zondag 9 maart 2014

De koeienschetser (Aan de deur 7)


Al eerder in deze serie jeugdherinneringen werd ik geconfronteerd met de verregaande onbetrouwbaarheid van het geheugen. Gelukkig zijn er altijd anderen die me kunnen corrigeren.

Ook bij het terugdenken aan de koeienschetser misleidde mijn geheugen mij. Ik zie mijzelf staan in het weitje achter ons huis, bij de groene, metalen buizen van het hek. Wij zeiden trouwens 'het hekken' en terwijl ik dit typ vraag ik mij al af of het hek wel groen was. Aan het touw (het halster, dat wij het 'helster' noemden) een jong rund ('een pink') van een jaar oud, dat ik rustig probeer te houden, zodat de koeienschetser zijn werk kan doen. Sinds gisteren weet ik dat dat niet klopt.

Eens in de zoveel tijd belde mijn vader de koeienschetser. Van een oom hoorde ik dat bij hem de naam Lamers  hoorde, van mijn broer de naam Janssen, uit Elst. Mij was geen naam bekend. Ik kende hem alleen als 'de koeienschetser'. Van zijn verschijning heb ik ook maar vaag een beeld, hoewel ik hem verschillende keren heb meegemaakt. Droeg hij een hoedje en een stofjas? Dat zou kunnen, maar ik ben er niet zeker van. Zo'n stofjas noemden wij waarschijnlijk 'martjas', omdat mijn vader die altijd aan had als hij naar de veemarkt in Den Bosch ging.

De schetser had een onderlegger van hardboard bij zich waarop hij de nog oningevulde schets had vastgeklemd. Op die schets stonden twee afbeeldingen van een rund, een keer van de linker- en een keer van de rechterzijde. In dat rund moest de schetser de vlekken tekenen. Verder moest hij opschrijven welke kleur het rund had, bijvoorbeeld ZB (zwartbont) of MRIJ, dat stond voor Maas, Rijn en IJssel en dat stond weer voor roodbont. Of er voor een blaarkop een andere afkorting bestond, weet ik eigenlijk niet.

Gisteren bezorgde mijn broer, Marinus, mij zo'n schets. Zie de afbeelding hierboven. Meteen verkruimelt mijn herinnerde beeld. Op de schets staat namelijk dat het rund helemaal niet een jaar oud was, maar slechts twee maanden. Een flink kalf, veel meer is het niet geweest.

Een schets was het identiteitsbewijs voor het rund. Een nuchter kalf kon zonder papieren verkocht worden. Daarna ging de schets altijd met het rund mee. Vandaar waarschijnlijk ook dat er nog zo weinig schetsen zijn. Mijn broer moest lang zoeken, voordat hij er eentje gevonden had. Bij een koe die geslacht werd, ging de schets mee naar de slachter. Dat de schets van dit rund er nog is, kon wel eens een tragische oorzaak hebben. Het zou kunnen betekenen dat het dier doodgegaan is.

Op de schets staat 'G.D.-schets'. Dat 'G.D.' zal wel staan voor Gezondheidsdienst. De carbondoordruk heb ik ook. Daarop staat 'Bedrijfsschets'. Verder staat er boven aan de schets het 'levensnummer'. Dat zal dan wel het nummer zijn geweest op het oormerk van het rund. Oormerken waren toen nog niet die wanstaltige gele schilden die runderen nu in hun oren dragen; het waren blikken voorwerpen, langwerpig van vorm, bescheiden van afmeting. Slechts in één van de oren werd een blik bevestigd.

Had de schetser die blikken bij zich en blikte hij het rund als hij het geschetst had? Het zou kunnen, maar ik weet het niet meer. Wel zie ik nog de driehoekige, kartonnen staaf voor me waarop de blikken zaten, die de blikker nog moest aanbrengen.

Het was de bedoeling dat zo'n blik levenslang meeging, maar vaak genoeg gebeurde dat niet. Een rund kon ermee blijven haken aan het prikkeldraad of ergens anders aan en dan scheurde het blik uit het oor. Bij een volwassen rund was het blikje ook slecht te zien, door de haren op en in de oren.

De schetser deed zijn werk altijd vrij vlot. Ik had bewondering voor de snelheid waarmee hij zijn schets kon maken. Altijd klopte het precies. De schets hierboven werd gemaakt door ene IJkhout, zie ik.

Aan dit rund heeft hij niet heel veel werk gehad: het was grotendeels zwart, met weinig kleine vlekken. Voor op de kop had het een witte kol. Kollen en blessen kwamen het meest voor, maar er waren ook wel runderen met een geheel zwarte, rode of witte kop. Volgens mij hadden wij een koe die we 'de zwartkop' noemden, wat wil zeggen dat een kop zonder kol of bles toch een uitzondering geweest moet zijn.

Later ging mijn vader ook 'jersey's' melken, die gaven wat minder melk, maar hun melk had een hoger vetgehalte. Ik denk dat we er nooit meer dan drie gehad hebben en dat het eigenlijk ook niet meer dan een soort hobby van mijn vader was. Mijn moeder en wij, de kinderen, vonden de dieren mooi: ranke poten, zwarte hoeven; net hertjes.

Bij het zoeken van foto's van die dieren op internet, kwam ik vooral exemplaren met gele oormerken tegen. Die had ik liever niet gehad, maar het is nu eenmaal zo. Ik koos een foto van een dier dat in ieder geval horens heeft. Zoals mijn tante Met al ooit zei: de horens zijn het sieraad van de koe. Jammer genoeg zien we tegenwoordig veel koeien zonder horens.

jersey-koe
Bij jersey's had de schetser het gemakkelijk: zo'n dier had immers geen vlekken. Zou de introductie van dit soort rassen het afschaffen van het schetsen in de hand gewerkt hebben? Ik kan me voorstellen dat twee jersey's eigenlijk niet uit elkaar te houden zijn als de oorblikken weg zijn. 

De schets die ik van mijn broer kreeg, zat in een zakje. Daarin zat ook nog  een verklaring, 'afgegeven door de stichting Gezondheidsdienst voor Dieren'. Met dat bewijs mocht het rund vrij vervoerd worden tot en met 24 november 1991, omdat het op 15 januari van dat jaar ingeënt was tegen mond- en klauwzeer. 

Het zakje is jammer genoeg beschadigd. Op het zakje staat wat er bij vervoer van het rund in moet zitten. Met een beetje gokwerk kom ik tot: de twee schetsen (de bedrijfsschets en de G.D.-schets) en een geneeskundige verklaring. De papieren zijn dus compleet. 

Verder staat er op het zakje: 
Leg de bedrijfsschets, met het levensnummer naar voren, boven op de gezonheidsdienstschets en bevestig deze aan de andere bescheiden met behulp van een nietachine. De koper van dit rund dient de voorzijde van de verklaring in te vullen en deze tesamen met de gezondheidsdienstschets binnen drie dagen in te leveren.
Op de achterzijde van de bedrijfsschets dient de koper zijn naam en bedrijfsnummer in te vullen en deze op te bergen in de bedrijfsmap.
Het zakje waarin de schetsen bewaard moesten worden

Dat je niet 'tesamen' moet schrijven, maar 'tezamen' was bij de overheid blijkbaar niet bekend. Er ging wel vaker wat mis. De papieren van runderen werden niet altijd meer gecontroleerd. Op 1 december 1986 stelde het VVD-kamerlid Blaauw er vragen over. Zie hier. De minister, Braks, antwoordde: 
In verband met prioriteit van andere controleprojecten heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) minder tijd aan de controle van runderschetsen en de daarbij behorende verklaringen bij de aanvoer van runderen op veemarkten besteed. De verminderde controle had tot gevolg dat steeds meer runderen zonder de vereiste bescheiden op de veemarkt kwamen. Sinds 1 januari 1987 controleert de AID weer op alle veemarkten op de naleving van de Verordening bestrijding runderziekten en de Verordening identificatie en registratie bij de verhandeling van runderen.
Op 1 oktober 1991 werden de gele oormerken ingevoerd. Of daarmee de schetsen verdwenen, is mij niet bekend, maar ik vermoed dat ze het daarna niet lang meer volgehouden hebben. Al op 22 oktober werden over de invoering kamervragen gesteld door Bas van der Vlies (SGP) en Ria Beckers (Groen Links). Ze vroegen de minister of de invoering problemen had opgeleverd en of kalveren meteen na de geboorte al geoormerkt moesten worden. Kon dat ook later?

De antwoorden kwamen van staatssecretaris Gabor. De oormerken waren voor de invoering al uitgeprobeerd. Dat had zeshonderd vragen en klachten opgeleverd. Na de invoering waren er maar weinig klachten geweest. Wel hadden sommige kalveren last gehad van ontstoken oren. De oormerken dienden hoe dan ook binnen drie dagen aangebracht te worden.

Tegen de oormerken wordt nog altijd verzet gevoerd door een klein groepje veehouders, maar dat is een ander verhaal. Het beroep van koeienschetser zal intussen wel verdwenen zijn. 

2 opmerkingen:

  1. Grappig om dit te lezen. Ik was zo'n koeienschetser, in de periode 1966-1968 in Noordoost Friesland, als vakantiewerk bij de zuivelfabriek van Gerkesklooster. Ik verdiende ongeveer 150 gld/mnd, het vijfvoudige van werken in de kaasfabriek en je was de hele zomer buiten. Ik herken veel uit de tekst, zoals het formulier en de onderlegger van hardboard. Op de fiets langs de boerderijen, bij de één kreeg je koffie of iets te eten, bij de ander een zuinige groet. Behalve leuk ook een leerzame periode.

    BeantwoordenVerwijderen