat de bundel inleidt. Binnen vijf regels lees je dan al dat een 'wimperschaduw (...) de jukbeenderen beroert' en 'het oogstrelende'. Voor mijn gevoel zit dat wel dicht tegen het cliché aan. Daar lijkt Tentije zich niet zo druk om te maken. Bij een telefoongesprek schrijft hij: 'haar woorden die zich amper aaneenregen'.

Maar met hetzelfde gemak schrijft hij zinsneden die je meteen rechtop doen zitten: 'nooit op kweek gezette dromen'; 'waar je trekken langzaam verscherfden'; 'een nalatig voorjaar'.

Tentije krijgt het slotwoord: een gedicht uit de afdeling 'Ergens onderweg'. Over een huis dat indertijd al op de nominatie stond om gesloopt te worden en nu dus wel weg zal zijn. Het is er nog in het hoofd van de moeder, maar verder weet niemand er meer iets van.
Het huis was weinig tijd meer beschoren, gesloopt als het moest
om plaats te maken voor een ander, en als zij, mijn moeder, erover    \_vertelde
raakte ze steeds verder in haar verleden verdwaald
een straatnaam herinnerde ze zich niet, de buurt amper nog
waar wij, als evacués, het laatst half jaar van de oorlog, mijn eerste
levensmaanden doorbrachten, in een oude villa
die door twee godvrezende, ongetrouwd gebleven zusters
zuchtend en steunend werd bewoond - 
gek genoeg wist zij de aan ons toegewezen bovenverdieping
aardig te beschrijven, het in de hoeken en bij de plinten
gebarsten, bladderende balatum, het muizegeritsel achter de                            \_betengelde
wanden en hoe de dunne paardeharen matrassen
van vocht doortrokken waren, hoe het er naar carbid stonk
en pruttelende tulpebollen
wat een begin - een hoog ommuurde, haast paradijselijke tuin
en de over de luiken aan de straatkant verdeelde tekst
            IS HET WEL MET UW ZIEL VOOR DE EEUWIGHEID?
vergeefs heb ik geprobeerd tenminste de plek terug te vinden
maar als ik ergens aanbelde kreeg ik hoofdschuddend,                                      \_schouderophalend
antwoord, dat stuk van mijn bestaan was blijkbaar
voorgoed gewist - eens vroeg ik haar of het waar was dat de ratten
er aan de spenen van mijn zuigfles vraten
ach nee, daar niet, dat gebeurde onder in de keukenkastjes
op ons volgende adres

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen