donderdag 15 november 2012

Nanne Tepper overleden (1962 - 2012)



Sommige berichten slik je weg bij een hap eten, andere blijven in je keel steken. Ik schrok toen ik las dat Nanne Tepper overleden was. Het is vorige week gebeurd, gisteren is hij in besloten kring gecremeerd.

Er zijn altijd wel mensen van wie je weet dat het onderhand hun tijd kan zijn. Je knikt instemmend als je hoort dat ze er niet meer zijn. Triest, jazeker, maar je schrikt er niet van. Tepper zat bij mij niet in het rijtje van te verwachten sterfgevallen. Ik wist dan ook weinig van hem. Ik wist bijvoorbeeld niet dat hij kampte met depressies. Vorige week besloot hij dat hij niet langer wilde leven, lees ik op de site van zijn uitgever. Tepper werd vijftig jaar.

Ooit las ik van Nanne Tepper zijn debuut, De eeuwige jachtvelden (1995). Ik was ervan onder de indruk. Zoals hij de broeierigheid tussen broer en zus kon oproepen! Een prachtig boek waarbij je je niet altijd gemakkelijk voelde. Goed gedaan. Ik heb het boek niet meteen gelezen; blijkbaar was het me ontgaan. Je kunt niet altijd opletten, weet ik van mijn leerlingen.

Tepper kreeg voor het boek de Anton Wachter Prijs. Daar was de weduwe Vestdijk niet blij mee. En dat wilde ze ook steeds aan de schrijver vertellen. Uiteindelijk zag hij zich door haar hinderlijke gedrag genoodzaakt om de borrel na de uitreiking vroegtijdig te verlaten, lees ik hier.

Vlak nadat ik het jachtveldenboek gelezen had, kwam Teppers volgende boek uit, De vaders van de gedachte (1998). Ook dat las ik en ook dat vond ik goed, al verraste het me minder. De hoofdpersoon is een loser: een mislukt dichter, wiens relatie op de klippen is gelopen. Hij trekt met zijn dertienjarige dochter Merel rond. Hij is cabaretier, maar in mijn herinnering was dat ook al geen succes. De dochter is ziek en wordt zieker. Een triest boek. Zo is het me in ieder geval bijgebleven. Het boek werd in 1999 genomineerd voor de Libris Prijs.

Ik weet dat Tepper in 1998 ook nog een novelle publiceerde: De avonturen van Hillebillie Veen. Die heb ik niet gelezen; ik wist indertijd niet eens dat het boekje er was. Heel die Tepper zakte een beetje weg, tot een jaar of drie geleden. Ik had het plan opgevat om een aantal zwijgende schrijvers te interviewen. Waarom hoorden we niets meer van Hermine de Graaf, Tom Pauka, Marja Brouwers, Nelly Heykamp, Robert Vernooy en misschien nog wel een paar anderen? Ook Nanne Tepper dus.

Het project ging niet door: het tijdschrift reageerde niet zo enthousiast en de schrijvers eigenlijk ook niet. Alleen Pauka wilde wel meewerken. Met Tepper had ik nog geen contact gezocht. Wel wist ik intussen dat hij niet volledig stil geweest was: in 2008 publiceerde hij De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke. Ik kocht het boek en legde het bij de boeken die ik nog wilde lezen. Het ligt daar al een paar jaar.

Ik heb het nu toch maar gepakt en bij het doorbladeren kom ik het stuk 'Heimwee naar de letteren' tegen. Het begint zo:
Ik zit me tegenwoordig met enige regelmaat af te vragen hoe ik ooit die Ivoren Toren in mijn 'actieve periode' gevonden heb, en wat me uiteindelijk uit het raam van die heerlijke illusie heeft gesmeten, even los van alle aardse malheur. Ik weiger namelijk nog altijd aan te nemen dat de helse manieren van het dagelijks leven in staat zijn geweest mijn perspectief te beïnvloeden.
Hoe dan ook, eenmaal met beide benen op de grond wist ik niet hoe snel terug te keren naar de wereld van mijn jeugd: de wereld van de kansloze roch-'n-rollbandjes die in garages en schuren en kelders wonen; de hoek van de samenleving waarin Veenkoloniale Havo Humor tot universele taal is uitgeroepen, waarin een stalen discipline van opgeruimd nihilisme heerst, en waarin het zieden van de wereld wordt afgedaan als 'Gods radio hangt naast de zender.'
Maar goed, ook in die wereld was het niet te vinden voor Tepper en daarna overviel hem de heimwee naar de letteren.
Dus stak ik niet zo lang geleden mijn kop toch maar uit het riool om de sfeer in Luiletterland te proeven,  om de troost van geniaal verwoorde, verpletterende emoties weer eens te voelen in de wereld der ambitieuzen.
 Dat was een bevreemdende ervaring:
Een tot mensch gemuteerde teelbal bleek een roman te hebben geschreven waarin hij vertelde over de stijve die hij had gekregen van de borstkanker van zijn vrouw. Door mij bewonderde collega's boden zich via advertenties aan als oordeelkundigen over de probeerseltjes van de zondagsschrijver: stuur het op en wij leggen uit hoe het wél moet.
Geen wereld waar hij bij wilde horen. De 'kalme waanzin' van het boek waaraan hij schreef, die wilde hij wel terug. Maar van een nieuwe roman zou het niet meer komen. Het slot van 'Heimwee naar de letteren':
Want nu ik mijn ziedende kop weer teruggetrokken heb - wachtend op een nieuw festijn en revolterend tegen het regime van mijn medicatie - en mijn natuurlijke habitat, het domein van lieden waar zelfs de duivel voor terugdeinst  weer bewoon, rest me niets anders dan vanuit een spelonk in een verlaten gangenstelsel diep onder de gronden van de mens een nieuwe toren te bouwen zodra ik het uitspansel weer onder ogen durf te zien.
Merkwaardig: nu ik eens aan mijn roman in wording ruik, had ik dit allemaal allang kunnen weten: smells like mean spirit.Weg met dat ding!
In mijn onderwereld kan ik niet schrijven. Want hoe ik het ook wend of keer: ergens in mij huist een moralist, kokend van woede, al sinds me het levenslicht werd opgedrongen, maar tevens als de dood. 
Het laatste stuk in De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke gaat over de woede. Ik noteer:
Woede is mij zo dierbaar omdat hij ons de enige naakte waarheid van de mens toont: de woedeaanval. 
Tepper is de woede voorbij. Dat hij ruste in vrede.

De afbeelding bovenaan pikte ik van 3 voor 12. Dat is niet netjes, ik weet het. Maar ik vond de foto met terugwerkende kracht zo symbolisch, dat ik hem mee moest graaien.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen