dinsdag 26 april 2016

Club Brancuzzi (Maarten Buser)


Wie door de gedichtenbundel Club Brancuzzi van Maarten Buser bladert, krijgt de indruk dat de dichter van strak houdt: de bundel is symmetrisch opgebouwd: openingsgedicht, slotgedicht en daartussen vijf afdelingen. De middelste telt vijf gedichten, de overige acht. Alle gedichten bestaan uit strofen van twee of drie regels, behalve het gedicht dat in het hart van de bundel geplaatst is ('Ader'), dat uit één strofe van twaalf regels bestaat.

Dat strakke vinden we minder terug als we de gedichten daadwerkelijk gaan lezen. Geen metrum of eindrijm en de verteltoon is opvallend prozaïsch. Bij voorlezen kunnen de gedichten ook overkomen als kleine verhaaltjes, terloopse notities, zonder duidelijke plot.

De bundel als geheel leest ook als een verhaal, over drie mensen: de beginnende kunstenaar Claude, het meisje Sybille en de 'ik', die het verhaal vertelt. Het drietal is voor het eerst bij elkaar in het openingsgedicht: Claude is op een barkruk in slaap gevallen en Sybille en de verteller ondersteunen hem elk aan een kant. Zo blijft er evenwicht. 'Sybille zegt: 'Laat onze jassen nog maar even hangen' / Wie weet immers welke kant Claude op zal vallen?'

Er is steeds een lichte spanning tussen het drietal. Je kunt je voorstellen dat de derde valt als de twee anderen elkaar vinden en meer aandacht voor elkaar hebben dan voor de derde. Dat zal er dan ook gebeuren. In het middelste gedicht van de bundel wordt dat voorbereid.
Ader
Dit is het soort feestje waar het geluid zo afgesteld staat
dat je het niet zou merken als iets jouw kant op
glibbert. Niets weten is het halve gevecht
Schuin tegenover me zie ik Claude kalm dansen
Hij liet me eens een video zien over een man
die een minuut lang wankelde en uiteindelijk
niet onverwacht, toch viel. Claude zei: 'Dat is spanning'
Terwijl de baslijn als een ader over de vloer
gaat liggen, zie ik al hoe Claude, ofschoon niet wankelend,
daar toch over struikelt en door een luikje glijdt
Met mijn schoenneus probeer ik het handvat te vinden
Het plakt hier alsof er iets is geknapt
De 'ik' ziet voor zich hoe Claude, nu nog dansend, valt 'en door een luikje glijdt'. De spanning komt niet doordat je niet wist dat hij zou vallen, maar dat je niet wist wanneer, zoals bij de man op de video. Hoewel Claude nu nog kalm danst, is er wellicht al iets geknapt.

Door de hele bundel heen duiken er verwijzingen op naar de christelijke religie. De 'ik' en Claude hebben als jongens al eens vruchteloos geprobeerd te bidden. Over Sybille peinst de verteller: 'Misschien rolde ze vannacht in bed / wel in een verdwaalde splinter / kruisigingshout van een of andere heilige'. Als hij later inderdaad een splinter uit haar nek haalt, houdt hij die in zijn handen alsof hij communie gedaan heeft.

Claude heeft een kruisvormig stuk hout in huis gehaald, volgens hem 'een eierschaal / waar ik voorzichtig mijn Christusje uit zal tikken'. Later hangt het Christusbeeld in de kamer, maar gezien in de spiegel in de gang, waardoor de armen afgebroken lijken.

Claude en Christus komen in deze bundel dicht bij elkaar. Het gedicht waarin de ik-verteller en Sybille samen naar een feestje gaan, heet dan ook 'Zilverlingen': Claude wordt verraden. Aan het eind, na de 'val' van Claude: 'Ik zou nu graag voor hem bidden, / maar mijn handpalmen glijden steeds van elkaar af.'

Het gedicht ervoor heet 'Geen kerk in de wildernis'. Claude vraagt daarin: 'Welke kant is omhoog?' Je zou kunnen zeggen dat Claude de weg uit zijn ongeluk niet weet te vinden, maar misschien ook niet de weg naar het hogere. Hij heeft een plukje haar op zijn hoofd, dat hij altijd zijn antenne noemde, al had de 'ik' het idee dat daar een draad aan zat. Misschien is het vergezocht, maar ik heb dat geïnterpreteerd als een antenne voor het hogere of een verbinding ermee.

Het slotgedicht ('Aftitelingsmuziek') is het enige gedicht waarin een 'jij' wordt aangesproken. Daar komt 'een kathedraal van wrakhout' in voor, 'die geschikt is voor vieringen'.

Het hogere naast of tegenover het aardse spreekt ook uit de motto's: 'Halle Berry or Hallellujah' (Kendrick Lamar), voor in de bundel en voor het slotgedicht: 'Count your blessings and mind your business'.

De titel van de bundel verwijst naar de club waarvoor al in de eerste afdeling een uitnodiging wordt ontvangen. Meteen zit er al iets niet helemaal goed. Claude merkt op dat de naam verkeerd gespeld is, aangenomen dat die moet verwijzen naar Brancusi. De 'ik' zet onder de datum op de uitnodiging een kronkelstreep. Dat doet denken aan de slang, waarmee de avond in hetzelfde gedicht vergeleken wordt. Omdat er zoveel religieuze verwijzingen in de bundel zijn, moet ik ook denken aan de paradijsscène. Als de slang hier het verhaal al binnendringt, zal het paradijs uiteindelijk niet houdbaar blijken.

Club Brancuzzi is een fraaie bundel: hecht van compositie, boeiende verhaallijn en personages die je graag wilt volgen. Ik val ook voor de terloopsheid van veel beschrijvingen, die niet toewerken naar een frappe, maar en passant wel accenten leggen die je je herinnert bij het lezen van andere gedichten.
Team Malheureux
Somige avonden gaan vanzelf: Sybille schuift aan
en vertelt dat ze weldra in de stad komt wonen
Nu hebben we een reden voor een feestje
Sybille beweert: 'Nieuwe schoenen zijn
ook een soort afweermechanisme'
Claude zegt: 'We worden kosmonauten, opgeleid
om te missen.' Ik voel me als die keer
dat ik zo mijn best had gedaan om netjes
te schrijven en er iemand langsliep
om zomaar door mijn schrift te krassen
De schoenen herinner je je als je het gedicht leest waarin de verteller Sybille bij Claude aantreft: haar pumps liggen op de vloer en dan weet je dat alle afweer afgelegd is. Ook in het slotgedicht komen de schoenen terug: de nette schoenen van de ik-figuur worden vies.

Dat soort lijntjes is er steeds te trekken en altijd zijn de verwijzingen onnadrukkelijk, niet opdringerig, vergelijkbaar met hoe de verteller overkomt: één keer komt het voor dat hij met zijn vuist op tafel wil slaan, maar hij kijkt naar de plastic fles knoflooksaus, omdat hij behoefte heeft aan een middelpunt.

Zo gaat het leven blijkbaar, althans in Club Brancuzzi: je kunt hooggestemde ideeën hebben, maar uiteindelijk loop je met je schoenen door de modder. Desondanks gaat de ik door met het bouwen van kathedralen, ook al zijn van wrakhout.

Maarten Buser, Club Brancuzzi. Uitgeverij Koppernik, z.pl. 2016. 64 blz.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen