dinsdag 2 mei 2017

Toen de Amboneesjes kwamen (Zwart en wit 11)


Het woord was ik bijna vergeten: Ambonees. Vroeger gebruikten we het wel. Op mijn middelbare school zaten enkele 'Ambonezen'. Misschien kwamen ze uit Opheusden, waar een grote Molukse gemeenschap was en wellicht nog is. De woorden 'Moluks' en 'Molukker' heb ik waarschijnlijk voor het eerst gehoord bij de treinkapingen in de jaren zeventig. Wellicht is dat ook het moment geweest waarop het woord 'Molukker' het woord 'Ambonees' heeft vervangen.

Op een rommelmarkt zag ik een kinderboek waarvan de titel mij meteen opviel: Toen de Amboneesjes kwamen, geschreven door H. Hoogeveen en gepubliceerd in 1954. Van die schrijver las ik eerder Het jonge boerenknechtje, een boek dat stamt uit de jeugd van mijn vader. 

Hier lees ik dat Hoogeveen hoofd ener school was. Toen de Amboneesjes kwamen is gebaseerd op de ervaringen van de schrijver op wiens school Molukse leerlingen kwamen. 

Hoofdpersonen in het jeugdboek zijn Harm en zijn overbuurmeisje Gellie. Ze gaan samen naar school en spelen met elkaar na schooltijd. Als Gellie moet nablijven, wacht Harm op haar, totdat hij samen met haar naar huis kan lopen. Andere vrienden hebben ze niet. Maar dan komen er nieuwe kinderen op school: 'Amboneesjes'. 

Het is ongetwijfeld de bedoeling van de schrijver om de nieuwe kinderen positief te tekenen. Orpa, die vriendin wordt met Gellie, kan kaatseballen met drie ballen en daar kijkt Gellie met bewondering naar en haar broertje Daniël kan harder lopen dan Harm, al heeft Harm als excuus dat hij op klompen loopt. 

Toch is de manier waarop ze beschreven worden in hedendaagse ogen gênant. 
De volgende morgen, even voor negen, stopt er een bus voor de school. En zie nu eens wie er uit komen. Allemaal.... bruine kinderen! Bijna zwart zijn ze. Zo donker. 
Aan het uitroepteken is te zien hoezeer de kinderen zich verwonderen over de nieuwe leerlingen. 
Och, och wat zijn dat toch wonderlijke kinderen. Gitzwart haar, donkere ogen, nog nooit heeft ze (= Gellie T.B.) zulke vreemde kinderen gezien. 
Gellie hoopt dat een van de nieuwe leerlingen naast haar komt te zitten:
Zo'n bruin meisje bij haar in de bank, dat zou prachtig zijn! Wie weet.... 
Er komen vier nieuwe leerlingen bij Harm en Gellie in de klas: een jongen en drie meisjes.
Allemaal leuke, donkere snoetjes. Het ene meisje heeft kleine, fijne krulletjes in het haar en een ander.... o nee, Gellie hoopt niet, dat díe naast haar komt zitten. Die kijkt zo zwart, net of ze vreselijk boos is. Gellie wordt er haast bang van. 
De uiterlijke kenmerken ('koolzwarte ogen', 'hagelwitte tanden') worden nogal benadrukt. Al eerder  (in Een bruine jongen ) kwamen we de associatie tegen van een donkerder huidskleur met onreinheid. In Een bruine jongen is het de bruine jongen zelfs die zorgvuldig zijn handen gaat wassen. Die associatie komt ook in dit boek voor.

Gellie, die later vriendinnetjes zal worden met Orpa, observeert haar:
Gellie schuift een beetje op zij. Ze vindt het ook nog wat griezelig om naast zo'n bruin meisje te zitten. Kijk eens, hoe zwart die handen en vingers zijn. Net of het zich nooit heeft gewassen. En de neus en de oren, alles is even donker. Het meisje vindt het zelf vast ook erg, want het heeft haar hoofd diep tussen de schouders getrokken en zit verlegen voor zich heen te staren. 
De vanzelfsprekendheid van het 'witte' perspectief is, gezien de tijd waarin het boek geschreven werd, wellicht nog wel te verklaren. Maar je voelt hier ook de superioriteit waarmee Gellie naar 'zo'n zwartje' kijkt.

Er is niet alleen een associatie met 'ongewassen', maar ook met 'wild'. Gellie is bang dat Orpa haar zal aanvliegen en haar in de neus zal bijten. Een wonderlijke gedachte.

Gellie heeft wel eerder plaatjes van zwarte mensen gezien, in een verhaal over de zending.
Maar dat zijn heidenen. Die kennen de Here Jezus niet. Of zou.... Gellie kijkt met schrik het Ambonese meisje aan. Is dit misschien ook een heiden?
 De gevoelens van superioriteit zijn misschien mede daardoor te verklaren. De arme heidenen zien nog niet in dat ze niet het juiste geloof hebben. Later in het verhaal zal blijken dat Orpa en Daniël niet voor niets Bijbelse namen hebben. Ze zijn wel degelijk christelijk en ze hebben een broertje dat David heet, ook al zo'n held uit de Bijbel.

Gellie en Orpa sluiten vriendschap.
Dan lacht het zwartje. Werkelijk, het lacht! Gellie krijgt er haast een schokje van. Wat heeft het toch mooie, witte tanden!
'Het zwartje' is nu duidelijk denigrerend. Hier wordt het alleen maar erger gemaakt door dat 'het', dat Orpa bijna tot een ding maakt. Taalkundig klopt het allemaal, maar het klinkt beledigend.

De schrijver ziet zijn beschrijving van de nieuwe leerlingen duidelijk niet als problematisch. Hij doet er alles aan om de kinderen positief te tekenen. Orpa blijkt erg goed te kunnen leren, tegen de verwachting van Gellie in.
Zou ze erg goed kunnen leren? Dat had Gellie niet van zo'n bruin kind verwacht. Waaròm - och, dat weet ze eigenlijk niet goed. Ze dacht maar dat zulke kinderen veel dommer waren dan blanke. Maar nu ziet ze wel anders. Hoe ze haar best ook doet, ze krijgt de kans niet om Orpa die morgen in te halen. 
Gellie wordt geconfronteerd met haar eigen vooroordelen. Blijkbaar is de schrijver zich daarvan bewust. Toch wordt Orpa vooral stereotiep beschreven.

De vader van Gellie laat zich positief uit over de Molukkers:
Ze behoren tot een volk, dat veel voor ons land heeft gedaan. Het is trouw aan onze Koningin. Het is ook een christenvolk. Elk volk, dat in nood verkeert, moeten wij helepen. En dit volk in 't bijzonder. Daar heeft het recht op.  
Naast de nieuwe leerlingen speelt de vriendschap tussen Gellie en Harm een rol. Daar komt een kink in, doordat Gellie alleen oog heeft voor haar nieuwe vriendinnetje. Harm sluit daarop vriendschap met Daniël, Orpa's broer. Pas als ze met zijn vieren gaan spelen in het kamp van de Molukkers wordt iedereen (weer) bevriend met iedereen.

Toen de Amboneesjes kwamen is een uitgave van de christelijke uitgever Callenbach. Het geloof komt dus ook nog om de hoek kijken. Gellie realiseert zich dat Orpa en Daniël christenen zijn. En dan schieten haar 'opeens' een paar regels te binnen:
Een plaatsje in Zijn hart
Heeft elk kind, blank bruin en zwart.
Het is de vraag of de christelijke lezers de boodschap krachtig genoeg vonden. Bij Het jonge boerenknechtje was het oordeel indertijd niet mis:
De strekking is op zichzelf niet slecht. Auke zoekt kracht in het gebed. Maar het godsdienstig karakter heeft geen gehalte genoeg. Niet het woord Gods, maar een plaat, bij het verlaten van de school ontvangen, met de spreuk „Leven is strijden" bemoedigt Auke. We lezen zoo weinig van zonde en schuld. Wel wordt daarvan niet gezwegen, maar het geheel is te slap. Er zit naar ons oordeel geen pit genoeg in. Daarom is onze conclusie: matig aanbevolen. (Bron: zie hier).
Toen de Amboneesjes kwamen is een boek uit de christelijke hoek, waarvan de goede bedoelingen duidelijk zijn, maar het heeft in hedendaagse ogen duidelijk stereotyperende en daardoor wellicht racistische aspecten. Alleen de titel al kun je tegenwoordig niet meer gebruiken door dat verkleinwoord 'Amboneesjes'. Laten het er maar op houden dat dit jeugdboek ons een tijdsbeeld geeft.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten