zondag 30 maart 2014

Alles van waarde is weerloos (Knipoog 30)



Een tijdje terug wijdde ik een stukje aan een knipoog naar een bekende regel van Lucebert: 'Alles van waarde is weerloos'. Onlangs werd er weer naar de regel geknipoogd.

In The optimist, voorheen Ode van zaterdag 29 maart stond een column van Lisette Thooft, onder de titel 'Alles van waarde is doelloos'. Ze neemt haar stukje stelling tegen resultaatgerichte managers en betoogt dat juist de waardevolle dingen geen doel hebben: schoonheid, spel, kunst.

Ze eindigt met iets wat ze 'een prachtig gebed' noemt en ze bekent dat ze het elke dag hardop zegt. Ze citeert het einde van dat gebed, waarin het onder andere gaat over 'de deining van het lotsvuur'. Ik wil graag geloven dat dat doelloos is, wat niet impliceert dat het automatisch waardevol is.

zaterdag 29 maart 2014

De bakker (Aan de deur 8)

1960 Bron: bakkerijmuseum.nl

Voor veel dingen ben ik te oud, maar voor sommige net niet oud genoeg. Zo heb ik het niet meer meegemaakt dat de bakker met de bakfiets langs de deuren ging of met een mand voor op zijn tansportfiets. Mijn vader wel. Hij bracht zijn jeugd door aan het andere eind van het Loenense bos, waar nu de landwinkel De grote Doorn is.

De bakker kwam op zijn fiets door het bos, met de mand voorop, vertelde mijn vader. Vooral in de winter was dat geen pretje. Soms, bij sneeuw en gladheid, ging hij onderuit en dan waren al zijn beschuiten gebroken. Die kapotte beschuiten werden 'bakkersverdriet' genoemd. Mijn oma kocht ze voor een zacht prijsje.

Mijn vader kan ik naar de details niet meer vragen. Mijn moeder vermoedde dat het hier ging om Frentz, de bakker uit de Lechstraat in Herveld. Eerlijk gezegd wist ik niet dat daar een bakkerij geweest was, maar ouderen zullen het zich wellicht herinneren.

De eerste bakker die ik mij herinner, was Van Drempt; hij kwam bij ons toen we aan de Merkenhorststraat woonden. Ik herinner mij hem als een grote man, maar misschien komt dat doordat ik zelf nog zo klein was. Toen wij in 1969 naar de Schoolstraat verhuisden, kwam er een andere bakker, Huib Weernekers. Waarom Van Drempt niet meeging naar de Schoolstraat, weet ik niet. Bestond zijn bakkerij intussen niet meer? Waren er 'rayons' en viel de Schoolstraat net binnen het gebied van Weernekers? Als iemand het weet, laat hij het dan vertellen.
De jonge Huib Weernekers


Weernekers herinner ik me als een vriendelijke man. Ik heb nooit een kwaad woord over hem horen zeggen door mijn moeder. Hoe vaak hij kwam, weet ik niet precies, maar ik vermoed twee keer per week: halverwege de week en op zaterdag. Op zaterdag kocht mijn moeder niet alleen wit- en bruinbrood, maar ook een krentenbrood. In het weekend hadden we roomboter en we aten het krentenbrood met roomboter en suiker.

Als ik mij goed herinner, zat het krentenbrood in een plastic zak, die met een metalen clipje werd afgesloten. Het andere brood zat nooit in een zak. Als het aangesneden was, legde mijn moeder het in de broodtrommel, op de plank bovenaan de keldertrap.

De familie Weernekers in de vernieuwde zaak
Een enkele keer moesten we brood halen, bij de kruidenier. Als het witbrood was, moest het melkbrood zijn en geen waterbrood. Onder op het brood was een ouweltje meegebakken. Volgens mij stond er alleen maar 'melk' op. Het brood was ongesneden. Er werd toen (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) ook al wel gesneden brood gekocht. Mijn moeder noemde dat 'luiewijvenbrood'. Haar voornaamste bezwaar was overigens dat de sneden veel te dun waren, zodat het te veel beleg kostte.

's Ochtends en 's avonds aten we brood, 'tussen de middag' warm. Meestal gebruikten we de broodmaaltijd gezamenlijk, maar soms kon het niet, omdat mijn vader 'achter' was of ergens anders aan het werk was. Als we met zijn allen waren, sneed mijn vader het brood, met een gekarteld mes, dat wij ook wel de broodzaag noemden, op een plank die mijn opa (van moeders kant) zelf gemaakt had. Mijn ouders kregen die toen ze gingen trouwen. Ik vermoed dat mijn moeder de onverwoestbare plank nog steeds heeft.

Marinus, Herman, Teunis, Carolien, die toen nog Lientje heette
Mijn oma van moeders kant vertelde ons dat zij vroeger het brood niet op een plank sneed. Ze klemde het brood tegen haar borst en sneed het dan. Ik wilde schrijven dat ik bij haar nooit brood gegeten had, maar er is een foto waarop ik in het huis van opa en oma (met broertje, neefje en zusje) op de bank een boterham zit te eten. Bij mijn oma kon meer dan thuis. Wij moesten thuis tijdens de broodmaaltijd altijd wel aan tafel zitten.  Als ik bij mijn grootouders logeerde, ontbeet mijn oma sober: met droge beschuit en thee. Voor mij maakte ze dan beschuiten met roomboter en suiker. Geen brood, volgens mij.

Mijn andere oma had King Corn, voorverpakt brood, wat toen iets nieuws was. Op de radio hoorden we reclamespotjes over een jongetje dat bij Japie zijn moeder ging eten, omdat die lekker King Corn had. Ik herinner me ook de slogan nog: King Corn - Het enige wat je weggooit is de verpakking. Het reclamefilmpje staat onderaan deze bijdrage. Ik vond het brood wel lekker, geloof ik. Ik at vooral graag bij mijn oma omdat ik bij haar 'enkele sneden' mocht eten. Thuis moesten wij altijd een 'dubbele' nemen: een bruine op een witte snee. Daarom aten wij altijd een oneven aantal, zodat de laatste boterham wel enkel kon.

Winkelinterieur Weernekers
Ons brood kwam dus van Weernekers. Hij kwam met een busje, laadde zijn mand vol, nam die voor zijn buik en kwam dan binnen. Net als de kruidenier had hij een geldtas om.

De bakkerij van Weernekers groeide uit tot een kruidenierszaak, die weer uitgroeide tot een supermarkt. Voor zover ik weet, heeft Weernekers bij ons nooit boodschappen gebracht. Tot hoe lang hij het bezorgen heeft volgehouden, weet ik niet. Later haalden we in zijn supermarkt de boodschappen. We zullen toen ook wel meteen het brood hebben meegenomen.

Later, toen ik het huis al uit was, kwam Jongeneel met zijn SRV-wagen nog langs de deur. Geen idee wat mijn moeder kocht. Ik vermoed dat ze alleen die dingen kocht die ze bij het boodschappen doen was vergeten. Misschien zat daar ook wel eens een brood tussen. Melkbrood, uiteraard.

Weernekers begon zijn bakkerij al in het begin van de twintigste eeuw

De bakkerij van Weernekers, uitgegroeid tot supermarkt. 

Veel foto's heb ik geoogst van de Facebookpagina Oud Herveld-Andelst, die de foto's aangeleverd kreeg door Huib Weernekers. Hieronder nog een foto van een bakkerij elders in het land. 




donderdag 27 maart 2014

Wilders en de vrijheid van meningsuiting


Op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen beloofde Geert Wilders dat zijn partij ging regelen dat het aantal Marokkanen in Nederland verminderde. Meteen was er opschudding: PVV’ers verlieten bij bosjes de partij of namen afstand van de uitlatingen van hun leider, de andere partijen spraken er schande van en honderden mensen deden aangifte. In Nijmegen deed zelfs het stadsbestuur dat. De meerderheid van Nederland vond blijkbaar dat Wilders iets gezegd had wat hij niet had mogen zeggen.

Gelukkig leven we in een vrij land. Tegenover andere landen laten we ons er graag op voorstaan dat we zo tolerant zijn en dat je hier in Nederland tenminste kunt zeggen wat je denkt. We kennen hier immers de vrijheid van meningsuiting.

Die vrijheid geldt ook voor Wilders, of misschien moet ik zeggen: juist voor Wilders. Voor meningen die de meerderheid of de machthebber aangenaam vindt, heb je die vrijheid niet nodig. In Rusland mag je best zeggen dat je Poetin een geweldige kerel vindt, in Iran kun je vrijuit verkondigen dat de Islam de beste aller godsdiensten is en in Vaticaanstad dat wijn kan veranderen in bloed.

De vrijheid van meningsuiting is er juist om mensen met een minderheidsmening te beschermen. Die mogen hier zeggen dat pedofielen eens wat vriendelijker behandeld zouden moeten worden; dat het een goed idee is om alle honden te verbieden; dat vrouwen geen lange broeken behoren te dragen. Of dat er te veel Marokkanen in Nederland zijn.

Mensen die het er niet mee eens zijn, mogen dan natuurlijk ook hun mening over die standpunten kenbaar maken en dat mogen ze luidkeels doen. Ze mogen artikelen in de kranten schrijven, ze mogen protesteren met leuzen in grote letters op spandoeken. Zo doen we dat hier: woorden bestrijden we met woorden.

Maar zijn er dan helemaal geen grenzen aan de vrijheid van meningsuiting? Ja, die zijn er wel: we hebben andere grondrechten en ook wetten waarmee die vrijheid kan botsen.

Zo mogen we niet oproepen tot geweld. Als iemand zegt dat alle homo’s (of alle hetero’s) van het dak gegooid moeten worden, roept hij duidelijk op tot geweld en dan is aangifte op zijn plaats. Ik ben geen jurist, maar in de woorden van Wilders proef ik dat niet.

Toch hebben veel mensen aangifte gedaan tegen Wilders. Ik snap dat mensen zich ongemakkelijk voelen bij zijn uitspraken en ook dat ze die verfoeien. Dat je af en toe een vieze smaak in je mond krijgt, is de prijs die we betalen voor de vrijheid van meningsuiting en zo’n prijs lijkt me niet te hoog. Aangifte doen is een gemakkelijke manier om die vieze smaak kwijt te raken en om aan jezelf en anderen duidelijk te maken dat jij tenminste deugt. Maar iemand verbieden te zeggen wat hij vindt, deugt volgens mij nooit.

In plaats van processen aanspannen kunnen we beter uitleggen waarom we het helemaal niet met Wilders eens zijn; we kunnen op Facebook de pagina ‘Meer Marokkanen’ liken; en we kunnen bij de volgende verkiezingen stemmen op een partij die de ideeën van Wilders afwijst.

Intussen mag Wilders zeggen dat er een hetze tegen hem gevoerd wordt en dat andere politici miezerige mannetjes zijn. Hij heeft de vrijheid om dat te zeggen, wij hebben de vrijheid om er niet naar te luisteren.

(foto: Edwin Nieuwstraten)

dinsdag 25 maart 2014

Naar een einde waar niemand ons bijstaat (Chrétien Breukers) / Tekst (Joris van Groningen)


Van Joris van Groningen had ik nog nooit gehoord. Dacht ik. Ik was dan ook wat verbaasd toen ik zijn boek Tekst op de deurmat vond, samen met het boekje Naar een einde waar niemand ons bijstaat, van Chrétien Breukers. Toch blijk ik een jaar geleden iets over Van Groningen gelezen te hebben. Hij was toen net overleden en Breukers schreef een in memoriam. Het is opgenomen in Tekst en ik herkende de anekdote over commentaar tijdens een interland.

Vrij onbevangen begon ik aan het boek met teksten van Van Groningen. Eerlijk gezegd viel het me niet mee. Het begint met 'Zwemverslagen', die geschreven zijn in Van Groningens kindertijd. Niet onaardig, maar waarom zou ik ze lezen? Daarna volgen er brieven, aan ouders en aan anderen. Ook weer: aardig geschreven, maar inhoudelijk voor het grootste deel niet interessant. Met moeite at ik me door de rijstebrijberg heen.

Toen volgden er ook nog e-mails. Bij elk mailtje staat vermeld dat de afzender Joris van Groningen is. Daarna een hoofdstukje Facebookberichten en dan eindelijk de essays. Die zijn inhoudelijk interessant, maar stilistisch zijn ze vreselijk. In alles wat ik over Van Groningen lees, wordt zijn stijl zo geroemd. Dat snap ik niet. In elk artikel komen rare zinnen voor, foutieve beknopte bijzinnen, verkeerde verwijswoorden.

Alinea's zijn soms een pagina lang, en ze bestaan uit lange, hier en daar ontsporende zinnen. Ik snap dat uit piëteit de artikelen letterlijk overgenomen zijn, zonder ze te redigeren, maar ze hadden gewonnen bij een strenge redacteur. Inhoudelijk heb ik er trouwens niets op aan te merken. Van Groningen heeft zich ingegraven in de materie en zijn analyse is scherpzinnig. Hij is daarbij wel erg serieus. Er kan geen lachje of glimlachje af, wat zijn stukken een beetje dor maakt en dat is jammer.

Aan het eind van Tekst staan nog wat persoonlijke stukken, waarin anderen Van Groningen herdenken. Er zijn heel wat mensen die van hem gehouden hebben. Ook het feit dat Tekst uitgebracht is, is een daad van liefde. Ik denk dat het boek vooral waardevol is voor mensen die Joris van Groningen gekend hebben. Voor anderen staat er te weinig interessants in.

Naar een einde waar niemand ons bijstaat is een mooi boekje. Breukers heeft gekozen voor de dagboekvorm.  Hij verweeft zijn herinneringen aan zijn overleden vriend met reflecties op wat hij aan het lezen is of gelezen heeft, bijvoorbeeld het werk van Hermans. De boeken van Hermans zijn van Van Groningen geweest. Breukers maakt omtrekkende bewegingen: via het werk van Hermans probeert hij dichter bij zijn vriend te komen, wat maar ten dele lukt.Bovendien moet hij na een tijdje bekennen dat hij intussen zoveel van Hermans gelezen dat het werk hem de neus uit komt.

Breukers is goed in het beschrijven van zijn affecties, of dat nu mensen of literatuur betreft. Zo kreeg ik zin om meer te gaan lezen van Boudewijn van Houten, omdat Breukers zo enthousiast over het werk van de man schrijft.

Wel heeft Breukers wat stijleigenaardigheden waar hij net iets te vaak op terugvalt. De drie puntjes bijvoorbeeld, die een denkpauzetje moeten suggereren. Ze komen soms twee keer in een alinea voor. Maar meestal heeft me dat niet erg gestoord.

Het boek van Breukers is een liefdevol boekje. Het is met het dunne kaftje wat flodderig uitgegeven, maar inhoudelijk is het in orde. Aanbevolen!

(foto geratst van de Facebookpagina van Chrétien Breukers)

zaterdag 22 maart 2014

Herinnering aan Holland (Knipoog 29)

Wat zou de bekendste Nederlandse dichtregel zijn? In deze serie knipogen zijn al een paar kandidaten langsgekomen, bijvoorbeeld 'Alles van waarde is weerloos' (hier) en 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat (hier) en (hier). Maar wat te denken van het begin van Marsmans gedicht 'Herinnering aan Holland'?

Herinnering aan Holland
Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een grootsch verband.
De lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.
Het gedicht werd in 1999 uitgeroepen tot Gedicht van de Eeuw. Het is intussen zo bekend dat het al verschillende keren geparodieerd is, bijvoorbeeld door Gerrit Komrij en Michel van der Plas.

Komrij:
Denkend aan Holland
zie ik waardepapieren
snel door begerige
vingers gaan,
rijen op koopwaar
geile batavieren
als zedeprekers
op de kansel staan;
en in de geweldige
bankcatacomben
de tankerdollar
en de krugerrand,
biljetten aan toonder,
bigotte mores,
Menten, Verolme,
in één groot verband.
De lucht hangt er laag
en de geest wordt er langzaam
in parlementarische
dampen gesmoord,
en op alle terreinen
is de stem van de koopman
met zijn ethische krampen
het meest aan het woord.
 Joop Visser zette deze tekst op zijn repertoire.

Michel van der Plas bewerkte Marsmans gedicht tot een ode aan Johan Neeskens.


Het gedicht wordt ook bekend verondersteld bij de gemiddelde krantenlezer. In de bijlage LUX (NRC Handelsblad, 22 maart 2014), die ik meestal alleen maar doorblader zonder iets echt te lezen, trok een krantenkop mijn aandacht: 'Oneindig laagland', boven een artikel van John Jansen van Galen. Meteen werd Marsmans gedicht uit 1936 in mij wakker. 

Het stukje van Jansen van Galen gaat over wandelen langs de rivieren, over de uiterwaarden. En over de veerpontjes waarvan je als wandelaar of fietser gebruik kunt maken. De struinroutes ken ik uit ervaring en ik kan het enthousiasme van Jansen van Galen delen. Wandelen en Marsman, mooier hoeft het niet te worden. 

Bron affiche Neeskens: hier.

Zonder filter (Robert van Raffe)



Pas toen ik al een heel eind gelezen had in Zonder filter van Robert van Raffe ontdekte ik achter in het boek de gele pagina's. 'Index' staat erboven. De drie pagina's, in minuscule letters, leggen uit waarnaar Van Raffe in de loop van zijn boek verwijst, opdat wij de ontleningen, beeldcitaten, verwijzingen en associaties wel op zullen pikken. Je kunt dat zien als een handreiking aan de lezer, maar ook als lichte aanstellerij. Van Raffe vermeldt namelijk de kleinste kleinigheden. Alleen over het omslag vermeldt hij al meer dan tien punten.

Nu is dat omslag ook wel bijzonder. Het boek ziet eruit als een pakje sigaretten. Je hebt het idee dat je het kent, maar die Minotauruskop komt op geen enkel bekend merk voor. Je bent meteen geïntrigeerd.

Als je door het boek bladert, valt meteen op hoe doordacht de vormgeving is. Door het boek heen is er een doorgaande verhaallijn, maar sommige hoofdstukken zijn ook als losse verhalen te lezen. Dat laatste zie je ook aan de vorm: bij het ene hoofdstuk heb je het idee dat je door een schrift bladert, compleet met lijntjes; een ander hoofdstuk ziet eruit als een dossiermap, waarin losse vellen zijn opgenomen; weer een ander hoofdstuk lijkt een boekje waarvan de velletjes aan elkaar geniet zijn.

De hoofdstuktitels verwijzen vaak naar de klassieken: Kirke, Eumenides, Cycloop, Hades, Scylla & Charibdis. De gang van de hoofdpersoon heeft ook wel iets van een klassieke tragische held. In het begin krijgt hij te horen dat zijn vriendin het niet meer ziet zitten met hem. Dat zet de neergang in, die hem uiteindelijk zelfs een tijdje in een inrichting doet belanden. Aan het eind lijkt hij gelouterd; hij is klaar voor een nieuwe episode.

Aan het begin van het boek besluit de hoofdpersoon om een dandy te worden. Het lijkt nauwelijks een bewust besluit, maar meer een opwelling. Daarna cultiveert hij het dandyschap zo goed mogelijk en wordt meer en meer wie of wat hij heeft besloten te worden. Misschien heeft dat wel autobiografische wortels. Wie de site van Robert van Raffe bezoekt, ziet dat hij zich afficheert als 'Dandy Raffe'.

De hoofdpersoon is erg met zichzelf bezig, wat een voortgang van het verhaal wel eens in de weg staat. Van mij had er op verhaalniveau wel iets meer ontwikkeling in mogen zitten. Daar heeft Van Raffe niet voor gekozen; hij wilde blijkbaar een ander boek schrijven.

Wat je ook van Zonder filter vindt, intrigerend is het in ieder geval. De inkleuring van de tekeningen is eigenzinnig. In sommige hoofdstukken is het kleurgebruik terughoudend, in andere is gekozen voor harde kleuren. Vaak komt er groengeel voor, dat misschien het best snotkleurig genoemd kan worden. De inkleuring is soms vlekkerig en heeft soms iets smoezeligs.

Uit alles blijkt dat Van Raffe eigenzinnige keuzes heeft gemaakt en dat is in hem te prijzen. Aan het eind van het boek roept een personage: 'Het begint hier pas! Hoor je me?!' Dat zou ook kunnen gelden voor de auteur. De eerste stap is gezet. Op naar de rest!

Robert van Raffe, Zonder filter
Uitg. Oog & Blik/De Bezige Bij, Amsterdam 2014.
208 blz.  €24,90 gebonden



donderdag 20 maart 2014

Sugar. Leven als kat (Serge Baeken)


Serge Baeken moet wel erg veel van katten houden. Het album Sugar. Leven als kat draait helemaal om katten en bladzijde na bladzijde trippelen de poezen door de plaatjes.

Het zou me niet verbazen als veel in het album autobiografisch is. We zien een jong gezin, dat in de loop der jaren uitgebreid wordt met een aantal kinderen. En er is altijd minimaal een kat. Al die katten hebben een eigen hoofdstuk gekregen, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de kat Sugar.

Elke bladzijde is verdeeld in vier bij zes dus vierentwintig vierkante plaatjes. De ruimte tussen die plaatjes is zwart ingekleurd. Soms wordt het verhaal in allemaal kleine plaatjes verteld, soms worden verschillende kleine plaatjes samen een grotere afbeelding. Baeken varieert daar vernuftig mee. Soms lijkt een grote afbeelding achter een stel kleine door te lopen.

Verder zijn er mooie perspectiefwisselingen. Hieronder zien we bijvoorbeeld een doos, die met tape is dichtgeplakt. In die doos zit een kat. De plaatjes erna zitten we als lezer in de doos en kijken we met de kat mee door de opening aan de bovenkant.


Doordat het perspectief soms per plaatje verspringt, kan een ruimte uit verschillende gezichtspunten beschreven worden. Het lijkt dan of we als lezer met de kat meebewegen en meekijken.

Alle plaatjes zijn getekend in een mooie, heldere stijl. Die vestigt niet meteen de aandacht op zich, omdat wat verteld moet worden zo op de voorgrond staat. Maar juist door die heldere stijl komt het verhaal duidelijk op ons over.

Helemaal aan het eind staat een 'Poes Scriptum', waarin nog teruggeblikt wordt op het voorafgaande. Zo wordt het album op een fraaie manier afgerond. Daarvoor staat het enige hoofdstuk dat me teleurstelde. In dat hoofdstuk is de pagina in vier plaatjes verdeeld. Op elk plaatje is een opengeslagen boek afgebeeld, met een afbeelding en een rijmpje.

Eigenlijk snap ik niet goed waarom dat hoofdstuk opgenomen is. Er wordt in woorden nog eens verteld wat we allemaal al op de afbeeldingen hebben kunnen zien. Was Baeken bang dat ons wat ontgaan was? Inhoudelijk voegt het eigenlijk niets toe.

Daarbij komt dat de tekst bestaat uit erbarmelijke rijmpjes als: 'Na de verhuis naar een huis bleef de kater graag binnen / Aan straten en tuintjes wilde hij niet beginnen.' Zo keutelt de tekst verder. Mijn aandacht zakte zo in, dat ik werkelijk moeite moest doen om het hoofdstuk uit te lezen.

Jammer dat een boek dat verder goed is, ontsierd wordt door zo'n slap hoofdstuk. Een strenge redacteur had hier in moeten grijpen. Kattenliefhebbers en Baekeliefhebbers zal het niet weerhouden om het boek te gaan lezen. Terecht. Maar toch..

SUGAR. Leven als kat. – Serge Baeken
BLLOAN/hardcover+wikkel/80P/€ 16,95



zaterdag 15 maart 2014

Johan Cruijff. Van straatjochie tot voetballegende (Rudi Jonker)


Johan Cruijff is de beste voetballer die Nederland ooit gehad heeft. Denk ik. Maar ik ben dan ook opgegroeid in de tijd dat Cruijff zijn triomfen vierde.

De laatste tijd is er veel Cruijff. Op tv is wekelijks de serie Johan zien, die heel aardig is, vooral ook doordat er gebruik gemaakt is van authentieke beelden. Cruijff wordt gespeeld door verschillende acteurs, maar voor de acties op het veld zien we de echte Cruijff, zoals we ons hem graag herinneren.

De fictie is door de tv-serie geweven: we zien Cruijff bijvoorbeeld in gesprek met Petrus. 'Ik kan wel merken dat jij geen verstand van voetballen hebt', krijgt Petrus te horen. De voormalige stervoetballer wilde trouwens niet meewerken aan de serie, dat komt een paar keer uitdrukkelijk in beeld.

Aan het stripboek Johan Cruijff. Van straatjochie tot voetballegende verleende hij wel zijn medewerking. Ik heb een foto gezien waarop hij met het stripboek in zijn hand staat en achterop staat een citaat van de meester: 'Er is al veel over mij gezegd en geschreven, maar deze strip laat echt zien waar ik vandaan kom'.

Net als in de tv-serie is gekozen voor het werken met flashbacks. In 2014 wordt in Betondorp in de Watergraafsmeer een zogeheten Cruijff-court geopend. Daarbij wordt Cruijff aangeschoten door twee jongetjes die hem het een en ander willen vragen. Hun vertelt hij over zijn jeugd.

Verder dan die jeugd gaat het niet. Het verhaal eindigt bij de dood van Johans vader. Dus het debuut van Cruijff in het eerste van Ajax en later in het Nederlands elftal, de triomfen bij Barcelona, de vreselijke afscheidswedstrijd, het spelen bij Feyenoord: dat is een ander boek.

Nou ja, achterin staan nog wat foto's, waarop we Johan zien als hij met de groten mee mag doen, maar dat is het dan. De ondertitel, die suggereert dat we ook het een en ander te lezen krijgen over de legende Cruijff is dan ook wat misleidend. Bij het openen van het voetbalveldje is Cruijff natuurlijk nog steeds de legende, maar verdere legendarische acties krijgen we niet te zien. Misschien komt dat nog. Er zouden meer delen kunnen volgen.

De naam Rudi Jonker komt alleen voor op de voorkant van het boek; een titelpagina is er niet. We moeten ervan uitgaan dat zowel het scenario als de tekeningen van hem zijn. Dat scenario zit stevig in elkaar en de tekeningen zijn ook in orde. De bewegingen van de personages zijn soepel en de decors zijn over het algemeen vrij sober gehouden. Daardoor zijn de tekeningen helder en is het verhaal gemakkelijk te volgen.

Er zitten enkele leuke vondsten in het boek. Zo ontmoet Johan zijn latere vrouw Danny al als ze nog maar een klein meisje is. Veel van de uitspraken waarom Cruijff later beroemd of berucht zal worden (Je ziet het pas als je het doorhebt. Elk nadeel heb zijn voordeel) worden zijn vader in de mond gelegd.

Het stripboek is te koop bij Kruidvat, maar is daar ook te krijg, bij aankoop van twee actieproducten, waarvan het goedkoopste € 0,99 kost.


Titel: Johan Cruijff. Van straatjochie tot voetballegende
Scenario en tekeningen: Rudi Jonker
Uitgever: W Publishing
32 blz., softcover, gratis bij aankoop van twee actieproducten

vrijdag 14 maart 2014

applaus vanuit het donker (Hélène Gelèns)


Misschien wordt het wel een trend, titels zonder hoofdletters. Onlangs besprak ik een bundel van Hannah van Wieringen waarvan de titel niet met een hoofdletter begon en nu heb ik applaus vanuit het donker van Hélène Gelèns voor me liggen, ook weer zonder hoofdletter.

In de hele bundel zijn de hoofdletters en de leestekens weggelaten. Ook namen, bijvoorbeeld Pythagoras, schrijft Gélèns met kleine letter en zelfs de apostrofs heeft ze gewied. Zo hier en daar is er iets van interpunctie blijven staan, bijvoorbeeld in het gedicht 'Het applaus van Pythagoras' en wat uitroeptekens in 'Wat ons toevalt'. Die titels hoor ik dan ook niet met hoofdletters te schrijven. In de bundel staan ze in kleine kapitalen.

Achter op de bundel staat een vreemd citaat van Arie van den Berg. De eerste regel ervan: 'Zo klinkklaar als de gedichten van Hélène Gelèns bij het eerste oogcontact schijnen, zo betekenisvol worden ze bij herlezing.'
In de eerste plaats kunnen volgens mij gedichten zowel klinkklaar als betekenisvol zijn en ten tweede vind ik de gedichten van Gelèns helemaal niet klinkklaar, ook niet bij eerste lezing, laat staan bij het eerste oogcontact.

Ik heb juist het idee dat de gedichten me altijd een beetje blijven ontglippen, dat ik ze nooit helemaal onder controle krijg. Er zijn maar een paar gedichten die zich op een vrij traditionele manier laten lezen, zoals 'Kruinen blazen I'. Dat gedicht lees ik en denk ik te begrijpen. Veel andere gedichten begrijp ik niet of niet goed, maar dat blijkt geen bezwaar. Daar lijkt het ook niet om te gaan.

Gelèns lijkt me elke keer weer onder de neus te willen wrijven dat een gedicht van taal is gemaakt. Het zijn maar woorden en die woorden roepen weer andere woorden op. Per afdeling lokt het ene gedicht dan ook vaak het andere uit. De serie 'Hoe bloot' cirkelt om een handvol woorden die steeds op een andere manier gecombineerd worden (gonzen, laarzen, aanvinken, groen).

Zo'n serie lijkt op een onderzoek. Wat kun je met de woorden doen? Welke betekenissen roepen ze op? Hoe rekbaar zijn ze?  In het gedicht 'Onraad' komt een riek voor:
een blubbervloer de linkervoet bloot de rechter op slipper
linksvoor een rechterlaars in rubbergroen
middenvoor grijs stalen riektanden
rechtsvoor een linkerlaars in rubbergroen
- de riek zwiept uit zicht
Maar als er een riek is, kun je die ook ontkennen. In gedachten kan alles: 'je verwacht een riek / bedenk een niet-riek een onriek iets ariekaals.'

Die klanken openen meteen de ramen voor associaties:
onriek nietriek ariek
onrieknietriekarie
konrie knietrie karie
panie knietrie porie
Die strofe komt terug als de beginstrofe van het volgende gedicht, 'Arieklied'. Dat doet Gelèns vaker: het ene gedicht duikt gedeeltelijk of in zijn geheel op in een ander gedicht. Het gedicht is niet massief, onveranderbaar. Het is een bonk klei dat je kunt vervormen of waarvan je een stukje af kunt plukken en op een andere bonk plakken.

Het lezen van applaus vanuit het donker is een spannende aangelegenheid. Aan de ene kant volg je braaf de grillige en tegelijkertijd doordachte lijnen van Gelèns en aan de andere kant moet je ook zelf flink aan het werk. Je ontkomt namelijk niet aan je eigen associaties.

Voortdurend morrelt de dichteres aan de wetten van het gedicht. Sommige gedichten lijken een wedstrijdje tussen de kolommen waarin ze geplaatst zijn, andere zijn zo op de bladzijde geplaatst dat ze op een sluierstaart lijken, of een diabolo, of een cirkel die de zon zou kunnen zijn, maar ook de aarde. 'Visies op vis III' bestaat uit een rechthoek die grotendeels gevuld is met de herhaling van het woord 'haai', waarbij er geen ruimte tussen de woorden gelaten is. Af en toe staat er een ander woord of zinsgedeelte tussen de haaien. Daarbij is wel wit tussen de woorden gelaten.

Ik betrapte me erop dat ik het wit tussen de woorden aan het 'lezen' was, om te kijken of ik daarin een patroon kon ontdekken, bijvoorbeeld een haaivorm. Maar door het water heen kun je natuurlijk niet precies zien wat er zwemt. Op deze manier heb ik nog niet vaak naar een gedicht gekeken. Na een tijdje turen verandert 'Visies op vis III' vanzelf in een zwembad vol haaien.

Laat ik eindigen met een gedicht uit de serie 'Vanuit het donker'. In elk gedicht wordt het licht of het donker op een andere manier 'belicht'.
tegenwoordig licht tegenwoordig donker
wat zich blootgeeft
wat zich verstopt
onberekenbaar donker openbrekend licht
al wie preekt dat het kwaad in het duister huist
lach ik weg, ha! geef angstzaaiers geen spreektijd
voor je het weet is je vrijheid van dwalen beperkt
toch, als ik 's nachts huiswaarts been en het stil is op straat
versnelt mijn hartslag zich steevast in duistere tunnels
en als bij thuiskomst de deur op een kier staat
het ganglicht niet aanfloept de deurbel niet zoemt
treed ik roepend en stampend het huis binnen
verjaag ik bonzend op deuren de bons in mijn keel
Het kwaad huist niet per definitie in het duister en toch merkt de 'ik' dat bij duister wel de gedachte aan kwaad opduikt en dat haar lichaam daarop ook reageert. In de laatste regel 'rijmen' het bonzen in haar keel en het bonzen op de deur op elkaar. In andere gedichten kan dat bonzen zomaar weglopen met het gedicht, maar dat gebeurt niet. De hele serie is overigens nogal beheerst, vergeleken met de rest van de gedichten.

Of ik alle gedichten in applaus vanuit het donker goed vind, weet ik niet zo precies, maar ik geloof dat ik dat ook niet zo belangrijk vind. De zoektocht in de bundel is bijzonder boeiend. Daar laat ik me graag door meeslepen.

Hélène Gelèns, applaus vanuit het donker.
Uitg. Cossee, 64 blz. € 16,90

donderdag 13 maart 2014

Een mooie jonge vrouw (Tommy Wieringa)


Dit zijn de namen is een van de beste romans die ik de laatste jaren gelezen heb. Daarom was ik nieuwsgierig naar wat Tommy Wieringa van het boekenweekgeschenk gemaakt had. Hij heeft zich daarvoor natuurlijk beperkingen op moeten leggen, omdat zo'n boekje nu eenmaal niet te dik mag worden.

Voor ik eraan begon, had ik al wat recensies gelezen, die meestal behoorlijk positief waren. De titel, Een mooie jonge vrouw maakt al wat duidelijk: de viroloog Edward Landauer slaat een mooie, jonge vrouw (Ruth) aan de haak. Zij is pas achtentwintig, hij al in de veertig. Later zal hij ook nog vreemd gaan met een nog jongere vrouw, Marjolein. In sommige recensies werd de passage geciteerd waarin Wieringa schrijft dat het bezit van een mooie jonge vrouw alleen te verdragen was door een nog jongere minnares te nemen. Dat herstelde het evenwicht.

Wieringa schrijft dat dat pas achteraf voor Edward duidelijk wordt. Verder lijkt het ook nauwelijks een rol te spelen. We krijgen wel wat aanwijzingen dat het verval bij Edward duidelijk heeft ingezet, maar verder lijkt me het leeftijdsverschil niet het grootste probleem.

Edward en Ruth krijgen een baby en dat blijkt een huilbaby te zijn. Ruth heeft zich in het hoofd gehaald dat Edward daar de oorzaak van is; de baby verdraagt hem niet. In hoog tempo groeien de verse ouders uit elkaar.

Ruth is vegetariër, Edward doet proeven met dieren. Ruth spreekt het vermoeden uit dat Edward niet weet wat pijn is. Hij kan immers door een kippenstal lopen zonder dat hij iets voelt. Dat begint wel te malen in Edwards hoofd en veel zaken die vanzelfsprekend waren, zijn dat niet meer. Misschien heeft Ruth wel gelijk.

Edward herinnert zich hoe hij ooit als kind een mestkip redde. Hij plaatste de kip bij een stelletje scharrelkippen, maar de kip bleek daar niet voor toegerust. In die tijd had Edward nog deernis met een dier, een gevoel dat hij intussen is kwijtgeraakt. Misschien is Edward ook wel zo'n niet gesocialiseerde kip, net als de broer van Ruth, die zijn huis uit moet en in een vakantiehuisje leeft.

Een mooie jonge vrouw is een aardig boek. Ruth komt niet zo heel erg uit de verf en blijft wat schematisch en dat is jammer. In bijna het hele boek zitten wij in het hoofd van Edward en hem leren we dus het best kennen. Wieringa kon dat niet helemaal volhouden en bij een gesprek tussen Ruth en Friso wordt het perspectief verlegd naar Ruth. Dat komt een beetje over als een noodgreep.

In een boekenweekgeschenk is de schrijver beperkt. In een echte roman had Wieringa er ongetwijfeld meer van gemaakt en had hij niet van die grote passen genomen om snel thuis te zijn. Misschien is het jammer dat die roman niet door Wieringa geschreven is. Maar er is nu wel een boekenweekgeschenk, dat als zodanig zeker voldoet.



Eerder besteedde ik aandacht aan:
Dit zijn de namen
Portret van een heer

zondag 9 maart 2014

De koeienschetser (Aan de deur 7)


Al eerder in deze serie jeugdherinneringen werd ik geconfronteerd met de verregaande onbetrouwbaarheid van het geheugen. Gelukkig zijn er altijd anderen die me kunnen corrigeren.

Ook bij het terugdenken aan de koeienschetser misleidde mijn geheugen mij. Ik zie mijzelf staan in het weitje achter ons huis, bij de groene, metalen buizen van het hek. Wij zeiden trouwens 'het hekken' en terwijl ik dit typ vraag ik mij al af of het hek wel groen was. Aan het touw (het halster, dat wij het 'helster' noemden) een jong rund ('een pink') van een jaar oud, dat ik rustig probeer te houden, zodat de koeienschetser zijn werk kan doen. Sinds gisteren weet ik dat dat niet klopt.

Eens in de zoveel tijd belde mijn vader de koeienschetser. Van een oom hoorde ik dat bij hem de naam Lamers  hoorde, van mijn broer de naam Janssen, uit Elst. Mij was geen naam bekend. Ik kende hem alleen als 'de koeienschetser'. Van zijn verschijning heb ik ook maar vaag een beeld, hoewel ik hem verschillende keren heb meegemaakt. Droeg hij een hoedje en een stofjas? Dat zou kunnen, maar ik ben er niet zeker van. Zo'n stofjas noemden wij waarschijnlijk 'martjas', omdat mijn vader die altijd aan had als hij naar de veemarkt in Den Bosch ging.

De schetser had een onderlegger van hardboard bij zich waarop hij de nog oningevulde schets had vastgeklemd. Op die schets stonden twee afbeeldingen van een rund, een keer van de linker- en een keer van de rechterzijde. In dat rund moest de schetser de vlekken tekenen. Verder moest hij opschrijven welke kleur het rund had, bijvoorbeeld ZB (zwartbont) of MRIJ, dat stond voor Maas, Rijn en IJssel en dat stond weer voor roodbont. Of er voor een blaarkop een andere afkorting bestond, weet ik eigenlijk niet.

Gisteren bezorgde mijn broer, Marinus, mij zo'n schets. Zie de afbeelding hierboven. Meteen verkruimelt mijn herinnerde beeld. Op de schets staat namelijk dat het rund helemaal niet een jaar oud was, maar slechts twee maanden. Een flink kalf, veel meer is het niet geweest.

Een schets was het identiteitsbewijs voor het rund. Een nuchter kalf kon zonder papieren verkocht worden. Daarna ging de schets altijd met het rund mee. Vandaar waarschijnlijk ook dat er nog zo weinig schetsen zijn. Mijn broer moest lang zoeken, voordat hij er eentje gevonden had. Bij een koe die geslacht werd, ging de schets mee naar de slachter. Dat de schets van dit rund er nog is, kon wel eens een tragische oorzaak hebben. Het zou kunnen betekenen dat het dier doodgegaan is.

Op de schets staat 'G.D.-schets'. Dat 'G.D.' zal wel staan voor Gezondheidsdienst. De carbondoordruk heb ik ook. Daarop staat 'Bedrijfsschets'. Verder staat er boven aan de schets het 'levensnummer'. Dat zal dan wel het nummer zijn geweest op het oormerk van het rund. Oormerken waren toen nog niet die wanstaltige gele schilden die runderen nu in hun oren dragen; het waren blikken voorwerpen, langwerpig van vorm, bescheiden van afmeting. Slechts in één van de oren werd een blik bevestigd.

Had de schetser die blikken bij zich en blikte hij het rund als hij het geschetst had? Het zou kunnen, maar ik weet het niet meer. Wel zie ik nog de driehoekige, kartonnen staaf voor me waarop de blikken zaten, die de blikker nog moest aanbrengen.

Het was de bedoeling dat zo'n blik levenslang meeging, maar vaak genoeg gebeurde dat niet. Een rund kon ermee blijven haken aan het prikkeldraad of ergens anders aan en dan scheurde het blik uit het oor. Bij een volwassen rund was het blikje ook slecht te zien, door de haren op en in de oren.

De schetser deed zijn werk altijd vrij vlot. Ik had bewondering voor de snelheid waarmee hij zijn schets kon maken. Altijd klopte het precies. De schets hierboven werd gemaakt door ene IJkhout, zie ik.

Aan dit rund heeft hij niet heel veel werk gehad: het was grotendeels zwart, met weinig kleine vlekken. Voor op de kop had het een witte kol. Kollen en blessen kwamen het meest voor, maar er waren ook wel runderen met een geheel zwarte, rode of witte kop. Volgens mij hadden wij een koe die we 'de zwartkop' noemden, wat wil zeggen dat een kop zonder kol of bles toch een uitzondering geweest moet zijn.

Later ging mijn vader ook 'jersey's' melken, die gaven wat minder melk, maar hun melk had een hoger vetgehalte. Ik denk dat we er nooit meer dan drie gehad hebben en dat het eigenlijk ook niet meer dan een soort hobby van mijn vader was. Mijn moeder en wij, de kinderen, vonden de dieren mooi: ranke poten, zwarte hoeven; net hertjes.

Bij het zoeken van foto's van die dieren op internet, kwam ik vooral exemplaren met gele oormerken tegen. Die had ik liever niet gehad, maar het is nu eenmaal zo. Ik koos een foto van een dier dat in ieder geval horens heeft. Zoals mijn tante Met al ooit zei: de horens zijn het sieraad van de koe. Jammer genoeg zien we tegenwoordig veel koeien zonder horens.

jersey-koe
Bij jersey's had de schetser het gemakkelijk: zo'n dier had immers geen vlekken. Zou de introductie van dit soort rassen het afschaffen van het schetsen in de hand gewerkt hebben? Ik kan me voorstellen dat twee jersey's eigenlijk niet uit elkaar te houden zijn als de oorblikken weg zijn. 

De schets die ik van mijn broer kreeg, zat in een zakje. Daarin zat ook nog  een verklaring, 'afgegeven door de stichting Gezondheidsdienst voor Dieren'. Met dat bewijs mocht het rund vrij vervoerd worden tot en met 24 november 1991, omdat het op 15 januari van dat jaar ingeënt was tegen mond- en klauwzeer. 

Het zakje is jammer genoeg beschadigd. Op het zakje staat wat er bij vervoer van het rund in moet zitten. Met een beetje gokwerk kom ik tot: de twee schetsen (de bedrijfsschets en de G.D.-schets) en een geneeskundige verklaring. De papieren zijn dus compleet. 

Verder staat er op het zakje: 
Leg de bedrijfsschets, met het levensnummer naar voren, boven op de gezonheidsdienstschets en bevestig deze aan de andere bescheiden met behulp van een nietachine. De koper van dit rund dient de voorzijde van de verklaring in te vullen en deze tesamen met de gezondheidsdienstschets binnen drie dagen in te leveren.
Op de achterzijde van de bedrijfsschets dient de koper zijn naam en bedrijfsnummer in te vullen en deze op te bergen in de bedrijfsmap.
Het zakje waarin de schetsen bewaard moesten worden

Dat je niet 'tesamen' moet schrijven, maar 'tezamen' was bij de overheid blijkbaar niet bekend. Er ging wel vaker wat mis. De papieren van runderen werden niet altijd meer gecontroleerd. Op 1 december 1986 stelde het VVD-kamerlid Blaauw er vragen over. Zie hier. De minister, Braks, antwoordde: 
In verband met prioriteit van andere controleprojecten heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) minder tijd aan de controle van runderschetsen en de daarbij behorende verklaringen bij de aanvoer van runderen op veemarkten besteed. De verminderde controle had tot gevolg dat steeds meer runderen zonder de vereiste bescheiden op de veemarkt kwamen. Sinds 1 januari 1987 controleert de AID weer op alle veemarkten op de naleving van de Verordening bestrijding runderziekten en de Verordening identificatie en registratie bij de verhandeling van runderen.
Op 1 oktober 1991 werden de gele oormerken ingevoerd. Of daarmee de schetsen verdwenen, is mij niet bekend, maar ik vermoed dat ze het daarna niet lang meer volgehouden hebben. Al op 22 oktober werden over de invoering kamervragen gesteld door Bas van der Vlies (SGP) en Ria Beckers (Groen Links). Ze vroegen de minister of de invoering problemen had opgeleverd en of kalveren meteen na de geboorte al geoormerkt moesten worden. Kon dat ook later?

De antwoorden kwamen van staatssecretaris Gabor. De oormerken waren voor de invoering al uitgeprobeerd. Dat had zeshonderd vragen en klachten opgeleverd. Na de invoering waren er maar weinig klachten geweest. Wel hadden sommige kalveren last gehad van ontstoken oren. De oormerken dienden hoe dan ook binnen drie dagen aangebracht te worden.

Tegen de oormerken wordt nog altijd verzet gevoerd door een klein groepje veehouders, maar dat is een ander verhaal. Het beroep van koeienschetser zal intussen wel verdwenen zijn. 

vrijdag 7 maart 2014

Zo was het (Ina van der Beugel)


Nog niet zo lang geleden schreef ik een stukje over een boekje van Jacquelientje Plof, die eigenlijk Ina van der Beugel heette. Aan het eind schreef ik dat ik een boekje van Van der Beugel zeker zou kopen als ik het tegenkwam en dat ik het ook ging lezen.

Sinds internet is het niet zo moeilijk meer om een boek ergens tegen te komen. Intussen heb ik het boekje Zo was het in mijn bezit en natuurlijk heb ik het gelezen. De volledige titel is: Zo was het. Herinneringen uit de tijd van pijpekrullen, griffeldoos en kolenkit. Toen het boekje verscheen (1993), liep Van der Beugel tegen de tachtig.

Van der Beugel werd geboren in 1915 en ze schrijft over de jaren twintig. In die tijd zag ze er zo uit. In veel stukjes signaleert ze wat er allemaal veranderd is. In Van der Beugels jeugd hielden dames bijvoorbeeld hun hoed op als ze op ziekenbezoek kwamen en je kreeg maar één keer in de week schoon goed.

Dat laatste is volgens mij nog lang gebleven. Van der Beugel legt een verband tussen het je dagelijks verschonen en de introductie van de wasmachine. Daar kon wel eens wat in zitten. Ook legt ze verband tussen het niet meer dragen van een hoed (door dames) en het besturen van een auto. Toen de dames gingen chaufferen, verdween de gewoonte om hoeden te dragen.

De schrijfster groeide in luxe op. Zo had het ouderlijk huis al centrale verwarming. Elke avond kwam er een stoker langs om ervoor te zorgen dat alles warm bleef. Ook had het gezin een ijskast, waarvoor wekelijks een grote staaf ijs werd gebracht.

Verschillende keren noemt Van der Beugel zaken waar ik nog nooit van gehoord had. Bijvoorbeeld als ze het heeft over de ijsbaan:
Op die grote baan had je mannen die -in blauwe overalls gestoken en het hoofd bedekt met een genummerde pet - beschikbaar waren om, tegen vergoeding, mee te rijden. Mijn moeder werd daar geregeld mee gesignaleerd, maar als ze ons bespeurde, had ze de neiging een eind aan dat gehonoreerde samenzijn te maken en een van haar kinderen aan te roepen. 
 Van dames die tegen betaling met je dansen, had ik wel eens gehoord, maar niet van mannen die je inhuurt om met je te schaatsen. Weer wat geleerd. Niet altijd is Van der Beugel betrouwbaar. Zo schrijft ze dat 42 procent van de bevolking linkshandig is. Waar zou ze dat vandaan hebben? Als linkshandige weet ik dat het percentage in de buurt van de 10 zit.

Wie op hoge leeftijd jeugdherinneringen noteert, kan trappen in de val van het verheerlijken van vroeger. Dat doet Van der Beugel meestal niet. Wel kan ze foeteren, omdat mensen 'doei' zeggen of zeggen dat iets 'klopt'. Dat laatste verwonderde me. Nooit eerder las ik dat iemand dat ergerlijk vond.

Vroeger at iedereen tussen zes en zeven, volgens Van der Beugel. Op die tijd werd je dus niet gebeld. Nu de vaste etenstijd verdwenen is, weet je niet meer wanneer je iemand veilig kunt bellen en je kunt op de gekste tijden gebeld worden. In de beschrijving daarvan proefde ik wel een zekere weemoed.

Zo was het is maar een dun boekje, 72 bladzijden, twintig stukjes. Ze zijn vrij ingetogen van stijl en vooral aardig vanwege het kijkje dat we krijgen in een tijd die lang voorbij is. Ik heb ooit de herinneringen van Maurits Dekker gelezen, die bijna twintig jaar ouder was dan Ina van der Beugel. Ook Amsterdam bij gaslicht is een aardig boek. Dekker is volkser en beschrijft andere zaken dan Van der Beugel die duidelijk uit een gegoede familie komt. Van der Beugel beschrijft dus hoe de dansles ging, hoe het was op de tennisbaan en wat een privé-chauffeur de hele dag deed. Dat lees je niet bij Dekker. Maar aan beide boeken heb ik plezier beleefd.

Portret op de achterkant van Zo was het

woensdag 5 maart 2014

Vervlochten grenzen (Marion Bloem)


Net toen ik mij afvroeg of Marion Bloem nog wel eens wat schreef, zag ik in een aankondiging dat er een reisboek van haar uitkomt en dat het haar tweede is. Over Java of Sumatra, geloof ik. Ze schrijft dus nog.

Eerlijk gezegd heb ik de carrière van Bloem het laatste decennium niet zo gevolgd, hoewel ik haar werk wel sympathiek vind. Met haar debuut, Geen gewoon Indisch meisje (1983), werd ze in één klap beroemd. Ik vond het een heel aardig boek, waarin de hoofdpersoon opgesplitst werd in twee personages: de Indische kant en de Nederlandse kant.

Ik kan het mis hebben, maar volgens mij hebben al Bloems boeken van daarna mindere verkoopcijfers dan het boek uit 1983. Dat is jammer, want ze heeft een aantal goede boeken geschreven. Haar tweede roman, Lange reizen, korte liefdes (1986) was een misser. Ik heb het indertijd gerecenseerd voor een klein, Vlaams tijdschrift, 't Kofschip.

Het boek dat daarna verscheen, Rio (1988), was beter, maar haar beste boek moest Marion Bloem toen nog schrijven: Vaders van betekenis (1990). Na dit vaderboek schreef ze ook nog een goed moederboek: De leugen van de kaketoe (1993). Zo rond die tijd ben ik naar een literaire avond geweest, waar voornamelijk vrouwen aanwezig waren, van leesclubleeftijd. Het was een onderhoudende avond. Het stapeltje boeken dat ik bij me had, werd door Bloem gesigneerd. Ze had een handtekening die de ruimte nam.

Hoewel ik het werk van Bloem met plezier las, kwam er daarna niet veel meer van het lezen ervan. Ik heb Vliegers onder het matras (1990) nog gelezen en dat was het dan. Twee jaar geleden werd haar boek Een meisje van honderd hier en daar nog besproken, maar ook dat boek heb ik overgeslagen. Eigenlijk heb ik haar latere werk zonder aanleiding veronachtzaamd.

Ergens zag ik goedkoop Vervlochten grenzen (2009) liggen en dat heb ik toen maar gekocht. En gelezen dus. Marion Bloem schrijft weer over Nederlands-Indië en dat geeft niets, want daar is ze goed in. Maar ook het moderne Indonesië komt in het boek voor.

De belangrijkste persoon is Senne, een meisje van bijna achttien. Haar volgen we het meest in het boek. Maar de meeste indruk maakt haar opa Portier, oud-lid van het KNIL. Opa heeft zijn geschiedenis, die in het boek 'fictie' heet, opgeschreven. Het geeft een prachtig beeld van iemand die oog had voor de belangen van beide kanten, die weigerde om iemand slecht te behandelen, alleen maar omdat hij aan de andere kant stond.

Bloem schetst ook een mooi portret van het echtpaar Portier: de dominante oma is soms radeloos in de laatste tijd van opa's leven. Hij moet verzorgd en verschoond worden. Hoezeer de twee echtelieden soms tegenover elkaar hebben gestaan, je merkt hun verbondenheid.

Het is maar één verhaallijn in het boek. Er speelt ook nog iets rondom de dood van de vader van Senne. Stierf hij op het moment dat hij zijn vrouw aan het bedriegen was? Bloem kiest ervoor om de verhalen door verschillende stemmen te laten vertellen. Je merkt hoe de verschillende levens door de verschillende generaties heen met elkaar vervlochten zijn. Zowel de personages als de vertellers pendelen tussen Nederland en Indonesië.

Dat zit allemaal wel goed in elkaar, geloof ik, al deed niet alles mij evenveel. Mij zal voornamelijk het verhaal van de grootvader bijblijven, die niet gekozen heeft voor de loop die de geschiedenis heeft genomen. Zelfs voor zijn vertrek naar Nederland koos hij niet zelf: vooral zijn vrouw wilde het. Desondanks probeert hij er het beste van te maken.

Ik zou Marion Bloem wel een prominentere plaats in onze literatuur gunnen, maar soms lopen zaken nu eenmaal anders. Ik heb hetzelfde gevoel als ik de boeken van Fleur Bourgonje lees. Ook zij debuteerde met een boek dat uitstekend werd ontvangen. Ze heeft intussen een mooi oeuvre bij elkaar geschreven en dat zou bredere aandacht verdienen.

Bloem zal wel prima reisboeken kunnen schrijven, maar ik wil ook nog wel eens een goede roman van haar lezen. Hopelijk blijft ze ook die schrijven. Ik denk dat ik Een meisje van honderd maar eens ga kopen.