woensdag 9 oktober 2013

'Liever niet', antwoordt de liefde


Eerlijk gezegd dacht ik dat De herfst van Zorro (2006) de vorige bundel was van Rodaan Al Galidi. Maar de man heeft in hoog tempo doorgeschreven. Na het Zorro-boek verschenen er vier nieuwe bundels, waarvan ‘Liever niet’, antwoordt de liefde de meest recente is. Tussendoor verschenen er ook nog twee romans.

De gedichten in Liever niet zijn verdeeld in twee afdelingen: ‘Jij’ en ‘Zij’. In de eerste afdeling spreekt de ‘ik’ een ‘jij’ aan, de tweede gaat over een ‘zij’, al staan ook daarin wel zinnen als: ‘Als ik hout ben / timmer van mij een piano’, die toch aan een ‘jij’ gericht lijken.
Om te benadrukken dat de afdelingen verbonden zijn met elkaar, zijn de openingsgedichten gelijk, op de jij/zij-vorm na: het ene gedicht begint dus met ‘Mijn hart is jouw slaapkamer / jouw hart is mijn slaap’ en het andere met ‘Mijn hart is haar slaapkamer / haar hart is mijn slaap.’

Verder valt bij het doorbladeren al op dat alle gedichten als titel de naam hebben van inheemse bloemen, zoals anemoon, lelie, lisdodde, lupine, kamperfoelie. Waarom voor een gedicht nu juist voor die ene bloem gekozen is en niet voor een andere, is mij niet duidelijk. Misschien is het geheel hier belangrijker: een bundel als een bloemenzee, waarin elk gedicht op zijn plekje mag bloeien. Alle gedichten gaan over een afwezige geliefde. Misschien zijn de gedichten wel de bloemen die hij haar aanbiedt. 

Dat de geliefde steeds afwezig is, is iets te stellig gezegd. In sommige gedichten is ze er wel, meestal in de herinnering. In het gedicht ‘Blauwe morgenster’ lijkt ze er in het heden te zijn. Een succes is dat niet: 

Blauwe morgenster
Ze komt niet, ze gaat niet.
Overal en nergens.
De vrouw van wie ik hou.
Ze geeft mij haar lichaam
als ik haar hart wil.
Ze geeft me haar hart
als ik haar lichaam begeer.
Ze wil wat ze niet kan krijgen
en schenkt wat niet van haar verwacht wordt.
Ze is simpel als de vrede
als ze met mij is.
Als ze vertrekt
wordt ze moeilijk als de oorlog.
Ze is de schorpioen en de blote voet,
de traan en de druppel dauw
en ik hou van haar.
Ergens, augustus vorig jaar,
nadat we gevreeën hen gedoucht hadden,
zei ze, terwijl ze haar haren droogde:
'Ik denk deze keer serieus
om in je hart te blijven.'
Ik heb haar nooit meer gezien.
Alles lijkt eenvoudig als ze er is, maar uit de tweede strofe blijkt al dat de twee gelieven niet goed op elkaar zijn afgestemd. Toch houdt de ‘ik’ van haar. Maar net nadat ze gezegd heeft dat ze in het hart van de ‘ik’ wil blijven, is ze verdwenen.

‘Blauwe morgenster’ is een vrij helder gedicht, met min of meer een verhaal. Daarmee is het niet representatief voor de bundel. Veel van de gedichten bestaan uit een tekening van de gemoedstoestand van de ‘ik’, met zinnen als: ‘Mijn keel / is een woord dat ik niet kan zeggen / en mijn borst / is een zeil dat moe is omdat ik geen zee ben.’ Vaak heeft het geen zin om de beelden rationeel te gaan analyseren. Ze lijken associatief ontstaan te zijn en je kunt ze als lezer maar beter ondergaan. Vaak snap je niet precies wat er bedoeld wordt, maar voel je wel aan welk gevoel er onder de woorden zit.

Ik herinner me dat ik indertijd iets soortgelijks had bij de bundel Litanie (1984) van Nic van Bruggen, hoewel diens poëzie massiever (en ook wat luidruchtiger) is. Maar ook die gedichten werkten het best, als je ze maar over je heen liet komen.

Dat dwingt tot een minder analyserende manier van lezen. Ik merk dat ik daardoor zinnen accepteer die ik in andere bundels zwak gevonden zou hebben: ‘Je schoonheid is mooi, / je zachtheid is zo zacht, / je nabijheid is te dichtbij, / je verte is niet te ver.’

In ‘Blauwe morgenster’ schrijft Al Galidi ‘en ik hou van haar’, wat je in een liefdesgedicht eigenlijk niet hoort te schrijven: te direct, te eenduidig, te weinig origineel. Maar Al Galidi trekt zich daar niets van aan. Het lijkt alsof hij probeert of er toch nog leven zit in versleten zinnen en vaak pakt dat goed uit.

Al Galidi is dan ook niet vies van bijna verboden woorden als ‘hart’, ‘hemel’, ‘droom’. Om de haverklap kom je ze tegen en de dichter komt ermee weg.

De titel van de bundel vinden aan het slot van het laatste gedicht:
'En nu, wat moeten we doen? Zoeken naar een andere vrouw?' vraag ik.
'Liever niet', antwoordt de liefde.
'Ik denk het ook niet', zegt de eenzaamheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen