donderdag 11 april 2024

Klokgelui (Leo Pleysier)


Onlangs werd Klokgelui van Leo Pleysier bekroond met de Hans Vervoortprijs. Zo'n gebeurtenis is in ieder geval een aanleiding om de naam Hans Vervoort weer eens te noemen. Leest iemand zijn werk nog wel eens? In mijn hoofd zit hij in het vakje met realisten, zoals er nogal wat waren in de jaren zeventig, maar misschien doe ik hem onrecht met die categorisering. 

De 'ondertitel' van de Hans Vervoortprijs is dat het een prijs is voor literatuur van neerslachtige en toch opbeurende aard. Wil een boek in aanmerking komen voor de prijs, dan moeten gebeurtenissen en personages realistisch zijn. Verder is een enkelvoudig perspectief een eis, zelfspot geldt als een pluspunt, net als een zekere weemoed. Het is een raar bijeenraapseltje van eigenschappen, maar in ieder geval is Klokgelui bekroond en dat is mooi. 

Wit is altijd schoon

Het werk van Pleysier mag wat best wat meer bekendheid krijgen. Indertijd was Wit is altijd schoon (1989) een succes en het werd bekroond met de Bordewijkprijs, maar een echte doorbraak betekende het, in Nederland althans, toch niet. Hierbij ga ik af op mijn gevoel. Als mijn haperende geheugen het een beetje goed heeft, kregen De kast (1991) en De gele rivier is bevrozen (1993) wel aandacht, ze kwamen op longlists terecht en de laatstgenoemde roman kreeg drie jaar na verschijnen nog een prijs. 

Volgend jaar in Berchem (2000) werd voor zo'n beetje iedere prijs genomineerd, maar kreeg er geen. Het lijkt wel of steeds de aandacht voor het werk van Pleysier even opflakkert en dat die daarna weer zakt. Waarom dat gebeurt, snap ik niet zo goed. Pleysier schrijft redelijk toegankelijke boeken en eigenlijk zijn ze altijd goed. 

In deze eeuw schreef ik nog over Dieperik (2010). Die recensie zal ik een keer afstoffen en hier plaatsen. Hier vind je wat ik schreef over Heel de tijd (2018). 

Vriendengroep

Klokgelui begint met een vriendengroep op een terras. De vrienden hebben het goed samen en ze kletsen dat het een lieve lust is. Tot en met bladzijden 37 gaat het maar door, de conversatie springt van het ene onderwerp op het andere. Al die bladzijden vormen een enkele alinea, als om te laten zien dat er eigenlijk geen pauzes zijn in het gesprek. 

Daar moest ik wel even inkomen. De groep is vrij groot. Ik heb de namen niet geteld, maar het zullen er ergens tussen de vijftien en de twintig zijn en het is moeilijk de mensen uit elkaar te houden. Alma Van Dijk heeft een verliteratuurd hoofd en ziet steeds verbanden met wat ze gelezen heeft en we zouden misschien ook een profieltje op kunnen stellen van al de andere terraszitters, maar daar gaat het eigenlijk niet om. 

De vrienden genieten van de hapjes, de drankjes en de andere mensen op het terras. Toch plopt af en toe de dood op in de gesprekken. Een schrijver die overleden is, de film The dead, een droom over overleden ouders, twee broers die omgekomen zijn in het verkeer, iemand die zegt dat hij niet meer naar begrafenissen gaat. Tussendoor vraagt iemand wie er vandaag gestorven is, gezien het luiden van de kerkklokken eerder op de dag. 

Verteller

Dan pas komt er een 'ik' in het verhaal. Alsof hij al de hele tijd op het terras zat, maar niks gezegd heeft. Ineens zijn we niet meer 'live' aanwezig bij de gesprekken op het terras, maar de 'ik' vertelt achteraf dat het ook nog even ging over een ouder echtpaar verderop in de straat, Josef (Jef) Braspennings en Germaine Van Boxel. 

Niemand ziet de twee nog. Overdag zijn de rolluiken maar half opgehaald en de brievenbus puilt uit van de reclame. Maar het leven gaat verder, de gesprekken gaan verder. 

In het tweede deel van het boek doet de verteller navraag naar Jef en Germaine. Het verhaal gaat dat Germaine gezondheidsproblemen heeft en dat Jef voor haar zorgt. Maar niemand lijkt er het fijne van te weten. 

Buurvrouw

Ludwina Pans, de buurvrouw van het echtpaar, weet meer en dat vertelt ze aan de 'ik'. Bijna het hele tweede deel door is ze aan het woord. Ze geeft weer wat Jef tegen haar verteld heeft en ook wat ze met eigen ogen heeft gezien. Het zullen verschillende gesprekken geweest zijn, want de tijd verstrijkt en de ontwikkelingen gaan niet de goede kant op in het huis van Jef en Germaine. Ludwina ratelt maar door en vertelt het.

De verteller is betrokken: hij gaat steeds naar Ludwina om te vragen hoe het met haar buren is. Ludwina zegt verschillende keren dat Jef het maar moet zeggen als zij wat voor de twee kan betekenen, maar zoiets zegt Jef niet. Je zou kunnen zeggen dat de buurt het goed bedoelt, maar dat de twee oude mensen toch aan hun lot worden overgelaten. 

Het tweede deel van Klokgelui deed me denken aan Wit is altijd schoon dat ook bestaat uit een monoloog: de stem van de overleden moeder blijft maar doorgaan in het hoofd van de zoon. Het is ook nu weer knap gedaan door Pleysier. We horen Ludwina praten en krijgen zo een vrij helder beeld van haar. 

Tot stof wederkeren

In het korte, laatste deel is de vriendengroep weer aan het woord en gaat het weer over de gewone dagelijkse dingetjes, met hier en daar een verwijzing naar de dood. Aan het eind van het boek komt het Saharazand ter sprake dat naar Europa geblazen is.
En dan lijkt het wel alsof de woestijnwind die stofwolken deze kant op heeft geblazen om ons eraan te herinneren dat we zelf ook stof zijn, zegt Alma Van Dijk. En dat we tot stof zullen wederkeren, zegt Brigitte Vermeer. 
Amen, zegt Frank Blockx. 
Het gezelschap dat zich zo tegoed doet aan de geneugten van het leven wordt geconfronteerd met de eigen sterfelijkheid, zoals een doodsklok de dorpsgemeenschap herinnert aan de eindigheid van het leven.

Heden ik, morgen gij

In Klokgelui is de verteller eigenlijk de klokkenluider, die aandacht vraagt voor de twee oude mensen die alleen elkaar hebben en maar moeten zien dat ze het rooien. Misschien is deze roman ook wel een manier om de lezers eraan te herinneren dat ze stof zijn en tot stof zullen wederkeren. Heden ik, morgen gij. 

Klokgelui lijkt me weer een typisch Pleysierboek. Het onderwerp is begrensd: Pleysier schrijft niet over de grote wereldproblemen, maar over waar kleine mensen mee kunnen worstelen. Maar misschien heeft juist dat een bredere strekking en toont het het algemeen menselijke. Niet alleen de levens van Jef en Germaine zijn eindig, maar ook die van de vrienden op het terras, van de lezers van de roman en van alle mensen. In de verte horen we de doodsklokken luiden. 


Eerder schreef ik over:
Heel de tijd (2018)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten