maandag 30 januari 2017

Rotterdamse kost (J.A. Deelder)


Ter gelegenheid van de Week van de Poëzie komt er jaarlijks een bundeltje uit dat klein maar fijn is. Dit jaar is dat een bundel van Jules Deelder, Rotterdamse kost. Het is dun, zoals al dit soort bundeltjes, maar ook in andere opzichten is het boekje mager.

Eigenlijk zou ik kunnen volstaan met de verwijzing naar de recensie op Tzum, door Coen Peppelenbosch, die uitstekend verwoord heeft wat er mis is met de gedichten. Maar, kom, laat ik ook het mijne eraan toevoegen.

Deelder is vooral als persoon bekend. Hij droeg een tijdje de titel Nachtburgemeester van Rotterdam en hij trad vaak op als performer waarbij  hij zowel zijn gedichten als zijn verhalen voor het publiek bracht, soms met muzikale begeleiding. Geheel uit zijn hoofd, wat het vertellen ten goede kwam. Zijn spreektempo was daarbij immer hoog. Dat deed hij goed; velen hebben ervan genoten.

Van de hand van Deelder zijn verschillende hilarische verhalen verschenen. Ook de gedichten mikken vaak op de lach. Ontroering is echter veel lastiger bij de lezer te bereiken. Ik denk dat dat Deelder alleen gelukt is bij het gedicht voor zijn dochter, dat begint met 'Lieve Ari, wees niet bang'.

Rond Deelder was het alweer een tijdje stil. Vorige week werd die stilte doorbroken toen hij te gast was in een talkshow. Hij hield zijn hoed op en kletste steeds door het verhaal van de andere gasten heen, zonder werkelijk bij te dragen aan het gesprek. Voor de goede orde: ik heb de uitzending niet in haar geheel gezien, alleen het gedeelte waarin Eva Jinek liet weten dat een zekere basisbeleefdheid toch wel het minste was wat men van deze gast mocht verwachten.

Het was een gênante vertoning. Natuurlijk weet Deelder dat hij het niet van zijn werk moet hebben en al helemaal niet van Rotterdamse kost, dat niets voedzaams bevat. Daarom moest hij de aandacht op zichzelf vestigen. De vraag is of je daar geïrriteerd over moet zijn of dat je dat zielig moet vinden.

De gedichten in het bundeltje stellen niet veel voor. In korte gedichtjes belicht Deelder het Rotterdamse eten. Zo schrijft hij over 'kroten', wat volgens Deelder Rotterdams is voor 'bieten'. Maar bij mij thuis, in de Betuwe en dus ver van Rotterdam, sprak men ook over 'kroten'.

Het gedicht:
Waar de natie
bietjes eet 
bikt Rotterdam
z'n kroten 
Vandaar dat hier
de krotenkoker 
heerst waar elders
in den lande  
de zakkenwasser
prevaleert
Dat je alleen het woord 'krotenkoker' gebruikt, als je het woord 'kroten' kent, snap ik. Waarom die krotenkoker 'heerst', is me niet duidelijk. Moeten we denken aan een ziekte die 'heerst'? Waarschijnlijk zocht de dichter iets met een e-klank (omdat hij ook 'eet' en 'prevaleert'  gebruikt). Het zal zoiets betekenen als 'gangbaar is'.

Bij zo'n kort, grappig gedichtje verwacht je een punchline, maar die ontbreekt. In de eerste helft van het gedicht worden 'bietjes' en 'kroten' tegenover elkaar gesteld. Dan verwacht je dat 'krotenkoker' tegenover iets met 'bieten' komt te staan. Maar nee, dat wordt 'zakkenwasser', een woord dat volgens Deelder 'in den lande' 'prevaleert'.  Ja, in vergelijking met 'krotenkoker', maar 'zakkenwasser' is niet meer gangbaar. Het is een woord uit de jaren zeventig, uit de tijd van Don Quishocking: 'Omdat we zellef van die zakkenwassers zijn'. Laten we zeggen: uit de tijd toen Deelder en zijn werk beide nog leefden.

Het zou me niet verbazen als Deelder de gedichtjes in Rotterdamse kost op een achternamiddag in elkaar gedraaid heeft. De slordigheid is eraan af te lezen:
In proletarisch
Rotterdam 
gold uierboord
als godenspijs 
waarvoor men met
een pannetje 
bij de slager
in de rij stond 
maar als slacht-
afval in feite 
voor de varkens
was bestemd
U had het al gezien: een foutieve samentrekking in de bijzin die begint met 'waarvoor men'. In het eerste deel is 'men' onderwerp. In het tweede deel ontbreekt het onderwerp. Dat zou dus ook 'men' moeten zijn, maar dan krijgen we een ongrammaticale zin: 'maar [waarvoor men] als slachtafval....'
Correct was geweest: 'maar [dat] als slachtafval....'

Afgezien daarvan: wat biedt het gedicht ons? Misschien dat een enkeling op moet zoeken wat uierboord is. Dan wordt wel duidelijk dat het indertijd armeluiseten was. Men vond het indertijd blijkbaar smakelijk ('godenspijs'), zoals (zie de link) sommigen dat tegenwoordig weer vinden. Moet de lezer boos worden omdat indertijd slachtafval werd gegeten? Ik denk niet dat er ook maar iemand is die zijn vuist balt na het lezen van dit gedicht.

In veel gedichten verheerlijkt Deelder het volkse van Rotterdamse voedsel: de kroten, de frikadel ('fricandel'), uierboord, de kapsalon. Er wordt niet getafeld, maar gebikt, geknaagd of gebunkerd en van de blijkbaar als elitair geziene kookprogramma's op tv moet Deelder niets hebben. Hij afficheert zich als de volksjongen en de echte Rotterdammers zullen volgens hem wel allemaal volksjongens of volksmeiden zijn. Het zal wel.

Deelder is gewend om volkswijsheden op te tekenen en daar zijn naam onder te zetten. Zo schreef hij ooit de
Beknopte topografie van de Rijnmond 
Rotterdam
Schiedam
Vlaardingen
Maassluis 
hoekie om
trappie af 
gekkenhuis
Van iemand die in Rotterdam opgroeide, hoorde ik dat het rijmpje in diens jeugd algemeen bekend was. Deelder hoefde er alleen nog een titel boven te zetten en zijn naam eronder.

Op de achterkant van Rotterdamse kost staat:
"Lang leve de dichter!"
"Waarvan?"
Die kende ik over een arme rabbijn.

Het is sympathiek van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek om de oude dichter dit bundeltje te gunnen. Het is wellicht het laatste dat er ooit van hem zal verschijnen. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat er nog een uitgever brood ziet in Deelders werk.

zondag 29 januari 2017

Sprookjes van Grimm zonder woorden (Frank Flöthmann)



(Onderstaande recensie schreef ik voor Literair Nederland)

Sprookjes hebben geen woorden nodig


De Bijbel, de Griekse en Romeinse mythen en sagen, en de sprookjes van Grimm en Andersen – dat zijn de verhalen die steeds weer opduiken. Blijkbaar hebben die zich zo verankerd in onze cultuur dat we er niet omheen kunnen of willen.

Al vroeg komen we ermee in aanraking. Van veel van deze verhalen zijn tekenfilms gemaakt en er zijn boekjes voor heel jonge kinderen die het verhaal op eenvoudige wijze vertellen. Omdat de kennis ervan breed verspreid is, kunnen we ook spelen met de inhoud en erop variëren. Hans Teeuwen maakte bijvoorbeeld in zijn eerste show een hutspot van allerlei Bijbelverhalen en er zijn talloze varianten van sprookjes, ook door auteurs die hun sporen in de literatuur hebben verdiend, zoals Louis Paul Boon en Rudy Kousbroek.

De tekenaar Frank Flöthmann is zich bewust is van de traditie. Zo hervertelde hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus. De enige woorden in dat filmpje vormen de zin in de inleiding: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

Voor sprookjes geldt dat ook en van Flöthmann is nu  een sprookjesboek verschenen in een Nederlandse uitgave: Sprookjes van Grimm zonder woorden. De tekenaar heeft een uitgekiende manier van vertellen gevonden. De tekeningen zijn bijzonder strak. Elementen eruit doen denken aan pictogrammen. Daarbij gebruikt hij naast wit en zwart slechts twee kleuren: rood en groen. Het gebruik van deze complementaire kleuren, geeft helderheid. Het heeft ook iets hards: er is geen nuance. Maar ook dat past bij de vertellingen.

Het ‘lezen’ van de tekeningen vergt enige inspanning, maar de lezer wordt daar rijk voor beloond. Ten eerste is de manier van vertellen uitermate geestig. De keuze van de symbolen is zo verrassend, dat lach geregeld op de loer ligt. Als de prinses in ‘De kikkerkoning’ tegen haar ouders vertelt dat ze met de bal gaat spelen, zien we in een beeldballontje een pictogram van een voetballer. De paardenstaart en het kroontje bij het poppetje maken duidelijk dat het om het meisje zelf gaat.

Lees hier het vervolg.

De trailer van Stille Nacht

zaterdag 28 januari 2017

Wil (Jeroen Olyslaegers)


Er zijn genoeg goede romans. Je kunt tevreden knikken als je die gelezen hebt: ik heb mijn tijd niet verspild. Af en toe zijn er romans die meer zijn dan goed. Geen tevreden knik, maar een diepe zucht als je zo'n boek gelezen hebt. Dat overkwam me bij bijvoorbeeld bij La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer, bij Dertig dagen van Annelies Verbeke en ook bij Dit zijn de namen van Tommy Wieringa.

Het is misschien niet eerlijk om Wil (of eigenlijk WIL, geloof ik) van Jeroen Olyslaegers met dit soort boeken te vergelijken, maar het doet er niet zo heel veel voor onder. Het is een verrot goed boek.

De hoofdpersoon in Wil is de zeer oude Wilfried Wils. In de Tweede Wereldoorlog was hij een jonge politieman in Antwerpen. Hij heeft indertijd geprobeerd de oorlog door te komen en dat lukte hem niet zonder vuile handen te maken. Nu herleest hij zijn oorlogsdagboeken en schrijft hij alles op, voor zijn achterkleinzoon.

Tenminste, dat moeten we aannemen. Misschien mompelt hij het slechts voor zich uit en misschien zelfs dat niet. Nicole, die de oude Wilfried Wils bijstaat, zegt: 'Soms denk ik dat gij simpelweg niet meer weet of ge nog iets tegen mij zegt of alleen maar in uw hoofd.'

Zijn kleindochter Hilde, zijn 'dwarse oogappel', is overleden en dat brengt hem uit zijn evenwicht. Pas aan het eind van het boek snappen we wat er aan de hand is en waarom Wils zijn verhaal wil vertellen.

 Politieman in de oorlog - dat was een lastige positie. In hoeverre moet je immers doen wat je opgedragen wordt? Over de Nederlandse situatie gaat de documentaire 'Zij deden hun plicht' (2000), zie hier. Olyslaegers roept voor ons de situatie in Antwerpen op. Wilfried Wils kent mensen die Joden laten onderduiken, maar hij onderhoudt ook banden met een man die door hem Nijdig Baardje wordt genoemd en die moet van Joden niets hebben. Dat betekent dat Wils voor beide partijen verdacht is, waardoor hij een eenzame positie inneemt.

Meebuigen, zo lang het kan, lijkt het devies van velen. Er zijn mensen die wel hun rug recht houden. Een collega van Wils weigert mee te doen als er Joden opgepakt moeten worden. Hij komt er zonder zware straf af, omdat de klus door zijn collega's wordt geklaard:
'Ge weet toch waarom hij niet naar Breendonk moet?' Gastons stem klinkt venijnig. 'Omdat wij hebben gedaan wat er gedaan moet worden. Wij hebben de smeerlapperij opgekuist zonder hem. De Duitsers zijn al lang content. Snapt ge dat? Daarom zit hij nog thuis.'
Zijn principiële daad wordt vooral als oncollegiaal gezien.

Wilfried Wils is geen slecht mens en hij heeft zelfs uitgesproken goede daden gedaan in de oorlog. En toch ging hij ook over de schreef. Iemand is niet alleen maar goed of kwaad; vaak is hij beide. Achteraf is het gemakkelijk oordelen over degenen die het kwade deden. Wilfried Wils schrijft daarover:
Mensen zeggen al wel eens dat ge eerst in andermans schoenen moet staan voor ge echte kennis opdoet. Maar ook dat is schijnheilig want met andermans schoenen wordt altijd weer bedoeld: die van het slachtoffer. Geen woord wordt er gerept over de schoenen van hen die zich misschien geprikkeld voelen mee te doen. Voor ge bloeddorst van een ander aanklaagt, van iemand die ge zelfs niet kent, die ge alleen maar gezien hebt op televisie of waar ge een en ander over gelezen hebt, zoudt ge verplicht moeten worden om te ervaren wat heimelijke bloeddorst betekent die wordt aangemoedigd door hen die de touwtjes in handen hebben, wier spel gij meespeelt, of ge nu wilt of niet, de bloeddorst, met andere woorden, die ieder in zich heeft. Uw wereld, jongen, is omgeven door schermen, alles wat uw generatie, die van uw vader en zelfs die van wijlen uw grootvader werd voorgehouden is verontwaardiging op commando, het is een gejank op afstand met de onderdrukten en de kapotgekapte lijken die u met grafstem worden aangewezen.
Het hele boek leven we mee met Wilfried Wils en zijn dilemma's. We willen weten wat er in de oorlog gebeurd is en ook wat er onlangs met kleindochter Hilde is voorgevallen. Dat laat de lezer doorbladeren. Zoals uit het geciteerde fragment hierboven al blijkt, heeft Wils ook nog een toon, een vertelstem waarnaar je gemakkelijk luistert.

Olyslaegers heeft dan ook een roman geschreven die leest als een trein. Hij roept een duidelijk beeld op van de oorlogstijd. Maar een enkele keer twijfelde ik eraan of de details wel klopten met de tijd: gaven mensen elkaar drie zoenen? Had een gulp niet knopen in plaats van een rits? Dat zijn kleinigheden. De setting is zeer geloofwaardig.

Belangrijker is dat Jeroen Olyslaegers aandacht vraagt voor de daders tegen wil en dank, de mensen die niet wilden en toch in de positie raakten. Natuurlijk moeten we morele oordelen vellen, maar we moeten tegelijk beseffen dat het achteraf altijd veel te gemakkelijk oordelen is. 

Dat maakt Wil tot een ongemakkelijk boek: het heeft een hoofdpersoon met wie je je identificeert, maar van wie je ook afstand wilt nemen, omdat je sommige van zijn kanten liever niet in jezelf wilt herkennen. Zelf sta je immers altijd aan de goede kant, maak je je wijs. Olyslaegers houdt je een spiegel voor: maak je maar geen illusies.

Geleid door de natte vinger had ik Wil boven aan het lijstje gezet van de beste boeken van vorig jaar die ik niet gelezen had. Ik moet mezelf gelijkgeven: het boek staat terecht op die lijst. Nu nog een prijs of een nominatie voor Olyslaegers. Ik ben voor!

dinsdag 24 januari 2017

Robert Anker (1946 - 2017) overleden


Vorige week zag ik zijn naam voorbijkomen, op een dag dat er nog andere bekende doden te betreuren waren: Robert Anker. Anker was geen schrijver die ik volgde, al heb ik wel wat van hem gelezen.

Het meest intensief las ik de gedichtenbundel Nieuwe veters (1987). Die lag enkele maanden op mijn nachtkastje en ik bleef door de gedichten geboeid. Ik kocht al vrij snel daarna Waar ik nog ben (1979) en nog weer later In het vertrek (1996). Nu ik door die laatste bundel blader, komen veel gedichten mij niet vertrouwd voor. Heb ik ze wel gelezen?

Van zijn proza kocht ik De thuiskomst van kapitein Rob (1992). Die bestelde ik bij de ECI, die indertijd de serie 'Schrijvers van nu' had: gebonden boeken, met een stofomslag. Ik herinner me ook nog dat ik het wel een goed boek vond. Maar waar ging het over? Dat is uit me weggezakt.

De dikke roman Vrouwenzand (1998) las ik ook. Ik vermoed dat ik het boek gerecenseerd heb, wellicht voor een obscuur Vlaams blad. Ja, iets met een relatie. Het boek beviel me niet zo.

Enkele boeken van Anker kregen aardig wat publiciteit. Bijvoorbeeld Een soort Engeland (Libris Literatuurprijs 2001) en Hajar en Daan (2004). Van beide boeken nam ik mij voor ze te lezen, maar het kwam er niet van. Een paar maanden geleden kocht ik Een soort Engeland. Het ligt op het stapeltje met boeken waar je altijd nog een keer naar kunt grijpen. Die stapel bestaat uit een paar romans van Brakman, iets van Louis Paul Boon, een Haasse, Het glinsterend pantser van Vestdijk.

Toen ik al jaren niets van Anker had gelezen, kwam Fortuyn en liefde op mijn pad. Ik zie bij het terugdenken eraan een gracht voor me en enkele pakhuizen. Het moet een verhalenbundel zijn, maar ik herinner me de meeste verhalen niet meer. Het zal best een goed boek zijn geweest, maar ik ben het kwijt. Ik kan er niets aan doen, maar op de poëzie na, is het werk van Anker in het afvoerputje van mijn geheugen verdwenen. Blijkbaar gaat het zo, al blijft het triest.

Anker was een goede schrijver al heb ik te weinig proza van hem gelezen waar ik echt enthousiast over was. Hij heeft aardig wat prijzen gekregen. Naast de al genoemde Librisprijs: De Jan Campertprijs (voor de dichtbundel Van het balkon, 1983); de Herman Gorterprijs (voor Nieuwe veters); de F. Bordewijkprijs voor De thuiskomst van Kapitein Rob.

Ik herinner me ook lovende recensies over zijn dichtwerk, bijvoorbeeld De broekbewapperde mens (2002). Zoals gezegd, die gedichten staan me nog wel bij. Ik tik er eentje over uit Nieuwe veters:

De loper los 
Hoe hij loopt daar loopt hij maar zijn schoenen zijn te groot.
De plantsoenen zijn te klein, waar hij een rug is op een bank. 
Daarom neemt hij wel een bus, hij is zijn route kwijt.
Flarden wind en regen bij de dokken die hij vindt,
het dichtgetimmerde café, een beeldroman en blik. 
Ik roep: verzin een plicht! Maar hoe hij luistert, niemand roept.
Hij formuleert nauwkeurig en hij lacht zich er wel door. 
Trap op, al is het licht kapot, de loper los.
In de keuken neemt hij plaats achter een zonnebril.
Hij lost een kruiswoordraadsel op en hoe je de wijn maakt.
Maar hoe je muren overeind houdt zonder huis. 
Een oud balkon, een vuilniszak, een kattebak, de wind.
Maar ook een merel in de regen voor de dag begint. 
De man die de hoofdpersoon is in dit gedicht wordt bekeken: zie nou eens 'hoe hij daar loopt'. Het lijkt wel of hij aangewezen wordt: 'daar loopt hij'.

We krijgen een beeld van een man die op een bankje in het park zit, die in de haven gaat kijken, die een kruiswoordraadsel oplost. Het lijkt een wat doelloos leven, dat hij aan de gang houdt. Hij houd de muren van zijn leven overeind en dat is het wel. Maar ook een leven zonder plicht.

Je zou medelijden met hem kunnen hebben, maar daar is hij misschien toch net te sterk voor. Anker schrijft: 'hij lacht zich er wel door' en dat iemand in de keuken plaatsneemt, klinkt ook nogal plechtig en weloverwogen. De man weet op zijn minst de illusie op te houden dat zijn lot een keuze is.

Natuurlijk kunnen we wijzen op de vuilniszak en op de kattenbak en automatisch drijft de niet genoemde geur het gedicht binnen. Maar er is 'ook een merel in de regen voor de dag begint' en blijkbaar geniet hij daarvan.

Misschien moet de lezer geen medelijden krijgen met deze man, maar met zichzelf, We leven ons geordende leventje en maken ons wijs dat dat de keuze is. We hebben een verplichting verzonnen en dus nemen we niet meer de tijd om naar de haven te slenteren of met een gebogen rug op een bank in het park te zitten.Je kunt je dan ook afvragen in wiens leven eigenlijk de loper losligt.

Dat vind ik het mooie aan zo'n gedicht: er is veel impliciet en we kunnen er lang op kauwen. Een goed gedicht gaat altijd ook over jezelf en in dit gedicht is dat, voor mij althans, wel duidelijk.

Ironie is het leven niet vreemd. De dood ook niet. Op zijn sterfdag, verscheen de nieuwe roman van Robert Anker, die ook nog In de wereld heet. Het zal een goed boek zijn: de recensies waren juichend. Die roman zal ik voorlopig niet gaan lezen. Ik heb Een soort Engeland nog liggen.

Laten we even terugdenken aan Robert Anker en aan zijn werk, waar we vooral aan kunnen denken door het te (her)lezen. En als we toch bezig zijn, laten we dan maar denken aan al die andere dode schrijvers die we misschien niet meer lezen. Louis Ferron bijvoorbeeld, of Alfred Kossmann, Gerrit Krol, Johan Daisne, Gerard Walschap, Tip Marugg, A. Alberts, Anton Koolhaas. En laten we de vrouwen niet vergeten: Hermine de Graaf, Loekie Zvonik, Jo Boer,  Anna Blaman, Renate Rubinstein, Marijke Höweler.

We denken aan ze. Soms.

Te weinig.

© foto Robert Anker: David Anker. Foto welwillend beschikbaar gesteld door uitgeverij Querido

zaterdag 7 januari 2017

Van dode mannen win je niet (Walter van den Berg)


In mijn lijstjes van de afgelopen jaren, ook in de lijstjes van de niet gelezen boeken, komt Walter van den Berg niet voor. Ja, ik wist dat Van dode mannen win je niet (2013) goede recensies kreeg en, ja, ik heb in mijn hand gestaan met Schuld (2016). Niet gekocht, niet gelezen.

Maar een tijdje geleden zag ik Van dode mannen win je niet ergens voor een paar euro liggen. Niet kopen was niet mogelijk. Na een paar weken was niet lezen ook niet mogelijk. En nu is het mij onmogelijk om mijn oordeel over het boek voor me te houden: goed boek.

De hoofdpersoon is een charmante man. Zo'n man die met een goede pan hachee aankomt, omdat een vrouw onderhand wel eens aan een goede maaltijd toe is. Of die een crossfiets uit elkaar haalt en zwart spuit, met mooie vlammen, zodat haar zoon kan pronken met zijn fiets.

Maar de man is ook gewelddadig als de dingen niet helemaal zo gaan als hij wil en zeker als hij gedronken heeft en nog meer als hij veel gedronken heeft en slangen ziet. Hij heeft een feilloos gevoel voor opmerkingen die tegen hem gemaakt worden. Zit daar een zeker voorbehoud in? Klinkt er angst in door? Hij zal de ander er meteen mee confronteren.

Een scène twee dagen nadat hij zijn vriendin geslagen heeft:
Ze sliep veel, alsof ze ziek was, alsof ze iets had, en ik liet haar haar gang gaan. Ik bracht haar koffie, de ochtend van de tweede dag nadat het gebeurd was. Gaat het? vroeg ik.
Het gaat, zei ze met een lachje.
De zon schijnt, zei ik. Misschien kunnen we zo een rondje gaan rijden.
Ze keek door het raam. Op straat hoorden we de buurjongetjes. Misschien, zei ze.
Niet als je geen zin hebt.
Ze zat rechtop in het bed, haar handen om de kop koffie. Ze zei dat ze dat een beetje eng vond.
Hoe bedoel je?
Zeggen of ik iets wel of niet wil. Ik geloof dat het eergisteren zo ook een beetje mis is gegaan. Ze lachte weer.
We hebben het uitgepraat, zei ik. Ik vind het niet zo leuk dat je er nu dan weer over begint.
Sorry, zei ze. Ik ben gewoon heel erg van je geschrokken.
Ik keek naar de grond. Ik vind dat een beetje als een steek onder water klinken, zei ik.
Sorry, zei ze maar - sorry. 
Een verschrikkelijke en dus prachtige dialoog. In zo'n kort, kaal zinnetje als 'Ze lachte weer' proef je het ongemak dat achter het lachje schuilgaat. De vrouw is geslagen, maar de man voelt zich slachtoffer. Hij is grootmoedig: brengt haar koffie en vraagt hoe het gaat en zij geeft steken onder water. Zo voelt hij het, zo rationaliseert hij.

Voor een deel komt zijn gewelddadigheid voort uit onmacht. Zijn vriendin Dimphy is weduwe en hij voelt dat hij van haar man, die immers de echte vader van haar zoon Wesley is, nooit zal kunnen winnen. Hoe goed hij zijn best ook doet, hij zal altijd tekortschieten.

Maar zijn tekortschieten zit niet in het zijn best doen, maar in de keren dat hij alles vergeet en naar geweld grijpt. Dat doet hij trouwens ook voor de lol. Als hij gedronken heeft, heeft hij ook gewoon zin om te vechten.

Hij weet dat hij onberekenbaar is en dat hij een gevaar voor zijn omgeving is. Zelfs dat gebruikt hij als argument tegen Dimphy. In het hele boek richt hij zich overigens tot Wesley.
Je moeder vroeg die avond waarom dat nou zo moest met die jongens op straat, en voor haar deed ik mijn ringen af.
En ik vroeg haar toen: wat ben je voor moeder als je mij in je gezin toelaat? Wat ben je voor moeder?
 Als hij haar dat verwijt maakt, slaat hij haar. Van den Berg vertelt dat niet, maar hij vermeldt wel dat de man zijn ringen afdoet. Zelfs dat zal de man nog als een gunst of misschien wel een daad van liefde zien. Hij slaat haar niet met zijn ringen om.

Als alles al achter de rug is, probeert hij contact te houden met Wesley. Die programmeert intussen computerspelletjes die door anderen wel als 'ziek' gekenschetst worden. Ze hebben allemaal een autobiografische achtergrond. De man is het monster dat je als speler moet zien te ontlopen.

Misschien is het boek een zelfrechtvaardiging. Een poging om te laten zien hoe hij zijn best doet een goede partner en goede vader te zijn. Dat heeft iets aandoenlijks. Maar tegelijkertijd weet je dat het helemaal niet deugt. Dat deze man altijd gevaarlijk zal zijn. Dat hij niet zal leren van wat hij gedaan heeft en dat hij altijd nieuwe slachtoffers zal maken.

Ik was meteen verkocht, toen ik Van dode mannen win je niet even aan het lezen was. Het boek heeft een duidelijke vertelstem. Je hoort de man praten. Hij kan naast je aan de bar zitten of tegenover je in de huiskamer. En heb je nu werkelijk zitten knikken terwijl hij aan het woord was? Heb je werkelijk met hem meegeleefd? Ja, ook dat. Verwarrend.

Het is duidelijk. Ik zal ook ook Schuld moeten gaan lezen. Daarover later dit jaar.

donderdag 5 januari 2017

De ruiter (Jan van Mersbergen)


Een verhaal wordt meestal verteld door een menselijke hoofdpersoon, maar er zijn meer vertelstandpunten mogelijk. De verteller kan een geraamte (Maarten 't Hart) zijn, een hond (Gerbrand Bakker) of een schilderij (Willem Jan Otten). Jan van Mersbergen laat het verhaal in De Ruiter vertellen door een paard - een groot paard en niet zo'n dwergviervoeter als er op het voorplat van de roman staat.

De verteller is een oude hengst, die eigendom is van een oude man. Nadat zijn vrouw overleden is, is de man verhuisd naar het platteland. Hij heeft het paard aangeschaft, ook omdat een paard een goede biechtvader is: je kunt alles aan hem vertellen, zonder dat hij iets terugzegt.

De oude man verleent onderdak aan zijn kleindochter Sandra. Ze komt schuilen, omdat ze een vriendje heeft dat niet deugt. Hij en zij zijn lid van een bende die de stad onveilig maakt. Vader zag geen andere mogelijkheid dan haar bij opa onder te brengen, ver van het vriendje.

Het is zomer, en opa en kleindochter zijn veel buiten, zodat de hengst hen kan zien en kan horen wat ze zeggen. Deze hengst heeft bovendien een bijzondere begaafdheid: hij heeft een sterk ontwikkeld reukvermogen en de geuren vertellen hem hele verhalen. Hij ruikt bijvoorbeeld de angst in de brieven die bezorgd worden. Als iemand hem aanraakt, 'ziet' hij bovendien voor zich wat die persoon heeft meegemaakt.

Je weet als lezer dat dat niet kan en toch aanvaard je het. Van Mersbergen vertelt het met een vanzelfsprekendheid die blijkbaar onontkoombaar is.

Alle personages hebben een verleden, zowel Sandra, opa als het paard. Vaak denkt het paard nog terug aan de manege en aan de merries. Alle drie moeten ze in het reine komen met hun levensverhaal. Sandra rijdt op de hengst. Ze wil hem laten zweven.
Ik denk aan het lopen en aan het rennen, aan zweven. Aan het meisje dat licht is. Ik steek mijn nek uit om haar verhaal te kunnen voelen. Omdat ik ouder ben? Of omdat ik mijn eigen verhaal weten?
De verhalen lopen soms door elkaar, er zijn parallellen. Het paard ziet tijdens het rijden voor zich hoe Sandra behandeld wordt door haar vriendje.
We zijn weer bij mijn geribbelde afdakje en ze klopt een paar keer kort tegen mijn hals en zegt ho.
Hij stopt.Ik stop. Ze glijdt van me af.
Hij glijdt van haar af.Heel warm haar lijf tegen me aan, kleverig, zo staat ze naast me en ze zegt: Geweldig. 
Sandra heeft een verleden, maar ze moet ook beslissingen nemen voor de toekomst. Haar opa helpt haar erbij, vooral door haar de ruimte te geven, maar soms ook door wat hij tegen haar zegt. Hij jaagt geregeld en hij vertelt haar dat een haas altijd weet welke kant hij op moet vluchten. Ook Sandra zal te weten moeten komen, wat ze wil en wat dus haar vluchtrichting zal zijn. Opa legt nog een verband tussen de personages:
Ik heb het over jou en over sprookjes. En eigenlijk heb ik het over mezelf, geloof ik. Ik vroeg je alleen maar hoe het zat, en nu denk ik aan wat ik zelf nog wil. Wat ik nog te willen heb. Jij denkt aan wat jij wilt en die jongen van jou denkt aan wat hij wil en zelfs een oude knol denkt aan wat hij wil. Ik denk niet meer en wil niet meer, ik mis mijn vrouw, ik wil alleen bij haar zijn. Daar wacht ik op.
Het hele verhaal speelt zich binnen een week af en toch heb je het idee dat de gebeurtenissen zich rustig ontwikkelen. Dat komt waarschijnlijk door de verteller, het paard dat dingen van een afstandje bekijkt en dat op zijn gemakje in de wei staat. De verteltrant is vrij eenvoudig; je kunt bij een paard niet al te ingewikkelde gedachten verwachten. De manier van vertellen deed me wat denken aan De dia's van Andrea van Geert van Beek, waarin een veertienjarig(?) meisje vrij eenvoudig een verhaal vertelt.

Sandra kan zich niet blijven verbergen en het is ook maar de vraag of ze dat wil. Haar vriendje heeft is een loverboy, onder wiens invloed je maar moeilijk uit komt. Uiteindelijk neemt ze een besluit: 'Deze haas weet welke richting ze uit moet'.

Haar beslissende tocht naar de stad, maakt ze op de rug van het paard, zodat de lezer alles mee kan maken. Van Mersbergen bouwt de spanning uitstekend op en houdt die ook goed vast: we willen weten wat er gaat gebeuren tussen Sandra en haar vriendje.

Niet alles in de roman is trouwens even geloofwaardig. Als de oude hengst na bijna vijftien jaar terugkeert naar de manege blijken alle merries er nog te zijn. Die moeten intussen al stokoud zijn en het is onwaarschijnlijk dat een deel ervan intussen niet vervangen is door jongere merries.

De functie van de gebeurtenissen op de laatste tocht (Sandra neemt bijvoorbeeld een rolstoel op sleeptouw) snap ik wel. Ze laten zien hoe Sandra nu in het leven staat. Maar ze maakten het verhaal er niet sterker op.

Een groot deel van De ruiter speelt zich af op het platteland, net als bijvoorbeeld het debuut van Van Mersbergen, De grasbijter. Er lijkt een tegenstelling te zijn tussen het gemoedelijke platteland en de onveiligheid van de stad. Maar zo heel gemoedelijk is dat platteland nu ook weer niet. Met de dood is men daar vertrouwd en de onveiligheid van de stad blijkt ook het plattelandsleven binnen te dringen.

Misschien staat de stad meer voor gebeurtenissen, omstandigheden, uiterlijkheden; op het platteland word je met jezelf geconfronteerd en word je gedwongen tot introspectie. Als Sandra uiteindelijk op het paard naar de stad rijdt, blijkt ze anders te zijn dan toen ze de stad verliet. Je zou kunnen zeggen dat ze op het platteland innerlijke rust gevonden heeft. In ieder geval is ze erachter gekomen wat ze wil.

De ruiter is een ontroerend boek. Je ziet personages worstelen met wat ze aanmoeten met het leven en uiteindelijk nemen ze beslissingen, waarin ze zichzelf overwinnen en resoluut hun richting kiezen, ongeacht wat dat voor gevolgen heeft.


Eerder schreef ik over Naar de overkant van de nacht: hier en hier.

dinsdag 3 januari 2017

Pitten schieten (Fleur Bourgonje)


Al in de vroegste gedichten van Fleur Bourgonje komt de rivier voor. Mensen zitten aan een rivier, het water stroomt verder. Ook in haar nieuwste bundel, Pitten schieten, stroomt een rivier. Niet de Maas, zoals bijvoorbeeld in Achtergelaten land (1989), maar de Vecht. In de titelcyclus zitten twee mensen aan het water en ze schieten, net als vroeger, de pitten weg van de kersen die ze eten.

Bij Fleur Bourgonje worden concrete zaken gemakkelijk metaforen. Bij kersen roept het rode sap al gauw de gedachte aan bloed op: 'We bloeden uit onze monden'. De pitten van de kersen worden weggeschoten, maar de personen zijn ouder geworden. Ze halen bij lange na de afstand niet die ze vroeger haalden. Ze zijn ouder geworden en dan komen er gedachten aan verval en aan dood:
bloed dat genoeg zal krijgen van stromen
gedachten die zonder rangorde door het hoofd
kennis die kwijt, vermaledijd veer
dat na het geheime sein aanlegt
om zielen in het vooronder te laden
de veerman die de loopplank intrekt en zegt
het is over, voorbij, ga maar
slapen jij - 
Voorbijstromend water roept de gedachte op aan de tijd die voorbijgaat. In deze cyclus is er op de Vecht 'een boot vol plezier', een boot vol mensen die zich niet bewust zijn van de eindigheid van het plezier, blijkbaar. Maar intussen gaat de tijd voorbij en voor je het weet is die rivier veranderd in de Styx.

De twee personen die de pitten wegschieten, zijn zich ervan bewust dat het verval al begonnen is.
geen reden meer voor overmoed
moed veeleer -  
De moed om door te gaan, zullen ze nodig hebben. Na de laatste regel zet Fleur Bourgonje, zoals in veel gedichten in deze bundel, een streepje. Die streepjes doen denken aan de poëzie van Emily Dickinson. Ze zijn minder definitief dan de punt, houden mogelijkheden open.

Het laatste gedicht in de cyclus eindigt met
Naar nergens neigt ons stille staren
behalve naar elkaar, niet meer
dan dat 
en de jaren -
De man en de vrouw - steeds weer komen ze terug in het werk van Fleur Bourgonje. Ze raken elkaar kwijt (zoals bijvoorbeeld in Labyrint) en doen alle mogelijke moeite elkaar weer te vinden. In Pitten schieten is het de dood waardoor mensen elkaar kwijtraken:
in een goudgeel niemandsland raakt een vrouw
haar man kwijt, hij glijdt als een lint uit haar hand
komt neer tussen zonnebloemen en koren.
Maar de vrouw vecht voor het behoud van haar man, in tegenstelling tot een andere vrouw uit dezelfde cyclus ('Zondagskinderen'). Dat gevecht om bij elkaar te blijven, om elkaar vast te houden, kennen we ook uit eerder werk van Bourgonje.

De man en de vrouw zullen elkaar nodig hebben. Misschien houden ze alleen elkaar over. Daarom neigt het stille staren naar nergens, behalve naar elkaar.

Maar hoe moeilijk het is om ook bij elkaar niet alleen te zijn, treffen we ook in verschillende boeken van Fleur Bourgonje aan. Dat is niet zo vreemd. Zoals in Uitval haar hele werk zich samenbalde, gebeurt dat ook in Pitten schieten. Ook hier komen veel thema's uit het vroegere werk opnieuw langs. Niet voor niets komen we in deze bundel de paarden en de honden weer tegen.

Die paarden en die honden hebben een autobiografische achtergrond. De vader van Fleur Bourgonje was smid en moest de paarden beslaan. Maar hij was bang voor paarden en zong daarom: 'We zijn niet bang, maar doodsbenauwd'. En de honden rukten aan de ketting als de dochters van de smid de rekening bij de boeren moesten afleveren.

Bij Bourgonje is de autobiografie hoogstens de aanleiding. De paarden hebben in haar werk al heel lang een grotere betekenis. In Nevelpaarden bijvoorbeeld dragen ze de herinneringen. In Pitten schieten is er een cyclus 'Paarden', waarbij de paarden steeds dichterbij komen. De paarden van Picasso, van Camille Claudel, van de grootvader, van de 'ik'.

Al vanaf haar debuut vraagt Bourgonje aandacht voor wat mensen elkaar aandoen. In deze bundel gebeurt dat vooral in de cycli 'Oorlog is een vrouw met een vloerkleed op haar rug' en in 'Jachtseizoen'. De cyclus 'Zondagskinderen' eindigt met:
Voor wie goed luistert is een oorlog te horen
die geen einde vindt - 
Je kunt bedenken dat er altijd wel ergens oorlog is, ook als je vrolijk in een boot over de Vecht vaart, maar het zal, zeker gezien de thematiek van de bundel ook te maken hebben met de strijd tegen verval en dood. De strijd die je uiteindelijk zult verliezen.

Een hoogtepunt in de bundel is de afdeling 'Herinnering', die opent met een cyclus met dezelfde naam. Herinneringen dringen binnen, zoals slagregen een huis binnendringt.

Uit het tweede gedicht:
Was de ziel maar dicht, tot aan de nok gevuld
met dromen, de drempel hoog genoeg
om het tij te keren; was het maar
droog gebleven in het huis waar ik woon 
elke dakpan op zijn plek
het gordijn onbewogen - 
De gedichten gaan over de 'ik' en haar vader. Soms wordt de 'ik' beschreven in de zij-vorm.
Zij met de tere huid van toen
is bijna oud, heeft vereelte handen
van het schrijven met een pen
die jarenlang in het vuur heeft gelegen
Zoals de vader het ijzer smeedt, smeedt de dochter de taal. Ook dat heeft Bourgonje al eerder beschreven. Ik dacht dat dat in Nevelpaarden  was, maar ik kan het zo gauw niet terugvinden.

De vader wordt getekend in zijn hardheid ('Ik heb de geur van zijn hoeven in mijn huid'), maar, net als in Uitval wordt hij ontschuldigd: 'Hij wist niet beter'. Bourgonje kan als geen ander eerlijk zijn zonder afstand te nemen. Het laatste gedicht uit de cyclus:
Zo laat ik hem gaan.
Zo dweil ik de vloer en vergeet
wat hij deed, dicht de spleten
met tijd 
de drempel is laag in de droom
maakt niet uit

maakt niet uit -
In het oog loopt het grote stuk wit voor de slotregel. De 'ik' zegt: maakt niet uit, als het gaat om de herinneringen aan de vader. Dan blijft het lang stil en herhaalt ze 'maakt niet uit', als om zichzelf te overtuigen. Tegelijkertijd weet de lezer dat het dus wel uitmaakt, terwijl hij snapt dat de 'ik' wel moet zeggen dat het niet uitmaakt. Altijd gaat Bourgonje op zoek naar de kern, naar het kwetsbare. Die laat ze zien door die te verhullen ('maakt niet uit'). Ontroerend.

Het werk van Bourgonje gaat ook altijd over het schrijven. Hoe dingen veranderen doordat je ze beschrijft bijvoorbeeld. En hoe taal nooit kan weergeven hoe het werkelijk is of was. Hoe taal, als bijna alles in het leven, tekortschiet.
Denkbeelden 
Het staat zwart op wit: dit is wat ik denk
hoe ik leef, waarom ik gekomen ben
en weggegaan, wie ik beminde, hoe diep
het verdriet was,  hoe zuiver de taal. 
Maar het is niet waar, het verliep anders.
Liefde liet zich niet vatten in een gebaar
de woorden dachten niet na, ik kwam aan
en verdween zonder dwingende reden
die zielenpijn was niet te verdrijven met wijsheid
maar onder druk van het lichaam.

Taal van verraad: geheimen geopenbaard,
een oordeel geveld over voorheen
en voortaan, wat duister bleef
met de pen naar het daglicht gehaald,
in inkt te kijk gezet, verklaard. 
Maar het is grijs, niet meer dan een veeg
van een penseel, het beweegt
met me mee 
heen en weer in de wind
heen en weer in de tijd - 
 De laatste afdeling in Pitten schieten heet 'Kringloop'. De vertelster bezoekt de begraafplaats waar haar grootvader en vader begraven zijn. De begraafplaats ligt in een rurale omgeving, met akkerbouw: 'Het bouwland gaat hier boven een dodenakker: de doden zijn voorgoed dood, het bouwland geeft voorjaar op voorjaar nieuw leven.' In de akkerbouw is de kringloop jaarlijks, in het leven duurt het wat langer.

Bourgonje heeft in deze cyclus gekozen voor gedichten die de vorm hebben van een alinea uit een prozawerk. Bij deze schrijfster is de grens tussen proza en poëzie toch al moeilijk te trekken. Haar proza is uitermate 'poëtisch', met veel gevoel voor ritme en metaforen. De stukjes in 'Kringloop' zien eruit als proza, maar er zit veel (half)rijm in. Uiteindelijk gaat het om wat in de stukjes gezegd en niet in hoe we de vorm moeten determineren. De afdeling (en daarmee ook de bundel) eindigt met:
Je kijkt ze na. Je blijft achter. Om te ruimen wat al geruimd is en afscheid te nemen van wie allang vertrokken zijn. Op de storm na is het stil. Op de namen na ben je alleen. Je vraagt je af hoe diep het graf is dat je ooit voor hen hebt gedolven en hoe je het hebt gedicht, met wat, met wie. Met welke vergeefse woorden. 
Vergeefse woorden, omdat de graven niet te dichten zijn en omdat de afwezigen aanwezig blijven.

Gemiddeld genomen heb ik het proza van Fleur Bourgonje altijd meer gewaardeerd dan haar poëzie. Wel vond ik die thematisch interessant, maar qua vorm werd ik minder verrast. Maar altijd zijn er in haar bundels gedichten die je raken en dat is zeker het geval in Pitten schieten. Er is in de loop der jaren een nietsontziendheid in het werk van Bourgonje gekomen, een drang om franje te vermijden en zich alleen bezig te houden met het werkelijk grote, ook als zich dat openbaart in het kleine en het dagelijkse.

Dat is bewonderenswaardig, maar dat niet alleen. De puurheid van haar werk ontroert, raakt je aan, laat je je bezinnen. In Pitten schieten is het verval en de eindigheid van het leven onontkoombaar, maar dat zijn ook de pogingen om desondanks het leven leefbaar te houden, ook al is dat dan met vergeefse woorden.

maandag 2 januari 2017

De beste poëzie van 2016



Afgelopen jaar las ik niet veel poëzie. En niet alle poëzie die ik las, was goed. Daarom geen lijst met tien, maar slechts met vijf bundels:
1. Maartje Smits, Als je een meisje bent (recensie)
2. Fleur Bourgonje, Pitten schieten (recensie)
3. Hedwig Selles, Wie hier binnentreedt (recensie)
4. Maarten Buser, Club Brancuzzi (recensie)
5. Johanna Geels, Vuurmakers (recensie)

















De recensies die ik schreef, heb ik niet teruggelezen; ik ben afgegaan op hoe de bundels zich genesteld hebben in mijn geheugen. Veel goede bundels uit 2016 zijn me ontgaan, of in ieder geval heb ik ze niet gelezen. Anders hadden ongetwijfeld de namen van Eva Gerlach en Menno Wigman in bovenstaand lijstje gestaan.

Soms koop ik een bundel en kom ik niet aan lezen toe. Zo staan er ongelezen bundels van Kira Wuck en Ilja Leonard Pfeijffer al enkele jaren in mijn kast. Om een of andere reden zijn er steeds andere bundels die voorgaan.

Zoals elk jaar neem ik mij voor meer poëzie te gaan lezen. Hopelijk kom ik volgend jaar tot een langer lijstje.

De lijstjes met de beste poëzie van de afgelopen jaren vind je hier: 201520142013 en 2012. Verder:
De beste romans van 2016: hier.
De beste romans van 2016 die ik niet gelezen heb: hier.
De beste strips van 2016: hier.