donderdag 19 november 2015

Lichtmeters (Ruth Lasters)


Het werk van Ruth Lasters leerde ik kennen in de bloemlezing die Gerrit Komrij samenstelde uit het werk van dichters uit de eenentwintigste eeuw. Haar gedichten vond ik intrigerend. Intussen heeft ze een tweede dichtbundel gepubliceerd, Lichtmeters, en een roman, Vlaggenbrief, waarvan ik maar één recensie heb gelezen. Rein Swart was niet zo enthousiast over het boek.

Lichtmeters is een mooie bundel. Sowieso qua vormgeving: een voorkant die een metalige indruk maakt en een inhoudsopgave in vier kolommen. Omdat de titels van de gedichten en van de vier afdelingen steeds uit een enkel woord bestaan, staan ze als vier paaltjes over twee bladzijden verspreid. Nog meer doen ze me denken aan vier ijspegels. 

Bijna alle titels bestaan uit een zelfstandig naamwoord (Neon, Glas, Code, Schop, Wissel, Veld, om er maar een paar te noemen). Dat duwt ons in de richting van feiten, alsof de titels lemma's in een encyclopedie zijn. 

Al in haar vorige bundel voerde Ruth Lasters gedachte-experimenten uit: ze opperde een mogelijkheid en liet ons meedenken als ze verder redeneerde. Ook in Lichtmeters doet ze dat veelvuldig. Het gedicht 'Veld' begint als volgt:
Misschien is voetbal écht het enige doel,
ook van het onderbewustzijn en het bewuste: twee delen
enkel en alleen omdat een match twee ploegen
vereist. Ooit stelt de helft van je neuronen bewust voor
een bal, zo groot en zwaar als het hoofd zelf, waarin
groeit buiten je zelf om de geurherinnering van 
pasgemaaid gras: het veld. (...)
Stel je voor dat voetbal het enige doel is, in het leven, van je bestaan, van je lichaam. Door het woord 'doel' wordt meteen het beeld opgeroepen van de doelen die op het veld staan. Door 'twee delen' en 'de helft' beginnen noties mee te spelen als speelhelft (de twee delen van het veld), de eerste en tweede helft van de wedstrijd, de twee ploegen, het tweetal onderbewustzijn en bewuste en misschien zelfs de hersenhelften. De bal wordt vergeleken met het hoofd, met daarin de geur van gemaaid gras, die ook emotie oproept, lijkt me. Voor je het weet ben je een voetbalveld geworden.

De openingsregel, die op voorhand misschien gezocht lijkt, lijkt opeens zo gek niet meer.

In veel gedichten neemt Lasters ons mee met haar constateringen en vergelijkingen en ik merk dat ik me er bijna nooit tegen verzet. Als je met haar meeloopt, heb je altijd een avontuurlijke wandeling. Als zij haar ontgoochelingen africht als logge, natte honden en dan ook nog in een maïsveld, sta ik meteen met die honden in dat veld. Over teleurstellingen heb je vaak geen controle, maar door de constructie die Lasters aanbrengt, kun je ze opeens bevelen ('Af! Los!'). De mogelijkheid daartoe heeft iets troostends.

De afdeling 'Draadloos' gaat over een 'ik en een 'jij'. Bij 'draadloos' denken we aan een verbinding of juist aan het ontbreken ervan; het draadje is er immers niet. 'Woud' begint met een observatie:  de rooksporen na het vuurwerk. In de loop van het gedicht wordt het een beeld voor wat er rest tussen twee gelieven.
Woud
Of je het achteraf
van vuurwerk ooit zag. De takken van rook, niet
de vonken, maar de pluizige stammen op precies dezelfde
plaats waar net nog pijlen openknalden. het luchtwoud
dat daar na het doven enkele seconden voor je
ontstaat. De restwaarde die eigenlijk grootser is dan
de bedoelde fraaiheid van spetters kleurvuur. Zo is het ook,
nadat je hebt gezucht dat je me ondanks alles, ontrouw nog
liefhebt, wat daarna in de kamer hangt op een doordringendere,
verschrikkelijke, ongewilde manier mooier: de onherstelbaarheid
tussen ons.
De rooksporen worden nooit meer het vuurwerk, maar ze vormen zich tot een fraai woud; de onherstelbaarheid wordt nooit meer de heelheid, maar dit moment, waarop je nog de rooksporen kunt zien van wat ooit een relatie vol vuurwerk was, is een uniek moment. Nog even en het is weg, dus je moet er nu naar kijken.

Het is een stilering van het falen, van het gebrek, zoals ook gebeurt bij de teleurstellingen die in honden veranderen. Het onderwerp is pijnlijk, maar het troost dat je er vorm aan kunt geven.

Een ander gedicht uit dezelfde cyclus vind ik zowel grappig als hartverscheurend:
Rijst
Bij grief groef ik mijn hand in een zak rijst
en stuurde in een omslag steeds een korrel terug naar herkomst,
naar een boer in Angkor die op zijn beurt keer op keer een klei-
knikker zond bij
onverhoopt geluk, als een mijnscherf wonderwel alleen
zijn vrouws wreef had verbrijzeld of zijn oogst niet was verloren door
een storm. De laatste korrel die ik naar hem zond: rond Pasen nadat jij
en ik weer knikkers voor elkaar verstopt hadden in huis in plaats
van eieren - wie in één dag al de zijne vond, mocht weggaan
voor altijd zonder verwijten - en je de mijne nauwelijks
verborgen had, alle zeven naast de plint, voor
het grijpen.  
Het opsturen van rijstkorrel en kleiknikker vind ik al een grappig idee. En dan de omschrijving van wat geluk betekent voor de boer in Angkor: we zouden het ook kunnen zien als ongeluk dat erger had gekund. De uitvoerige beschrijving van het systeem lijkt alleen maar getreuzel, aarzeling om te vertellen wat verteld moet worden: de 'ik' die afgedankt wordt door de 'jij'. Je ziet de knikkers liggen. Zwijgend schreeuwen ze hun boodschap. Simpel en vreselijk.

De 'ik' stuurt de laatste rijstkorrel op. Wat kan er na dit verdriet immers nog komen? En nadat ze zeven knikkers in één keer heeft gekregen, zit ze waarschijnlijk ook niet meer te wachten op kleiknikkers van ver weg.

Ironie treffen we in meer gedichten aan. Verschillende keren heb ik breed moeten glimlachen. Bijvoorbeeld om het gedicht 'Code' waarin ruimtewezens 'eeuwen na het eind der mensen' de wegmarkeringen op aarde ontdekken en die proberen te ontcijferen. Dat is het wat troost, zegt Lasters: 'Dát moet je vertellen op het laatst / als ik kerm, ijl in plaats van valse // hoop.' Ook hier zijn het de gedachte-experimenten, de ruimtevluchten van de verbeelding, waarin mensen opgetild kunnen worden uit het verdriet, het gebrek, het onvolmaakte.

Of in het gedicht 'Neon', waar het stukspringen van een straatlantaarn
(...)
kan veroorzaken een minuscuul verschrikken, verliggen
tijdens de daad, waardoor een andere zaadcel dan die ene waaruit wij- 
het had gehaald. Lantaarnonderhoud -geschiede het
met blinde willekeur steeds- is dus een ethisch zéér
beladen zaak.
Om dat slot moet ik, ook bij herlezing, lachen. Je ziet het serieuze gezicht voor je van degene die je dit vertelt. Misschien is er zelfs wel een belerende vinger geheven. Hoe serieuzer het gebracht is, hoe grappiger het is.

De verrassende beelden geven Lichtmeters iets lichts, iets speels. Dat betekent niet dat de gedichten over lichte dingen gaan. In de gedichten dreigen we verschillende keren de greep te verliezen op wat er om en in ons gebeurt. De dreigende wanorde wordt bezworen door de beeldspraak. De werkelijkheid is misschien niet te beheersen, maar de beelden die we ervoor hebben wel.

De strakke opbouw van de bundel, de even strakke bouw van de gedichten (bijna altijd in strofen van twee regels) tonen dezelfde wil om zaken onder controle te houden, om structuur aan te brengen in wat zich ongeordend aan ons voordoet.

In 'Neon' spreekt de 'ik' over haar 'kosmische petieterigheid'. Dat zo'n klein mensje een poging doet dingen naar haar hand te zetten, is in ieder geval dapper. Over zo'n mensje willen we wel lezen; met zo'n mensje willen we ons wel identificeren. En daarom zullen we de gedichten in Lichtmeters lezen en herlezen. Ook na herlezing hebben we de bundel niet uit.

Foto: Koen Broos, opgenomen achter in de bundel

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen