donderdag 15 september 2016

Zijne vrouw zet bloedzuigers (Charles de Coster)


In 1964 verscheen er bij de Wereldbibliotheek een curieus boekje: Zijne vrouw zet bloedzuigers, met als ondertitel: 'De zeer persoonlijke indrukken van een reis, in 1877 ondernomen naar Amsterdam, Zaandam, Broek in Waterland, Monnikendam, Volendam, Hoorn, Scheveningen, Marken en Urk, door Charles de Coster.' Ja, die! Die van Tijl Uilenspiegel.

De Coster reisde in 1877 door Nederland in opdracht van het tijdschrift Le Tour du Monde. Het Franssprekende publiek wist blijkbaar weinig van Nederland en De Coster zou daarom Nederland verkennen en zijn reisindrukken noteren.

Hij reisde naar Amsterdam, bezocht een paar plaatsen in Noord-Holland, maakte tripjes naar Scheveningen, Marken, Urk en Schokland en voer door naar Kampen. Over die laatste plaats heeft hij, voor zover ik weet, niets genoteerd. De Coster keerde terug naar Brussel, werd ziek en stierf in 1879. Hij was al met zijn aantekeningen aan de slag geweest, maar hij kon ze niet volledig uitwerken. Na zijn dood werd het verslag gepubliceerd in de staat waarin het gevonden werd.

Dat verslag leest prettig. De Coster kijkt goed en schrijft fris. Wat hij genoteerd had tijdens zijn reis had hij al wel uitgewerkt in complete zinnen. Wellicht dat hij meer had willen componeren aan het geheel, maar verder leest de tekst niet als een concept.

Van Amsterdam geeft De Coster een levendig beeld. We komen te weten dat in die tijd dienstboden graag gekleed gaan in lila en rose, dat er 'omnibussen' rijden waaraan trossen mensen hangen en dat de stad 'electrische brandmelders' heeft. Amsterdam is goed verlicht:
En overal die verbazingwekkende, overvloedige verlichting. Straatlantaarns in zeer groot aantal schitterden tussen de hoge bomen op de kaden en weerspiegelden zich als lange vuurslangen in het water. 
Soms zijn het de kleine zinnetjes tussendoor die blijven hangen. Bijvoorbeeld dat de walvisvaart nog een kans maakt. Of dat Joden herkenbaar zijn aan hun accent:
Ik trek er al vroeg op uit, vastbesloten om veel te zien. Mijn allereerste ontmoeting is die met de Nieuwmarkt, die in werkelijkheid een oude markt is. Men verkoopt er slechts oude rommel, lompen en ordinair aardewerk. Het nasaal accent van de verkopers toont voldoende aan dat het Jodenkwartier niet ver is. 
Dat 'Jodenkwartier' heeft De Coster ook bezocht. Hij vertelt over kinderen die al op jonge leeftijd handel drijven, over de vrolijkheid en de spotlust die hij overal bespeurt ('men is geneigd gekheid te maken') en uitgebreid staat hij stil bij het uiterlijk van de Joodse Amsterdammers. Het zijn beschrijvingen die tegenwoordig racistisch aandoen:
De mensen van dit ras zijn óf zeer knap om te zien - óf afstotelijk. Dat geldt vooral voor de Nederlandse Joden. Tengevolge van ontbering en armoede veranderen de trekken, en de ogen zinken terug onder de wenkbrauwbogen; het voorhoofd wordt vet en olieachtig; de dikke lippen, die lijken op die van sommige negers, beginnen de neus te naderen, waarvan de vorm soms overdreven is; het lichaam wordt gezet, de handen zetten op en de gang wordt zwaar. (...)
De vrouwen doorlopen alle stadia van schoonheid en lelijkheid. Ik heb blonde en bruine Jodinnetjes gezien die ongelooflijk knap waren, en daarnaast andere die onwaarschijnlijk lelijk waren, met gemene, grijnzende gezichten, zoals Hogarth ze niet heeft kunnen dromen. Sommige arme oude vrouwen zijn afschuwelijk in hun kleurloze lompen: ze hebben platte, magere gezichten, bleke dikke lippen en een monsterachtig grote neus die tussen hun slappe wangen naar voren steekt als een snavel.
Je zou kunnen vermoeden dat er achter deze beschrijving een afkeer van Joden schuilt, maar dat blijkt uit de rest van het hoofdstuk niet. De Coster prijst de Joden en zegt 'dat dit ras ijverig is en van alle hout pijlen weet te snijden, liever dan dat het bedelen gaat.'

Hij wijst daarbij op een uithangbord, waaraan dit boekje uiteindelijk zijn titel te danken heeft:
Levi Roboam, koopman in sigaren, lekkertjes en zuurtjes en kwaad yzer, boodschaplooper voor de geburen, knipt vogeltongen en snyt honds en katte worm; zyne vrouw houd kinder-school, zet bloedzuigers en maakt schriftlektuer voor ongeleerden.  
De Coster praat veel met mensen. Bij de militairen hoort hij stoere verhalen. Bijvoorbeeld hoe een soldaat al voor de vierde keer iemand gered heeft uit het water. Hij was die vierde keer wel vergeten dat hij in zijn borstrok 'een flink pak met lood'  droeg. Volgens De Coster is hij geen uitzondering:
Deze koelbloedigheid bij hun heldhaftigheid is een karaktertrek van de Hollanders en vooral van officieren en soldaten.
Bij het hoofdstukje 'Vermaak' noemt De Coster onder andere de 'satirische schetsen die betrekking hebben op de eigentijdse politieke misstappen, op het omverwerpen van dynastieën en op de nederlaag van partijen die vijandig staan tegenover de liberale massa van het volk.' Dat geeft geen problemen:
Als men zelf in de zaal heeft gezeten beseft men dat men hier in een werkelijk vrij land is. De overheid, vertegenwoordigd door de politie, grijpt alleen maar in om te applaudisseren. 
De Coster houdt ervan te generaliseren: 'Het is overigens karakteristiek voor de Hollandse meisjes, dat ze steeds glimlachen en opgewekt zijn.' Daar zal men toch ook toen al wel bij gefronst hebben.

Zyne vrouw zet bloedzuigers is een vermakelijk boekje. Het is altijd prettig om te lezen wat een buitenstaander vindt. Dat is ook het aantrekkelijke van boekjes als Do ist der Bahnhof (Annette Birschel), The Undutchables (Colin White en Lauri Boucke) en Waar die andere God woondt (J. Rentes de Carvalho). Voor de huidige lezer geeft het niet alleen de blik van de buitenstaander, maar we krijgen ook een kijkje in de geschiedenis.

De Coster heeft een vlotte pen. Sommige van zijn beschrijvingen zijn vondsten. Zo vergelijkt hij Volendammers met insecten:
Op andere plaatsen zag men een heel klein op zijn staart staand kevertje een zwarte gedaante aanspreken, die dan zijn arm legde om het kevertje; dan liep het kevertje weer terug in omgekeerde richting.
Toen we dichterbij kwamen zagen we dat de grote en kleine meikevers vrouwen en meisjes waren uit Volendam. Het was hun smalle taille en het waren hun wijduitstaande rokken - zeven over elkaar, die de glorie uitmaken van de Nederlandse vrouwen - die hun zo op insecten deden lijken. 
Het boekje van de Coster is geïllustreerd met verscheidene tekeningen. De herkomst daarvan wordt niet vermeld. Stonden deze tekeningen ook in de oorspronkelijke uitgave? Dat wordt niet duidelijk.

Voor wie wat in het boekje wil grasduinen. Het is hier te downloaden of online te lezen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten