donderdag 22 januari 2015

Ils sont Charlie


Vorige week zondag liepen in Frankrijk miljoenen mensen mee in de Mars van de Republiek. Ook in Nederland werd er gedemonstreerd. In verschillende steden en dorpen gingen mensen de straat op, potlood of pen in de vuist of een bord voor de borst met ‘Je suis Charlie’. Het is mooi dat zoveel mensen hun medeleven betuigden met de nabestaanden van de slachtoffers en dat ze het belang van de vrijheid van meningsuiting onderstreepten.

Cartoonisten protesteerden op hun eigen manier: ze tekenden cartoons. Veel van die tekeningen kwamen op hetzelfde neer: het potlood neemt het op tegen het automatische wapen en het wint. Dat is een troostende gedachte, maar klopt die ook?

Wel als bedoeld is dat een aanslag het tekenen niet kan stoppen en dat zo’n terreurdaad het vuur bij de cartoonisten misschien zelfs aanwakkert. Of, zoals men ten tijde van de inquisitie zei: het bloed der martelaren is het zaad van de kerk.

Maar zal een potlood ooit een wapen het zwijgen opleggen? Zal niet alleen de vrije tekening, maar ook het vrije woord sterker blijken dan de onderdrukking? Natuurlijk wil ik dat graag geloven, maar ik twijfel wel.

Er zijn tekenaars gedood en we krijgen ze met geen honderd cartoons terug; er zit een blogger in de gevangenis, waar hij stokslagen krijgt, ondanks alle protesten; op verdachte wijze vinden journalisten de dood, ondanks kritische reportages.

Natuurlijk vind ik dat we vinnige tekeningen moeten maken, dat we protest moeten aantekenen, dat we scherpe stukken moeten schrijven. We moeten het doen in de overtuiging dat het water de steen zal uithollen, dat het verstand zal zegevieren over de domheid, dat het kwaad het uiteindelijk niet redt. En we moeten maar op de koop toe nemen dat we keer op keer teleurgesteld worden.

Voor de vrijheid van meningsuiting wil ik wel mijn vuist omhoog steken, ik wil best roepen dat we die met hand en tand moeten verdedigen. Maar dat is een overtuiging die mij niets kost. Ik kan beweren dat de prijs voor het vrije woord zelfs niet te hoog is als die bestaat uit mensenlevens, maar zou ik dat ook zeggen als het om mijn eigen leven ging of, nog erger, het leven van mijn kinderen en andere geliefden? Dan ben ik ineens niet zo zeker en zo dapper meer. Ik ben Charlie niet.

De makers van Charlie Hebdo hebben de prijs betaald, of ze dat nu wilden of niet. En ze gingen door. Ze brachten een nieuw nummer uit, met voorop weer een afbeelding van de profeet, een traan in zijn oog, het intussen bekende bord in zijn handen. Het is een tekening die gemaakt is met een scherpe pen en met een groot hart. Het is een tekening die niet bralt over de oorlog tussen de islam en het westen, maar die Mohammed laat huilen. Zo had hij niet bedoeld. Hij pakt een bord en gaat aan de andere kant staan.

Ik vond het een ontroerende reactie op al het geweld. Zo doen de tekenaars dat dus. Ils sont Charlie. Alleen zij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen