maandag 30 november 2015

Zeven Jongens en 'n Ouwe Schuit (A.C.C. de Vletter)


Sommige kinderboeken zijn in de loop van de decennia zo bekend geworden, dat zo'n beetje iedereen de titel kent of de naam van de serie: Afke's tiental, De scheepsjongens van Bontekoe, De kameleon, Arendsoog, Pietje Bell, Dik Trom, Snuf de hond. Je hoeft de boeken niet gelezen te hebben, maar je weet waar ze (zo ongeveer) over gaan. In die reeks evergreens hoort ook Zeven jongens en 'n ouwe schuit thuis.

Zeven jongens en 'n ouwe schuit is geschreven door A.C.C. de Vletter. Het valt nog niet mee om het exacte jaartal te vinden waarin het werd gepubliceerd. Het staat bijvoorbeeld niet in DBNL. De Koninklijke Bibliotheek geeft een tweede druk uit 1909, een derde uit 1910, een vierde uit 1920 en een vijfde uit 1925.

De eerste druk was in 1905, blijkt uit bronnen in Delpher. Uitgeverij Bruna neemt het jongensboek op in haar najaarsaanbieding 1905, waarmee ze adverteert  In het Nieuwsblad voor den uitgever van 15 september 1905.


In de advertentie wordt Paljas genoemd. Er zijn later artikelen over De Vletter gepubliceerd waarin Paljas (1901) zijn bekendste boek wordt genoemd. Het is een boek over drankmisbruik. De uitgever vindt het succes een waarborg voor de verkoop van Zeven jongens en 'n ouwe schuit. 

Dat vertrouwen op succes blijkt nog duidelijker uit een advertentie die op 29 november 1905 in verschillende kranten verschijnt.


Deze advertentie kan niet geplaatst zijn bij de lancering van het boek. Al op 11 november 1905 staat er in het Algemeen Handelsblad de uitslag van de Sinterklaaswedstrijd. Voor de winnaar is er het boek Dagen en daden van admiraal Dubbel-With van Joh. H. Been. De tweede prijs is Zeven jongens en 'n ouwe schuit. 

Zou het boek meteen een succes zijn geweest? Dat zou de reden kunnen zijn van bovenstaande advertentie, al vermoed ik dat die meer gebaseerd is op de naam die De Vletter blijkbaar al had. De verkoop ging niet zo hard, dat het boek meteen uitverkocht was; pas vier jaar later was er een tweede druk nodig. Bij de zesde druk  wordt er in de kranten opnieuw van het boek gewag gemaakt. In sommige kranten in september 1927. In het Rotterdamsch Nieuwsblad op 19 november 1927:


In de vierde druk, die ik in mijn bezit heb, staat op de titelpagina, onder de naam van de auteur:
schrijver van Admiraal Snor - Groote Broer - In dagen van Spanning - Paljas - Arendskop - Het betooverder kasteel - Zeven jongens in de knel - Hein past op de dubbeltjes - Pipper valt door de Aarde enz.
Dat waren blijkbaar titels die de gemiddelde lezer bekend voorkwamen. In een voorberichtje noteert de schrijver dat de personages hetzelfde zijn als in In dagen van spanning, maar dat de boeken afzonderlijk van elkaar gelezen kunnen worden. In Zeven jongens en 'n ouwe schuit wordt dan ook geen enkele keer verwezen naar eerdere avonturen.

Het boek gaat over zeven jongens die samen met een ouder iemand (Kapitein Trappers) een reisje gaan maken met het schip 'De Zwerver', tot in Duitsland. Onderweg beleven ze avonturen. Van de zeven zijn Tom, Gerard en Toon leidersfiguren. Hein is een dikke, wat onhandige jongen, van wie steeds verteld wordt dat hij veel eet en veel slaapt. Iedereen vindt hem sympathiek. Jan is altijd onsympathiek. Je vraagt je af waarom ze hem eigenlijk hebben meegenomen. En dan heb je nog Henri en Piet, die niet zo uit de verf komen.

De jongens komen uit de betere kringen. Het is heel normaal dat er een dienstmeisje in huis is en iedere jongen brengt zo'n dertig gulden binnen om het reisje te bekostigen, wat aan het begin van de vorige eeuw een groot bedrag geweest moet zijn. Een van de jongens heeft een fototoestel bij zich.

Tijdbeeld
Ach, het lezen van het verhaal is aardig, maar intussen is het ook wel wat voorspelbaar. De verhouding goed/kwaad is scherp getekend, met weinig nuance. Aan het eind van het boek komt er een schietwedstrijd voor. Het verraste me dat nu eens niet de sympathieke, maar de onsympathieke deelnemer won. Maar die wordt even later dan ook verslagen door Kapitein Trappers.

Interessanter is het beeld van de tijd dat je tijdens het lezen meekrijgt De vader van Tom vindt bijvoorbeeld dat er te veel aan sport wordt gedaan, maar Trappers, die een stuk jonger is, verdedigt 'de uitmuntende nieuwe richting in 't zoeken naar vermaak'.
-Natuurlijk heb je ook overdrijving, van die idioten met een fameus plezier om zich te overspannen, stumpers, die niemendal leeren! Neen, ik vind het een gelukkig verschijnsel, de lucht in, meneer, beweging, krachtsinspanning, bravo, meneer, dat is je wàre en ik zelf, ik ben dol op gymnastiek, op rijden en rossen, op alles wat sport is, ja, lacht  u maar om me, ik druf nog best mee te doen!
Het schip waarmee de jongens gaan, heeft een motor: 'we nemen natuurlijk een motorboot, we zijn van den nieuwen tijd!' Toch is het al een 'ouwe schuit'. Als de jongens het schip voor het eerst bekijken, zijn ze door het dolle heen:
Ze holden van voren naar achteren, ze kropen in de kajuit, ze ploften in het ruim, ze bewonderden de machinekamer, ze renden, ze gleden, ze vielen en gingen te keer als grimmige Japanners.
Die vergelijking met de Japanners verbaasde mij. Wat voor beeld hadden wij toen van Japanners? Dat zal mede bepaald zijn in 1904, wellicht op het moment dat De Vletter dit boek schreef. Toen brak namelijk de Russisch-Japanse oorlog uit, waarbij Nederland veel moeite moest doen om neutraal te blijven.

De motor in De Zwerver is een petroleummotor, die zuinig loopt. Het schip haalt maximaal vijftien kilometer per uur en verbruikt dan een halve kan. De motor loopt dus 1 op 30.

Aardig vind ik de beschrijving van de kleding van kapitein Trappers:
voor deze gelegenheid had hij zich gekleed in korten fietsbroek en trui, een sportpet op zijn zwarte haren. Over de trui droeg hij een turnjekker met zilveren banden.  
En de jongens hebben 'manchetten, boorden en dassen' opgeborgen en kuieren rond in 'sporthemd en korten broek.' Behalve Jan:
Jan stierf bijna door zijn hooge boord, want hij vond het gek om zoo echt jongen te zijn, ze wàren en bleven toch leerlingen H.B.S. en dat moest iedereen kunnen zien. 
De jongens hebben het afgelopen jaar in de tweede klas van de HBS gezeten en volgend jaar gaan ze naar de derde. Het reisje met De Zwerver maken ze in de zomervakantie.

Vlak na hun vertrek zien de jongens een schip vol landverhuizers, dat net op weg gaat naar Amerika. Over de jongens komt 'een gevoel van beklemdheid':
'Zij hadden wel gehoord en gelezen van 't lot der minder bedeelden, die daar ginds een nieuw vaderland hopen te vinden en nu zagen ze die honderden vertrekken, wuivend door de nauwe raampjes, jongen en ouden, met vochtige oogen, terwijl een vroolijk deuntje werd geblazen alsof ze kermis gingen houden. Toon met zijn levendige verbeelding zàg hen aankomen daarginder, waar ze in goote loodsen ondervraagd en onderzocht moesten worden. Menigeen, die te weinig baar geld kon vertoonen of gebreken had, mocht 't beloofde land niet in, kon terugkeeren met dezelfde boot.' 
In de eerste tien jaren van de twintigste eeuw zochten veel Nederlanders in Amerika een plek om een bestaan op te bouwen. Volgens deze site meer dan 48.000 mensen.

Even later moet Toon ook denken aan 'Russische slachtoffers'. Dat zal wel weer met de oorlog met Japan te maken hebben. Blijkbaar is Rusland sympathiek en Japan niet, wat ook al een beetje uit een vorig citaat bleek.

In Duitsland vaart De Zwerver een industriegebied in.
Een poos keken ze met belangstelling naar de voorbijschuivende tafreelen, die een fabrieksstad geeft en vooral de voorstad vertoonde een macht van rookende schoorsteenen - het kolengruis vormde bergen en het geratel en gerammel werd hier oorverdovend. Het rivierwater zag zwart.
Zo'n laatste zin zouden we nu alleen nog met afschuw uit kunnen spreken. Van afkeer lijkt in het citaat geen sprake. Uit woorden als 'belangstelling' en 'macht' blijkt dat de 'fabrieksstad' geen beeld van vervuiling oproept, maar van activiteit en dynamiek. De jongens lijken er bewonderend naar te kijken.

Ze zien verderop Duitse soldaten, die op bevel van de genie een 'schipbrug over de rivier slaan'. Jan ziet het waarderend aan: 'Die kerel s zijn handiger dan bij ons!' Maar als Jan iets zegt, word je als lezer geacht afstand te nemen.
- Ach jij, het is hier een soldatenboel! bromde Toon, - hier ben je veel minder vrij dan bij ons. 
Uiteindelijk geniet toch wel iedereen van de aanblik van de handige soldaten.

In Duitsland komen de jongens ook een 'stoomjacht' tegen, met 'een massa plezierreizigers'. Een stel Nederlanders begint te juichen.
Natuurlijk gaven de jongens behoorlijk antwoord en de kapitein zette het Wilhelmus in! Jonge, dat klonk prachtig... je voelde nu toch iets voor je land. Een vreemde aandoening maakte de gezichten strak en allen dachten ze aan huis, aan ouders en zusters.  
Ook later in het verhaal zal de groep het Wilhelmus zingen, nadat de jongens het volkslied gezongen hebben: Wien Neêrlandsch bloed door d'aderen vloeit.

Al eerder noemde ik de schietwedstrijd. Kapitein Trappers neemt het op tegen de Duitse schutterkoning. De Duitsers hebben er weinig vertrouwen in. Trappers zegt dat Nederlanders verwant zijn aan de Boeren. 'O ja, de Boeren, maar de Hollanders waren toch meest allemaal slechte schutters!'

Ook dat is een verwijzing naar de recente geschiedenis. De Tweede Boerenoorlog was in 1902 geëindigd. Het zal bij De Vletter nog vers in het geheugen gezeten hebben. Als kapitein Trappers de wedstrijd gewonnen heeft, houdt een Duitser (Franz) een toespraak 'waarin hij opmerkte, dat deze knappe schutter stellig een Transvaalsche boer was.'

Film
Zeven Jongens en 'n Ouwe Schuit werd een bekende titel, zeker nadat het boek in 1941 verfilmd werd. Alle acteurs waren amateurs. De kranten schreven vooraf al dat de film volgens een nieuw procedé gemaakt zou worden: geluid en beeld werden gelijktijdig opgenomen.

De tijd berichtte op 6 september 1940 dat de opnamen begonnen waren en plaatste de eerste foto's.



Verschillende kranten besteedden er aandacht aan. Op 9 april 1941 was de eerste vertoning, waarover ook weer heel wat kranten berichtten. Op Wikipedia staat dat de film op 17 juli 1942 in première ging. Dat kan niet kloppen.

De film blijkt een succes. Soms wordt hij twee keer op een dag vertoond en er zijn ook krantenberichten over extra voorstellingen. De film zal meegeholpen hebben aan de naamsbekendheid van het boek.

Verwijzingen
Dat veel mensen, decennia later, op zijn minst de titel van het boek kennen, blijkt uit de verwijzingen. Wim Kan verwees er bijvoorbeeld naar in zijn oudejaarsconference van 1973:

Kan zal niet de enige cabaretier zijn die de verwijzing gebruikt. Ook Youp van 't Hek doet het in zijn voorstelling De waker, de slaper & de dromer (1998), waar hij als uitgangspunt het studentenhuis De oude schuit neemt. Hij zingt daarin:
Wij zijn vrienden voor het leven

zingen wij duidelijk en luid. 

Eén ding staat in ons hart geschreven:

verschiet niet al te vroeg je kruit. 

‘ t Gaat niet om nemen, maar om geven 

en hier aan boord wordt niet gemuit. 

Dat zingen samen alle zeven 
jongens
van de oude schuit.
Blijkbaar staat de titel ons nog zo goed bij dat er probleemloos naar verwezen kan worden. Bij veel verwijzingen gaat het om het avontuur, maar ook om het dilettantische. Enkele voorbeelden.

Willeke Bezemer, in een essay in Opzij (1998):
Wanneer we het rijtje moedige mensen en daden nader beschouwen, valt op dat het vaak niet alleen om moed gaat, maar ook om het zoeken van avontuur, het verkennen van grenzen, en soms ook om roekeloosheid. Nu is het niet mijn bedoeling om brandweermannen en bergbeklimmers avonturiers te noemen. Maar als ik goed naar de verhalen luister, bijvoorbeeld die van sommige ex-verzetsstrijders, zit er soms toch iets in van zeven-jongens-in-een-oude-schuit. Dat is avontuur zoeken en soms (een beetje) roekeloos zijn.
Gerrit Krol, in Middletons dood (1996):
Robert Oppenheimer en zijn mensen moeten hetzelfde gevoel gehad hebben toen ze voor het eerst in de geschiedenis een atoombom in elkaar zetten. Zeven jongens en een oude schuit. Wij waren dan met ons vieren en het was geen atoombom, maar het gevoel is hetzelfde. 
In een interview zegt de voorzitter van De Graafschap na het aftreden van de algemeen directeur Jacco Swart (2004):
Ik vond die beslissing van Jacco een beetje zeven jongens in een oude schuit. Een beetje padvinderachtig. Als bij gebrek aan resultaten een persoon vervangen moet worden en iedereen voelt zich dan medeverantwoordelijk voor het beleid, dan kunnen directeuren van ondernemingen de hele dag wel aftreden.
Auke Kok schreef een boek over de piratenzender Veronica: Dit was Veronica (2011). Omdat het Veronicaschip symbool staat voor de zender, is de vergelijking met 'een oude schuit' gauw gemaakt:
Na tien jaren van nederig volhouden, van netjes belastingen en auteursrechten afdragen, kon Radio Veronica terugvallen op een zorgvuldig gecultiveerde reputatie van zeven jongens en een ouwe schuit. 
Sjaak Grosthuizen heeft het in een van zijn radiocolumns ('Schuitje varen') ook over een schip: De halve maen. Het ligt in Hoorn.
Heeft voor de Halve Maen het laatste kwartier geslagen? Heeft de huidige coalitie net iets te veel de wind in de zeilen? Hebben zij iets tegen de avonturen van Ben Tap, de D66-wethouder van binnen-en-buitengaatse zaken en de gretige museumdirecteur Ad Geerdink, twee jongens en een ouwe schuit?
In de vergadering van de gemeenteraad van Deventer van maandag 3 januari 2005 wordt de vergelijking met het boek van De Vletter wel heel nadrukkelijk gemaakt door de heer De Jong:
Mijnheer de voorzitter. Dit college en collegeprogramma doen mij denken aan het avonturenboek “Zeven jongens in een oude schuit” van A.C.C. de Vletter.
U ziet verschillen, zegt u: het zijn er zes. Als je de gemeentesecretaris erbij telt, worden het er zeven. Wat ons betreft hadden het er vijf mogen zijn, dat weet u. Voor vijf verschillen heb je ook nog genoeg voor een spannend avontuur. Wie weet wordt het verhaal van dit college net als het boek nog eens verfilmd. Met nog één verschil: een van de jongens is een meisje, maar zij staat haar mannetje wel. Ik kom zo nader terug op de personele samenstelling van dit college.
Er zijn ook mensen die terugblikken op het boek, dat ze in hun jeugd gelezen hebben. Hier een lijstje met tien 'echte ouderwetse kinderboeken' met Zeven jongens en 'n ouwe schuit op de eerste plaats. Leendert van Gemeren schrijft op zijn weblog dat hij het boek minstens twintig keer gelezen heeft. Hij vindt het nog steeds mooi, in tegenstelling tot G.B., die op de pagina 'Vrouwenspiegel' van Het vrije volk van 30 april 1953 schrijft over boeken die ze als kind las.

Ik denk dat G.B. een vrouw is, vanwege het boek Onder moeders vleugels dat ze noemt. Maar ze behandelt ook jongensboeken. Over sommige boeken is ze niet mals:
Als groot mens met toevallig veel ervaring van wat wel en niet in de kranten komt, is Pietje Bell een raar bedenksel. Hoewel iets minder onuitstaanbaar dan Dik Trom.
En over Zeven jongens en 'n oude schuit? Dat boek was jarenlang haar lievelingsboek, maar nu vindt ze het ouderwets.
Dertig jaar geleden waren zeven jongens, die er in de vacantie met een boot op uit gingen bijzonder avontuurlijke knapen. Nu iedereen kampeert, zwerftochten maakt en schoolklassen worden uitgewisseld met het buitenland, is er niet veel meer aan.
Hoe dan ook, Zeven jongens en 'n oude schuit is een succes geweest. A.C.C. de Vletter heeft dat voor een deel meegemaakt, maar toen het boek verfilmd werd, was hij er al niet meer. Hij overleed in 1935.

Er zullen steeds minder mensen zijn die kunnen zeggen dat ze Zeven jongens en 'n oude schuit gelezen hebben. Maar de titel zal nog velen nog wel een tijdje bekend in de oren klinken.


Het Vaderland 9 november 1935


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen