vrijdag 14 maart 2014

applaus vanuit het donker (Hélène Gelèns)


Misschien wordt het wel een trend, titels zonder hoofdletters. Onlangs besprak ik een bundel van Hannah van Wieringen waarvan de titel niet met een hoofdletter begon en nu heb ik applaus vanuit het donker van Hélène Gelèns voor me liggen, ook weer zonder hoofdletter.

In de hele bundel zijn de hoofdletters en de leestekens weggelaten. Ook namen, bijvoorbeeld Pythagoras, schrijft Gélèns met kleine letter en zelfs de apostrofs heeft ze gewied. Zo hier en daar is er iets van interpunctie blijven staan, bijvoorbeeld in het gedicht 'Het applaus van Pythagoras' en wat uitroeptekens in 'Wat ons toevalt'. Die titels hoor ik dan ook niet met hoofdletters te schrijven. In de bundel staan ze in kleine kapitalen.

Achter op de bundel staat een vreemd citaat van Arie van den Berg. De eerste regel ervan: 'Zo klinkklaar als de gedichten van Hélène Gelèns bij het eerste oogcontact schijnen, zo betekenisvol worden ze bij herlezing.'
In de eerste plaats kunnen volgens mij gedichten zowel klinkklaar als betekenisvol zijn en ten tweede vind ik de gedichten van Gelèns helemaal niet klinkklaar, ook niet bij eerste lezing, laat staan bij het eerste oogcontact.

Ik heb juist het idee dat de gedichten me altijd een beetje blijven ontglippen, dat ik ze nooit helemaal onder controle krijg. Er zijn maar een paar gedichten die zich op een vrij traditionele manier laten lezen, zoals 'Kruinen blazen I'. Dat gedicht lees ik en denk ik te begrijpen. Veel andere gedichten begrijp ik niet of niet goed, maar dat blijkt geen bezwaar. Daar lijkt het ook niet om te gaan.

Gelèns lijkt me elke keer weer onder de neus te willen wrijven dat een gedicht van taal is gemaakt. Het zijn maar woorden en die woorden roepen weer andere woorden op. Per afdeling lokt het ene gedicht dan ook vaak het andere uit. De serie 'Hoe bloot' cirkelt om een handvol woorden die steeds op een andere manier gecombineerd worden (gonzen, laarzen, aanvinken, groen).

Zo'n serie lijkt op een onderzoek. Wat kun je met de woorden doen? Welke betekenissen roepen ze op? Hoe rekbaar zijn ze?  In het gedicht 'Onraad' komt een riek voor:
een blubbervloer de linkervoet bloot de rechter op slipper
linksvoor een rechterlaars in rubbergroen
middenvoor grijs stalen riektanden
rechtsvoor een linkerlaars in rubbergroen
- de riek zwiept uit zicht
Maar als er een riek is, kun je die ook ontkennen. In gedachten kan alles: 'je verwacht een riek / bedenk een niet-riek een onriek iets ariekaals.'

Die klanken openen meteen de ramen voor associaties:
onriek nietriek ariek
onrieknietriekarie
konrie knietrie karie
panie knietrie porie
Die strofe komt terug als de beginstrofe van het volgende gedicht, 'Arieklied'. Dat doet Gelèns vaker: het ene gedicht duikt gedeeltelijk of in zijn geheel op in een ander gedicht. Het gedicht is niet massief, onveranderbaar. Het is een bonk klei dat je kunt vervormen of waarvan je een stukje af kunt plukken en op een andere bonk plakken.

Het lezen van applaus vanuit het donker is een spannende aangelegenheid. Aan de ene kant volg je braaf de grillige en tegelijkertijd doordachte lijnen van Gelèns en aan de andere kant moet je ook zelf flink aan het werk. Je ontkomt namelijk niet aan je eigen associaties.

Voortdurend morrelt de dichteres aan de wetten van het gedicht. Sommige gedichten lijken een wedstrijdje tussen de kolommen waarin ze geplaatst zijn, andere zijn zo op de bladzijde geplaatst dat ze op een sluierstaart lijken, of een diabolo, of een cirkel die de zon zou kunnen zijn, maar ook de aarde. 'Visies op vis III' bestaat uit een rechthoek die grotendeels gevuld is met de herhaling van het woord 'haai', waarbij er geen ruimte tussen de woorden gelaten is. Af en toe staat er een ander woord of zinsgedeelte tussen de haaien. Daarbij is wel wit tussen de woorden gelaten.

Ik betrapte me erop dat ik het wit tussen de woorden aan het 'lezen' was, om te kijken of ik daarin een patroon kon ontdekken, bijvoorbeeld een haaivorm. Maar door het water heen kun je natuurlijk niet precies zien wat er zwemt. Op deze manier heb ik nog niet vaak naar een gedicht gekeken. Na een tijdje turen verandert 'Visies op vis III' vanzelf in een zwembad vol haaien.

Laat ik eindigen met een gedicht uit de serie 'Vanuit het donker'. In elk gedicht wordt het licht of het donker op een andere manier 'belicht'.
tegenwoordig licht tegenwoordig donker
wat zich blootgeeft
wat zich verstopt
onberekenbaar donker openbrekend licht
al wie preekt dat het kwaad in het duister huist
lach ik weg, ha! geef angstzaaiers geen spreektijd
voor je het weet is je vrijheid van dwalen beperkt
toch, als ik 's nachts huiswaarts been en het stil is op straat
versnelt mijn hartslag zich steevast in duistere tunnels
en als bij thuiskomst de deur op een kier staat
het ganglicht niet aanfloept de deurbel niet zoemt
treed ik roepend en stampend het huis binnen
verjaag ik bonzend op deuren de bons in mijn keel
Het kwaad huist niet per definitie in het duister en toch merkt de 'ik' dat bij duister wel de gedachte aan kwaad opduikt en dat haar lichaam daarop ook reageert. In de laatste regel 'rijmen' het bonzen in haar keel en het bonzen op de deur op elkaar. In andere gedichten kan dat bonzen zomaar weglopen met het gedicht, maar dat gebeurt niet. De hele serie is overigens nogal beheerst, vergeleken met de rest van de gedichten.

Of ik alle gedichten in applaus vanuit het donker goed vind, weet ik niet zo precies, maar ik geloof dat ik dat ook niet zo belangrijk vind. De zoektocht in de bundel is bijzonder boeiend. Daar laat ik me graag door meeslepen.

Hélène Gelèns, applaus vanuit het donker.
Uitg. Cossee, 64 blz. € 16,90

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen