vrijdag 17 mei 2013

De laatkomer


In de boeken van Dimitri Verhulst zijn enkele dingen altijd wel in orde. Ten eerste heeft het boek een toon. Die toon geeft de indruk dat je naast de verteller aan de bar zit. En ook als je alleen maar in je glas staart, kun je uit die toon wel opmaken wat voor persoon er naast je zit.

In De laatkomer is Desiré Cordier naast ons aan de bar geschoven. Hij heeft heel wat op zijn lever en dat zal hij ons wel even komen vertellen. Over het verzorgingstehuis bijvoorbeeld, waarin hij zich heeft laten opnemen. Of over zijn huwelijk met Moniek, waar weinig goeds aan is. We kunnen niet anders dan luisteren. Desiré vertelt dan bijvoorbeeld:
Het zuur van mijn urine is ermee begonnen mijn billen aan te vreten en ik moet zeggen: mij zijn aangenamere sensaties bekend. De zalfjes die ronde Sonja en Aïscha dagelijks tussen mijn billen strijken terwijl ze kletsen over het appetijtelijke lijf van de vertegenwoordiger van Kukident kleefpasta die zijn producten aan dit tehuis hier slijt, verzachten geen knijt.
Ook het idee van de roman deugt bij Verhulst eigenlijk altijd wel. Neem nu zijn bekroonde boek Godverdomse dagen op een godverdomse bol, dat zo'n beetje de hele wereldgeschiedenis beschrijft, vanaf de evolutie in nog geen tweehonderd pagina's (schat ik).  De mens is daarin niet meer dan een 'het'. Een origineel idee.

Maar met een toon en een idee ben je er niet. Bij het Godverdomse-bolboek had ik het na een tijdje wel gezien. Leuk om te lezen, hoor, en die persoonlijke verteltoon houdt je wel bij de les, maar dat is halverwege niet meer verrassend. Het boek ging verder volgens het patroon dat ik al had leren kennen.

Bij De laatkomer is iets soortgelijks aan de hand. Het idee is geweldig: een man probeert te ontsnappen aan zijn huwelijk door dementie te simuleren. Dat valt nog niet mee: je hebt er een lange adem voor nodig, want je moet met kleinigheden beginnen en de verergering moet je doseren, anders val je door de mand en is alles voor niets geweest. In het verzorgingshuis moet Desiré in ieder geval een paar keer per week in zijn luier poepen en hij moet leren om op de juiste manier te kijken. Dement zijn is best een klus.

De structuur is ook uitgekiend. Van tijd tot staat er een zin die verwijst naar het spelletje 'Ik ga op vakantie en ik neem mee':
Ik steek de Styx over en ik neem mee: een tube tandpasta (voor de zottigheid), een verdwaald citaat van Joseph Roth, de wondere herinnering aan een innige kus die ik evenwel nooit heb gekregen, broodkruimels, een schonere troost dan deze die kon vinden in een boule de Berlin...
De zin groeit in de loop van het boek. Soms is meteen duidelijk waarnaar een nieuw stukje zin verwijst, soms wordt dat pas later in het boek helder.

Verhulst wisselt de scènes in het verzorgingshuis af met herinneringen aan de tijd ervoor, de aanlooptijd naar zijn opname. In het tehuis maakt Desiré schrijnende dingen mee, bijvoorbeeld iemand die een groot deel van de nacht ligt te roepen. Omdat hij geacht wordt dement te zijn, kan hij niet ingrijpen of het personeel attent maken op zijn lijdende medepatiënt.

Over het algemeen wordt dat personeel overigens redelijk mild beschreven. Er is wel een tekort aan personeel. Ach ja, de bezuinigingen. Sommige medepatiënten kunnen op minder begrip rekenen, zoals de de man die door Desiré Kampcommandant Alzheimer wordt genoemd. Hij is altijd weggekomen met wat hij in de oorlog heeft gedaan en Desiré vindt dat dat lang genoeg geduurd heeft.

En dan is er nog Roza. Als puber nam Roza Rozendaal Desiré ooit mee naar buiten, hem alle kansen biedend, waar hij trouwens geen gebruik van maakte. Nu zit zij in Huize Winterlicht en voor Desiré is dat een extra reden om te zien of hij daar binnen kan raken. Ook deze verhaallijn, sleept je wel door het verhaal heen.

De laatkomer heeft veel mooie passages, zoals het laatste bezoek van de dochter van Desiré. Die voelt aan dat zij na dit bezoek niet meer bij hem langs zal komen, omdat ze denkt dat hij haar toch niet meer herkent. Hoewel ze vermoedt dat hij er niets van zal snappen, steekt ze toch nog een heel verhaal tegen haar vader af. Voor het eerst is ze helemaal eerlijk.

Maar er is ook best wat aan te merken op het boek. Op een gegeven moment komt Desiré een medesimulant tegen, die hem nog een tip geeft. Desiré praat even met hem en dan is hij weer verdwenen uit het boek. Ik ervoer het als een loshangende draad, die best afgehecht had mogen worden.

En dan het slot. Tja, als je vanuit de hoofdpersoon vertelt, is het lastig om te eindigen met diens dood. Daarom blikt Desiré in een kort hoofdstukje alvast vooruit op zijn dood. Voor mijn gevoel wordt op die manier het boek afgeraffeld. Roza, die ook al zo plotseling uit het verhaal verdween, wordt nog even genoemd en dat is het dan. Ik kan mij maar niet aan de indruk onttrekken dat Verhulst er domweg niet goed uitgekomen is.

Is het erg als een boek niet helemaal gaaf is? Ach, er zijn genoeg boeken die keurig gecomponeerd zijn, die helemaal kloppen, die nog aardig geschreven zijn ook en die je toch niet bijblijven. De laatkomer zal mij, vermoed ik, wel bijblijven. Door het maffe onderwerp, dat tegelijk ernstig is. En vooral ook door de krachtige toon waarop het verteld is. De toon van een persoonlijkheid, want dat is Verhulst natuurlijk wel. En daarom zal ik een volgend boek van hem meteen weer gaan lezen, zonder reserve.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen