donderdag 28 april 2016

Wij en zij


We denken graag in tegenstellingen: wie niet voor ons is, is tegen ons; je verdedigt Erdogan of de vrijheid van meningsuiting; je wilt alle asielzoekers tegenhouden of zoveel mogelijk vluchtelingen toelaten; je bent voor Ajax of voor Feyenoord; je vindt Geert Wilders een held of je verafschuwt hem.

In dat tweedelingsschema past het niet dat je ook wel eens ergens je schouders over ophaalt, of dat je nog niet zeker weet wat je ergens van moet denken. Als je mee wilt spelen, moet je kiezen bij welk team je gaat staan en welke kant je op wilt voetballen. Hoor je bij ons of bij hen?

Tegelijkertijd gaan er stemmen op van mensen die vinden dat we dat wij/zij-denken nu eens achter ons moeten laten. Dat is uitsluitingsdenken en dat leidt tot niets goeds. Als je mensen uitsluit, gaan ze wraakgevoelens koesteren en gaan ze radicaliseren. We zijn allemaal mensen en als we dat nu maar in de gaten houden, komt alles goed. Bang voor de asielzoekers? Ze zijn banger dan wij.

Let maar eens op, zeggen deze mensen. Zo gauw je anderen niet meer als anders ziet, veroorzaken ze geen problemen meer. In de jaren zeventig was er bijvoorbeeld een groepje Molukkers bijzonder gewelddadig. Er werden treinen gekaapt, er werden schoolkinderen gegijzeld, er werd een consulaat bezet. En nu? Geen enkel probleem meer. Niemand heeft het meer over Molukkers als aparte bevolkingsgroep. Ze horen erbij en zijn nu Nederlanders zoals wij.

Graag zou ik die mensen gelijkgeven. Ik zou graag geloven dat er ten diepste geen verschillen zijn tussen mensen. Dat het niet uitmaakt of je puber of bejaarde bent, links- of rechtshandig, Marokkaan of Fries, man of vrouw. Dat er geen ‘zij’ bestaat, dat iedereen tot ‘wij’ behoort. Maar ik twijfel.

Er is een groep mensen die al tijden tussen ons leeft, maar die nog steeds erg afwijkt van mensen zoals ik. Leden van die groep kunnen voor een kast met kleren staan en toch zeggen dat ze niets hebben om aan te trekken. Of ze gaan in korte tijd allemaal hetzelfde drinken: verse-muntthee of prosecco.

U snapt het al: ik heb het over vrouwen. Vrouwen en mannen, dat zijn gescheiden werelden. Vrouwen lezen hun eigen tijdschriften, kijken hun eigen tv-series en vinden shoppen en chocola belangrijker dan seks. Bomans dichtte er al over:
Meisjes, dat is niets voor mij.
Als zij lief doen, moet ik lachen.
Als ik lief doe, lachen zij.
Een vrouwelijke collega vertelde dat ze op dagen dat ze zich kwetsbaar voelt, mascara opdoet die niet watervast is. Dan weet ze zeker dat ze niet gaat huilen op haar werk. De gedachte dat je mascara uitloopt, is immers afschrikwekkender dan welk verdriet dan ook. Dat had ik niet zelf kunnen verzinnen.

Eigenlijk mag je niet zeggen dat vrouwen en mannen verschillen. Dat is weer wij/zij-denken en als je daarmee bezig bent, begeef je je op een hellend vlak. De schaker Donner schreef ooit dat vrouwen niet kunnen schaken. Meteen kreeg hij een ingezonden brief: ‘Het zal wel niet lang meer duren voordat meneer Donner gaat beweren dat negers niet kunnen schaken.’ Donner antwoordde: Nee, mevrouw, u hebt het niet goed begrepen. Negers kunnen wel schaken, negerinnen niet.

Vrouwen en mannen verschillen en wie dat beweert, zal wel een wij/zij-denker zijn. Maar is dat erg? Met de meeste vrouwen heb ik geen problemen; ik heb zelfs vrouwen onder mijn beste vrienden. Ze zijn anders, maar dat is alleen maar prettig.

Ik wil daarom een pleidooi houden voor het wij/zij-denken. Laten we erkennen dat een Syrische vluchteling, een Marokkaan die al jaren in Nederland woont, een fan van Geert Wilders, een boze burger, een veganist, een complotdenker, een museummijder of een hondenbezitter anders is dan wijzelf. Daar hoeven we geen oordeel over te hebben. We kunnen elkaar ontmoeten en ons verbazen over de ander en over onszelf.

Als een man en een vrouw, ondanks de verschillen, vreedzaam en zelfs liefdevol kunnen samenleven, is er geen gelukzoeker, PSV-fan, Priusrijder, onbespoten-fruiteter, orthodoxe moslim of tubaspeler die niet past in onze samenleving.

Foto: Edwin Nieuwstraten

1 opmerking:

  1. Geslaagde column Teunis, ik heb er niets tegen in te brengen!

    BeantwoordenVerwijderen