donderdag 16 april 2026

Een gevoarlijk mins

Weer een stukje uit een dagboek, dat zich voornamelijk afspeelt in Loenen, in de Betuwe. Daar woonden mijn grootouders en een oom en tante en mijn vader had er zijn boomgaard. Ik beschrijf hoe opa niet goed wordt en op een luik langs het huis gedragen wordt. Achteraf denk ik dat dat niet klopt. Opa was peren aan het plukken, Buerré Alexander Lucas, en die stonden in een deel van de boomgaard waar je met een ambulance gemakkelijk via een andere ingang kon komen. 

Mogelijk heeft mijn geheugen hier een andere gebeurtenis ingevuld: de keer dat opa niet goed werd en op een ladder weggedragen werd. 

Aan het begin vertel ik over een koekenpan met een opscheplepel erin die helemaal meegaat naar Loenen, achter op de auto. Die lepel met de platte, beetje gebobbelde onderkant, heb ik mee naar huis genomen na het overlijden van mijn moeder en die ligt nu in mijn besteklade. Ik gebruik hem nog steeds. 

Wat hieronder staat, komt uit een enkel dagboek. Ik schreef het stukje op 5 september 2023. Meestal schreef ik de stukjes zonder voorbereiding: ik ging zitten en schreef wat in me opkwam. Dat levert geen keurige bijdragen met een inleiding, een kern en een slot op. Dit stukje eindigt bijvoorbeeld heel abrupt. Niets aan te doen. Nou ja, er is wel iets aan te doen, maar dat laat ik na. 

Op de foto sta ik met opa en opoe Loenen voor hun huis, de bungalow. Die dag trouwden tante Gerrie en ome Henk. 


Opa en opoe Loenen verhuizen als ik een jaar of vier oud ben. Ze wonen op de boerderij De Grote Doorn, die mijn opa in 1926 gekocht heeft. Ze hebben nog gevraagd of mijn ouders bij ze komen wonen, maar mijn moeder wil dat zeker niet. Daarom gaan ome Wout en tante Met in Loenen wonen. Ze woonden daarvoor in de Kalkestraat in Dodewaard.
 
Mijn moeder vertelt me op welke kamer mijn vader als kind heeft geslapen. Het is maar moeilijk voor te stellen dat mijn vader ook kind geweest is. Hij deelde een kamer met Ome Wout. Ze namen een pispot mee naar boven als ze naar bed gingen, zodat ze ‘s nachts niet beneden naar de wc hoefden. Maar ‘s ochtends hadden ze geen zin om die pot in de wc te legen. Die kiepten ze uit het raam en dat kon je wel ruiken.
 
In 1963 blijven mijn grootouders en oom en tante niet langer in hetzelfde huis wonen. In de boomgaard wordt een bungalow gebouwd. Het wordt een houten huis. Soms loop ik daar wat rond als vierjarige, als de timmerlui bezig zijn. Je kunt al een beetje zien hoe het wordt.
 
Het huis wordt geel geschilderd. Later zal het allerlei kleuren krijgen: donkergroen, paars, oranje. Blijkbaar wordt het goed onderhouden. Ome Wout en tante Met laten ook wat verbouwen aan hun huis. Er komt een badkamer en een wc die je kunt doortrekken. De trap naar de zolder wordt verplaatst. Die staat daarna niet meer midden in de keuken. Je moet een deur opendoen om bij de trap te komen.
 
Als opa en oma er nog wonen, is er een deur van de keuken naar de deel. Die wordt weggewerkt. De boerderij is best bijzonder: er zijn twee delen: de nieuwe deel, waar ome Wout de koeien heeft staan en de oude deel, die we ook wel 'opa’s deel' noemen. Daar staat de stier op stal en wat jongvee. Er zijn ook nog een paar hokjes met een varken erin. Ik loop met mijn opa mee als hij die varkens gaat voeren. Blijkbaar heeft hij nog een varken (of meer varkens) als hij al in de bungalow woont. Opa loopt langzaam, ik loop achter hem over het smalle paadje door de boomgaard. 
 
Nog een bijzonderheid: de boerderij heeft twee huiskamers. In de ene zit heel hoog in de muur een deurtje. Ome Wout moet op een stoel gaan staan om het open te doen. In de muur zit een kastje, naast de schoorsteen. Ome Wout bewaart daarin zijn sigaren en misschien ook wel wat van zijn administratie. In de andere kamer is de trap naar opkamer. Die trap kun je in twee delen naar de zijkant opklappen en dan zie je een trapje naar beneden, naar de kelder. 

We komen vaak bij ome Wout en tante Met op de boerderij en ook wel bij opa en opoe. De boomgaard waarin de bungalow staat is van mijn vader, dus als het de oogsttijd van het fruit is, zijn mijn ouders vaak daar. Als wij uit school komen, zijn mijn ouders niet thuis. We moeten op de fiets van Herveld naar Loenen.
 
Ik ben een jaar of tien, elf misschien, en ik moet weer naar Loenen, maar ik heb geen zin om ‘dat hele eind’ te fietsen. Zo’n eind is het trouwens niet. Drie kilometer? Vier? Soms zijn mijn ouders met de trekker en de wagen naar Loenen, als ze bijvoorbeeld kisten mee moeten nemen naar de boomgaard. Soms gaan ze met de auto. Mijn vader gaat ook wel eens alleen.
 
Na de warme maaltijd doet hij altijd een dutje. Mijn moeder ruimt in die tijd de tafel af en doet de afwas. Met de etensresten voert ze de hond en de kippen. Op een dag heeft ze weer zo’n prakje. Ze doet het in de koekenpan en loopt daarmee naar de kippen. Als ze die gevoerd heeft, zet ze de pan achter op de auto en ze gaat kijken of de kippen nog eieren hebben gelegd. Dat is altijd even zoeken, want de kippen lopen los en kunnen nesten maken waar ze willen.
 
Na afloop vergeet ze de pan mee te nemen. Ze zal met een schort vol eieren naar binnen gelopen zijn. Mijn vader stapt in de auto, ziet de pan niet staan en rijdt naar Loenen. Hij rijdt blijkbaar rustig, want de pan blijft achter op de auto staan. Pas bij de laatste bocht, bij het huis van Gèrt van Bernd, schuift de pan van de auto af. We vinden hem een dag later. De opscheplepel die in de pan ligt, is door het hobbelen helemaal plat aan de onderkant.
 
Maar goed, ik ben dus tien, elf jaar oud en moet naar Loenen. Ik besluit om niet te gaan fietsen, maar om de brommer van mijn moeder te nemen. Mijn moeder heeft een grijs brommertje, een Tips. Die gaat behoorlijk snel. Ik krijg hem gestart door hem van de bult af te rijden en dan de koppeling los te laten. We hebben namelijk een vloedschuur, die we 'de hoge schuur' noemen. Die ligt op een bult.
 
De motor van de bromfiets slaat aan en ik rijd door het bos naar Loenen. Ik weet dat de politie je niets kan maken in het bos. De boswachter wel, maar hij weet wie ik ben en wij mogen met een auto of een trekker door het bos. Of met een brommer dus.
 
Ik kom aan bij de boerderij van ome Wout en ik minder gas. De brommer gaat langzaam rijden, maar ik krijg hem niet helemaal stilgezet. Langzaam rij ik rondjes achter het huis van ome Wout en ik weet niet goed wat ik moet doen. Er moet wel iets gebeuren.
 
Dan besluit ik om de mestvaalt in te rijden die achter het huis van ome Wout ligt. Dat werkt. De brommer zakt met het voorwiel in de mest en komt niet meer vooruit. De motor slaat af. Ik zie het als een overwinning, maar ik moet nog wel aan mijn ouders vertellen dat ik in mijn eentje met de bromfiets gekomen ben. Ze doen er niet moeilijk over.
 
Mijn vader doet niet gauw moeilijk. Ik ben zijn oudste kind en hij vertrouwt mij veel toe. Ik mag ook wel eens met de trekker rijden en een enkele keer zelfs met de auto. Als mijn vader bijvoorbeeld kisten met peren achter in het volkswagenbusje moet laden, moet het busje steeds een stukje verder rijden naar de volgende drie, vier of soms vijf of zes kisten. Als mijn vader steeds moet in- en uitstappen kost dat veel tijd. Daarom mag ik op die kleine stukjes de auto rijden.
 
Later zal hij me ook wel alleen met de auto naar huis laten rijden. Maar ik moet wel oppassen dat de politie mij niet ziet. Op een gegeven moment hebben we een volkswagenbusje met problemen met de versnelling: hij schiet steeds uit de vierde. Mijn vriendje Gerard rijdt met mij mee door het bos. Als ik overgeschakeld heb naar de vierde, houdt hij de pook vast. We rijden blijkbaar wel aan de harde kant, want later spreekt de boswachter mijn vader aan omdat wij het wild verschrikken.
 
In de boomgaard help ik mee met plukken. Soms, bij niet al te hoge bomen. Bij de hoge goudreinetten raap ik de ‘val’ op, de appels die gevallen zijn en die dus gekneusd zijn. Ze zijn voor ‘de industrie’: er wordt appelmoes van gemaakt. Ik raap de appels en doe ze in een kist. Als ik een stukje schoon heb, schuif ik de kist wat verder over het gras, totdat hij te zwaar voor me wordt. De rotte appels mogen er niet bij.
 
Ik moet het wel systematisch aanpakken. ‘Van de voet af aan oprapen,’ zegt mijn vader altijd. Soms helpt mijn vriendje Joekie (Gerard) mij. Als we aan de rand van de boomgaard zijn, zien we over de sloot de koe van Gèrt van Bernd lopen. We proberen hem te raken met een rotte appel. Koeien zijn eigenlijk vrouwelijk, maar wij zeggen tegen elk dier ‘hij’ en ‘hem’. Gèrt ziet dat wij een appel gooien, en waarschijnlijk denkt hij dat we de koe iets te eten geven. ‘Dat vrèt hij wel op,’ zegt hij en loopt door. Wij verzamelen veel rotte appels, gaan aan de rand van de sloot staan en richten een spervuur van appels op de koe. Bij elke appel roepen we: ‘Dat vrèt hij wel op!’

Maar vaak ook hoef ik helemaal niet te helpen en ga ik binnen bij mijn oma spelen. Ze heeft een knikkerspel: een rijtje houten honden en katten naast elkaar, met een gat tussen hun poten. Je rolt er knikkers naar toe en probeert er zoveel mogelijk in de gaten te laten verdwijnen. 
 
Dan is er commotie: oma haast zich het huis uit naar de boomgaard, maar ik moet in huis blijven. Even later komt mijn moeder om op mij te passen. Zijn er ook kinderen van ome Wout bij?

Later zal ik horen dat mijn opa, die meehelpt met peren plukken, ineens niet goed geworden is. Hij is hartpatiënt dus hij is ‘een gevoarlijk mins’. Samen met mijn moeder is hij aan het plukken. Mijn moeder hoort een vreemd geluid en gaat kijken. Opa ligt op de grond.
 
Snel gaat mijn moeder hulp halen. Bij ome Wout zijn de schilders aan het werk. Die pakken een van de luiken die mijn tante wel voor de ramen doet. Die brede plank is bruikbaar als brancard. Daar wordt opa op gelegd. Ze komen met opa langs het huis, maar ik kan het niet goed zien. Iemand heeft blijkbaar de ziekenwagen gebeld, want die staat al klaar. Opa gaat naar het ziekenhuis. Hij heeft een hartaanval gehad, maar het loopt goed af.
 
Het komt ook een keer voor dat opa niet goed wordt en op een ladder wordt gelegd. Daar zal ik later nog maar weinig herinneringen aan hebben, al ben ik er wel bij.
 
Opa ligt wel vaker in het ziekenhuis, maar nooit lang. Hij wordt een keer geholpen aan een breuk. Als hij naar huis mag, mag ik hem samen met mijn vader ophalen. Opa moet zich nog aankleden. Ik zie hem voor het eerst in zijn onderbroek.

woensdag 15 april 2026

De storm (Ibrahim R. Ineke)


Voor in de beeldroman De storm, van Ibrahim R. Ineke, staat in kleine letters: 'ogni pensiero vola', elke gedachte vervliegt. Dat blijkt ook een nummer te zijn van het duo MACE en Venerus. In de tekst (die ik heb laten vertalen) komt de volgende passage voor:

Misschien ken jij me wel, 
want dan duurt het maar een moment voordat alles wegglipt. 
Een andere wereld wacht ons iets verderop. 

Ik zoek naar nieuwe manieren om uit mezelf te ontsnappen,
om al mijn grenzen te overwinnen,
om een beetje van de buitenwereld te ontdekken.

Misschien komt het doordat ik in een soort magische wereld thuishoor. 
Ik zou hier graag wegvliegen.
En soms voelt alles om me heen een beetje vreemd aan. 
Ik vraag me af of er nog meer mensen zo in elkaar zitten. 
Daarmee wil ik niet zeggen dat de beeldroman van Ineke ook daadwerkelijk iets met het lied te maken heeft, maar er staan wel wat zinnen in die van toepassing zijn op meer werk van deze stripmaker. Zo is er vaak sprake van een andere werkelijkheid, een werkelijkheid die moeilijk grijpbaar is en die vaak duister is. Ook in de liedtekst gaat het over 'een andere wereld', 'een soort magische wereld' en over het niet thuis zijn in de wereld. 

Jaromir

In De storm gaat het om iemand die toekijkt, een beschouwer, een getuige wellicht. De figuur die hij bekijkt, is Jaromir. Dat is een naam die niet veel voorkomt. Ik moest meteen denken aan de Jaromir-cyclus van A.C.W. Staring. De tekst daarvan vind je hier. Het is een serie van vier verhalende gedichten. In elk ervan heeft Jaromir te strijden met de duivel. Ook hierbij zeg ik niet dat De storm rechtstreeks te maken heeft met de gedichten van Staring, maar het duistere (of het duivelse) is wel een terugkerend element in het werk van Ineke. 

Aan het begin van het boek zit de verteller achter een kopje koffie. Hij haalt herinneringen op aan zijn studententijd. En aan Jaromir, van wie hij niet zeker weet of hij hem wel gekend heeft. De studenten hechtten indertijd minder belang aan kennis dan aan het debiteren van meningen. Maar Jaromir was anders dan de gemiddelde student 

Zo kwam hij niet uit de stad, maar was hij opgegroeid op een landgoed. Het zal mijn verliteratuurde hoofd wel zijn, maar ik moet dan denken aan Staring, die woonde in de Wildenborch, tussen Lochem en Vorden. Van Jaromir wordt verteld dat hij zich op het verwerven van kennis stortte 'met de wellustige verbetenheid van een monnik'. Ook de Jaromir van Staring was een monnik. 

Alchemie

De Jaromir uit De Storm verdiept zich in gnosis, alchemie, het occulte, en er wordt gefluisterd dat hij abonnee is van het tijdschrift van het genootschap Aphinar. In het blad wordt geschreven over een magische spiegel. Jaromir vermoedt dat dat meer waarheid dan literatuur is. Dat vertelt hij aan de verteller, die hem jaren na de studententijd weer eens ziet. De auteur, tevens hoofdredacteur van het blad, is zijn oud-docent, met wie Jaromir een ontmoeting heeft. 

Intussen is de wereld chaotischer geworden. Er zijn bijvoorbeeld knokploegen actief. De verteller heeft het gevoel achtervolgd te worden. 'Het bleek de storm te zijn'. De storm zit misschien ook wel in hoofd van de verteller. Hij droomt dat de stad al jaren gebombardeerd is. Hij ziet twee roodharige kinderen wegrennen en iemand vertelt hem dat een warenhuis vroeger aan het station grensde. De verteller gaat de onderaardse gangen in, maar hij vindt geen rails. Wel ziet hij uit de verte een figuur die doet denken aan een soort minotaurus. 

De gehoornde figuur staat ook op de omslag van De storm. Ook de duivel wordt vaak afgebeeld met hoorntjes en het haar van Jaromir is ook gekapt in een soort hoorntjes. 

Een van de roodharige kinderen zou Jaromir kunnen zijn, maar zeker is dat allerminst. In oudere literatuur komen wel roodharigen voor, soms in verband met de duivel, maar de bronnen die ik vind, lijken me dubieus. Wel is er in de alchemie een recept voor het maken van goud waarvoor je het bloed van een roodharige man nodig hebt. De tekst daarover wordt geciteerd in het blad Literatuur (jrg. 9, 1992). Het citaat komt een vroeg vijftiende-eeuws handschrift dat zich bevindt in de collectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek. Jaromir had in ieder geval belangstelling voor alchemie. 

Het zijn geen verbanden die De storm legt, maar wel associaties die het boek veroorzaakt. Het verhaal suggereert, raakt aan en de rest gebeurt in het hoofd van de lezer. 

Naar de Oost

De verteller ziet Jaromir nog een enkele keer, bij een seance, een verwijzing naar een andere werkelijkheid, waarbij wel aangetekend wordt dat het medium niet haar beste avond had.  en daarna vertrekt Jaromir naar de Oost. Hij wordt getekend met een klewang in zijn hand. De oost wordt afgebeeld als een wereld waarin de natuur onherbergzaam is en vol van gevaren. 

De verteller is maar een getuige, een toeschouwer, maar de onrust is ook in hem gevaren. Hij voelt zich nauwelijks meer thuis in zijn vertrekken. 'Het is of er een ander woont'. De storm heeft de kieren van zijn bestaan gevonden en het is niet duidelijk hoe het met hem verder zal gaan. 

Net als het andere werk van Ibrahim R. Ineke is De storm intrigerend. Juist doordat het niet helemaal grijpbaar is, wat heel goed past bij het onderwerp van deze beeldroman. Alles is weer getekend met de kenmerkende lijn van Ineke, die me altijd zeer aanstaat. In zijn vorige twee beeldromans werd er voor het eerst gebruik gemaakt van kleur. De storm is weer vertrouwd in zwart-wit. 

De uitvoering is in klein formaat, 88 bladzijden dik, een pocket, die je in je binnenzak kunt steken. Je bent er dan ook zo doorheen, maar het verhaal blijft nog lang in je hoofd woelen. 



Titel: De Storm
Tekst en tekeningen: Ibrahim R. Ineke
Uitgever: Sherpa
2026, 88 blz. 12,50 euro (softcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Ibrahim R. Ineke:


dinsdag 14 april 2026

Lachen door een waas van tranen (Aaltje Hendriks)

De lijst van al dan niet autobiografische boeken over een jeugd in een religieuze omgeving is heel lang. Soms is er van de geschiedenis van de jeugd een roman gemaakt, soms is het wat men tegenwoordig een 'memoir' noemt. Onderaan neem ik een lijst op met recensies die ik over dit soort boeken heb geschreven. Die lijst is zeker niet compleet. 

Onlangs verscheen er weer zo'n boek: Lachen door een waas van tranen van Aaltje Hendriks. Aaltje groeide op in Veenendaal in een gezin dat ter kerke ging bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Die naam komt in het taalgebruik ook wel voor als afkorting: Ger. Gem in Ned. of GGiN. Het is een afscheiding van de Gereformeerde Gemeenten (Ger. Gem. of GG), ontstaan in 1953. Wie wil snappen wat de aanleiding was, moet zich verdiepen in de theologische scherpslijperij omtrent het 'algemeen, onvoorwaardelijk, welmenend aanbod van genade'. 

Uitgetredenen en synodalen

De GGiN werden door de Ger. Gem. wel de uitgetredenen genoemd, zij noemden de Ger. Gem. de synodalen. Toen de GGiN vijfentwintig jaar bestonden, werd een boek uitgebracht met de titel Uit ons uitgegaan, verwijzend naar de Bijbeltekst: 

Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. (1 Joh. 2:19)

Daarmee werd gesuggereerd dat niet de GGiN uit de GG gestapt waren, maar omgekeerd. Alle afscheiders zien zichzelf als de ware kerk. Toen de PKN ontstond (2004) stapte een stel gemeenten uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Ze noemden zich de Hersteld Hervormde Kerk. 

Intussen is er weer toenadering tussen GG en GGiN en er is zelf een document van overeenstemming, maar dat stuit ook weer op weerstand. Het Reformatorisch Dagblad volgt de ontwikkelingen op de voet. 

Maar hoe is het om op te groeien binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland? Dat zal per gezin anders zijn. Aaltje Hendriks geeft een beeld van hoe het bij haar ging. 

De ondertitel van haar boek is: 

Het verhaal van een gereformeerd meisje dat leerde dat leven een onmogelijke opgave is - en toch niet ophield het te proberen. 

Het zou me niets verbazen als de uitgever de hand heeft gehad in deze tekst. Ik vermoed dat iemand uit de GGiN zich niet 'gereformeerd' zal noemen. 

Doop

Lachen door een waas van tranen begint met een proloog: Aaltje wordt gedoopt. 

'Aaltje Hendrika, ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest.' Het is begin 1983 als deze woorden uitgesproken worden door een in het zwart geklede man in een kerk vol van mensen met uitgestreken gezichten. Dit zou een plek moeten zijn van blijdschap en vertrouwen. Maar treurnis en verstikkend ongeloof voeren hier de boventoon, nemen hier de leiding. Er zal ironisch genoeg alles aan worden gedaan om de kloof tussen, Vader, Zoon en Geest en dit kind zo groot mogelijk te maken. 

Aan de ene kant is dit een beschrijving van een doopdienst, aan de andere kant klinkt hier al duidelijk het kritische oordeel door van de volwassen Aaltje. Zo zal het in de rest van het boek ook gaan: soms is er de vrij neutrale beschrijving van wat er gebeurt en daarin vind ik Lachen door een waas van tranen het sterkst. Het oordeel (in deze passage bijvoorbeeld in het woord 'uitgestreken') hoeft meestal niet expliciet gemaakt te worden, denk ik, om de tekst goed zijn werk te laten doen. 

Tegelijk klinkt door hoe Aaltje zou willen dat het was: er zou blijdschap en vertrouwen moeten zijn. Ook dat is een lijn in het boek. Niet het geloof staat de vertelster tegen, maar hoe het door het kerkgenootschap wordt geïnterpreteerd. Er is daar een sterke nadruk op zondebesef en op de bijna onmogelijkheid om zich te bekeren. Aaltje heeft wel een bekeerde moeder, die aangaat aan het Heilig Avondmaal, als een van de weinigen in de kerk. 

Lijkenkijkerij

Kinderen moet al vroeg ingeprent worden dat het leven eindig is en dat iedereen moet sterven, waarna het oordeel volgt. In het hoofdstukje 'Lijkenkijkerij' wordt verteld hoe Aaltje als vierjarige meegaat met haar vader als die gaat condoleren. Ze is benieuwd hoe een overleden mens eruit zal zien, maar ze is wel wat teleurgesteld: 'Is dit nu alles? Het valt me tegen. Hier is niet zoveel aan. Maken papa en mama hier nou zo'n drukte om?'

Aaltje groeit op in een groot gezin, waarin de geur van het zware calvinisme altijd hangt. Als het gezin naar de kerk gaat, wordt er vooraf knielend gebeden: 'We verzamelen ons om de ronde salontafel. Tien paar gebogen knieën om de hier en daar kalende vloerbedekking.' Dat zie je voor je. 

Je kleedt je sober en Aaltje mag van haar moeder geen sieraden dragen. 'Het sieraad van een vrouw is haar eenvoud.' Aaltje krijgt een ringetje van de tandartsassistente, maar als haar moeder het ziet, moet ze het inleveren. Ook dat is een sterke scène in het boek. Zonder dat het expliciet gemaakt wordt, wordt duidelijk dat moeder haar dochter misschien wel het ringetje had gegund, maar haar principes staan haar moederliefde in de weg. 

Op bijna elk terrein speelt het geloof een rol. Als er in de winter ijs ligt, mag Aaltje niet schaatsen, want daarmee zou ze zichzelf moedwillig in gevaar brengen. Je kunt immers zomaar in een wak schaatsen. 'Nogal wiedes als je moedwillig van zwemles af gehouden wordt', denkt Aaltje. Je merkt hoe ze als kind al worstelt met sommige regels.  

Regels internaliseren

Aan de ene kant heeft Aaltje kritiek of begrijpt ze sommige regels niet, maar aan de andere kant internaliseert ze die ook. Op een gegeven moment wil ze niet meer groter worden. Als je jarig bent, ben je weer een jaar dichter bij de dood. 

Daarom kijken papa en mama natuurlijk zo ernstig als ze me feliciteren. Ze fluisteren me niet toe dat ze me lief vinden. Ze geven me een hand, geen knuffel. Het is alsof ze willen laten weten dat het in het leven niet om menselijke genegenheid gaat. Ik ben niet in de eerste plaats hun kind, maar een mensenkind dat bekeerd moet worden, een nieuw hart moet krijgen, gered moet worden. En dat staat zó op de voorgrond dat hun liefde geen naam mag hebben.

Moeder en vader slikken niet alles van de kerk voor zoete koek. Niet altijd is er een dominee en dan wordt er een preek gelezen. Maar moeder merkt dat de lezende ouderling de preek aanpast: 'Ze halen het hele aanbod van genade eruit.' 

Als Aaltje kritische vragen stelt tijdens de catechisatie, geven haar ouders haar een compliment. Voor Aaltje is het een stap op de weg die ze wil gaan: weg van de zwaarte, de twijfel, het zondebesef, op zoek naar een liefdevolle God. 

Vandaag heb ik dat opgehemelde ongeloof en de verdwaasde twijfel van de troon gestoten. Ik wil leven uit ongehoord geloof, opstandige hoop en eindeloze liefde. Daarom ben ik vastbesloten God te vinden, waar hij ook is. 

Maar Aaltje beweegt zich wel verder weg van het gezin. Ze gaat werken, bij een werkgever uit eenzelfde bubbel, ze wordt verliefd op iemand buiten de GGiN en uiteindelijk durft ze de regels waarmee ze zich vereenzelvigd heeft los te laten. Zo is het een hele stap als ze voor het eerst naar de kapper gaat. 

Dat ze haar eigen weg zoekt, stuit thuis op weerstand, maar Aaltje krabbelt niet terug. Of misschien is het meer gepast als ik zeg dat ze niet laat varen wat haar hand is begonnen, al wordt dat in de GGiN juist van God gezegd. 

Lachen door een waas van tranen wordt vooral verteld in losse scènes, maar als je al die losse gebeurtenissen na elkaar leest, zie je wel de lijn. Remco Campert schreef al dat verzet begint met jezelf een vraag stellen en daarna die vraag aan een ander stellen. Aaltje ziet steeds meer dingen die ze niet kan rijmen met de Bijbel, ze kan steeds minder geloven dat het geloof zo bedoeld is als het wordt gepredikt in de kerk van haar ouders. Haar ouders hebben ook hun kritiek, maar hebben zich nog veel meer vereenzelvigd met de regels van de kerk en houden zich daar uiteindelijk aan vast. 

Tragiek

Dat is ook de tragiek in het boek: Aaltje voelt de afstand tot de ouders die het toestaan dat de uitleg van de Bijbel of van het geloof tussen hen in komt. Die zo de zekerheid van de regels nodig hebben, dat ze zich eraan vastklampen. Doordat het een groot gezin is, voelt Aaltje zich toch al minder gezien. 

Er zijn bij de ouders wel momenten van zelfinzicht. De vader accepteert het als zijn dochter hem erop wijst dat in de Bijbel staat dat de vaders de kinderen niet tot toorn mogen verwekken, maar in hoeverre voelt hij dat ook? Misschien beredeneert hij het alleen. Zo zegt hij ook dat hij zijn vrouw niet half genoeg gewaardeerd heeft, maar dat heeft geen gevolg voor hoe hij met de kinderen omgaat. Een dominee van vaders kerk zou waarschijnlijk zeggen dat het in het hoofd zit, maar niet in het hart en dat het dan een voet te hoog zit. 

Aaltje Hendriks heeft niet een rancuneus boek geschreven, al laat ze duidelijk zien wat haar dwars heeft gezeten en waarmee ze het moeilijk heeft gehad. Maar ze laat ook de tragiek zien van mensen die zo vast zitten in een systeem dat het hun niet lukt om warmte te laten blijken aan hun meest nabije naasten. Daarin zit de mildheid, al gaat die ook samen met ongemak. 

Ik ken geen andere boeken die geschreven zijn over een jeugd in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, waardoor die uithoek van de kerkelijke kaart voor veel mensen onbekend zal zijn. Die krijgen met Lachen door een waas van tranen een beeld van wat het hypercalvinisme kan doen met mensen in het algemeen en met dit gezin in het bijzonder. 


Eerder schreef ik over:

Ellen Heijmerikx, Blinde wereld
Kees Versluijs, Altijd zondag
Lale Gül, Ik ga leven
Annemieke Reesink, Zwaartekracht
Annemarie van Heijningen, Refomeisje
Rachel Visser, Zwarte dauw
Sytse van der Veen, Een stem uit de hemel
Michelle van Dijk, Witter dan sneeuw
Frederik Hautain, Wachtkamer
Josien Laurier, Een hemels meisje (interview)
Franca Treur, Dorsvloer vol confetti
Peter van Beek, Sla ons met medelijden

maandag 13 april 2026

Durango 19: Oro Maldito (Yves Swolfs / Iko)


Het bespreken van een deel van een serie is altijd een beetje ongemakkelijk. Aan de ene kant moet je iets vertellen over de hele reeks en je moet aan de andere kant ook het verhaal van juist dit deel recht doen. Sommige losse delen zijn prima zelfstandig te lezen en bij andere is dat lastiger. Maar is dat erg als lezers toch voornamelijk de hele reeks volgen? Ik val soms zomaar een reeks binnen en dan heb ik het idee dat ik die niet helemaal op waarde kan schatten. Tot zover mijn twijfels vooraf. 

Een tijdje terug kreeg ik van uitgeverij Arboris een deel uit de reeks Durango toegestuurd. Als ik albums aanvraag, bespreek ik ze altijd; als ze ongevraagd worden bezorgd, maak ik een keuze. Domweg omdat me de tijd ontbreekt om alles te bespreken, maar ook kan ik niet alles waarderen en dan schrijf ik liever over iets waarover ik enthousiast ben. Ik besloot Durango een kans te geven. 

Western

Westerns zijn gemiddeld wel aan mij besteed. Ik heb bijvoorbeeld geschreven over Comanche en Tex Willer en ik was als kind een gretig lezer van de slappe deeltjes met daarin de avonturen van Kid Colt en Rawhide Kid. Die laatste had, net als ik, ook nog eens rood haar (wat je alleen op de cover kon zien, want de strip was in zwart-wit). 

Durango is de hoofdpersoon van de reeks Durango. Hoe hij aan zijn naam komt, weet ik niet. Er is een stadje in Colorado van zo'n 20.000 inwoners, maar ik weet niet of dat er mee te maken heeft. Durango is een revolverheld, net als Kid Colt en Rawhide Kid. Vaak op zichzelf aangewezen en hij deugt bij voorbaat. Natuurlijk komt hij in de problemen en komt het net op tijd goed. Zo gaat het ook in deel 19, Oro maldito. In het Nederlands zou dat iets zijn als het verdomde goud of het vervloekte goud. 

Deel 19 vormt een tweeluik met deel 18, Gegijzeld, dat in 2021 uitkwam. Deel 19 verscheen in het Nederlands in 2025. Dat het verhaal al in volle gang is als het album begint, maakt het wel iets lastiger om het te volgen. 

Goudschat

Het gaat in het verhaal om de zoektocht naar een goudschat, het goud van de conquistadores. Anton Glazer, een zakenman die aan zijn rolstoel gebonden is, heeft die ooit ergens in Mexico verborgen en zijn zoon gaat ernaar op zoek. Zoon Philip, door vader Junior genoemd, heeft helemaal geen ervaring met wat wij het wilde westen noemen. Zo'n onervaren iemand is een topos in sommige westerns: een onbedorven geest die met het kwaad te maken krijgt en zuiver moet blijven of zich moet corrumperen. En door zijn onervarenheid maakt hij natuurlijk ook fouten. 

In deel 18 werd Junior gevangengenomen door een Mexicaanse opstandeling en Durango werd door de oude Glazer ingehuurd om de zoon te bevrijden. Daarna is hij zijn begeleider. Ze zoeken een oude Yaqui-indiaan (in deze context blijf ik dat woord toch maar gebruiken) die aanwijzingen zou hebben. 

Maar er is ook nog Tucker, ooit souteneur en nog steeds wapenhandelaar, die met zijn bende (met daarin de jonge vrouw Dixie) aast op het goud en Morelos met zijn mannen, die gestuurd zijn door de Mexicaanse overheid. 

Er zit zeker spanning in het verhaal en de kansen wisselen snel. Er wordt veel geschoten en er vallen behoorlijk wat doden. Daarin is de scenarist, Yves Swolfs, niet zachtzinnig. Ik vond het wel lastig om helder te houden met welke groep ik nu weer van doen had. Daar moest ik wel eens voor heen en weer bladeren. Maar dat is misschien gemakkelijker als je ook deel 18 hebt gelezen. 

Personages

De verhouding tussen de personages blijft interessant. Zo is er geen onvoorwaardelijke verbondenheid tussen Junior en Durango. Tegen Dixie zegt Philip over zijn begeleider: 
Dixie... Die man is een huurling, die door mijn vader wordt betaald om me terug te brengen naar Tucson. Hij is geen cent beter dan Tucker. 
Dat Dixie in het gezelschap is van Tucker, maakt haar voor anderen een prostituée, wat ze ook was. In dit verhaal krijgt ze een dramatische achtergrond en maakt ze een verrassende keuze. Ze is misschien een bijpersonage, maar ze is gelaagd. 

Tekeningen

De tekeningen zijn van de hand van Iko. Aanvankelijk tekende Swolfs zelf, later tekende Thierry Girod mee. Sinds het zeventiende album tekent Iko, die eigenlijk Giusseppe Riciardi heet. Hij levert goed tekenwerk, al vroeg ik me wel af of iemand bijvoorbeeld echt zou praten met een sigaartje tussen zijn tanden. Dat lijkt me gewoon niet zo handig. Maar vooruit, de tekeningen roepen goed de sfeer op die je bij een western mag verwachten en dat wordt ondersteund door de inkleuring van Stéphane Pairtreau

Zoals gezegd, er wordt veel geschoten en dan zijn er altijd vlammetjes vlak voor de lopen van de revolvers en de geweren. Zeker bij vuurgevechten is er sprake van enig effectbejag, maar misschien is dat ook juist wat we willen bij dit soort strips. 

Oro maldito is een aardige strip, met redelijk interessante personages, genoeg spanning en een ingewikkelde plot, die voor mij wel iets helderder had gemogen. Met minder partijen was de strijd om het goud ook nog interessant geweest, lijkt me. Maar misschien ligt dat gewoon aan mij. De liefhebbers zullen blij zijn dat er weer een album is en die zullen ook uitkijken naar een volgend deel. 

Bij uitgeverij Arboris verschijnt ook de serie Djurango, de jonge jaren. En verder de westerns: Apache junction, Moses Rose, De complete Mac Coy en De indianenreeks (Hans G. Kresse)

Reeks: Durango
Deel 19: Oro maldito
Scenario: Yves Swolfs
Tekeningen: Iko (covertekening: Yves Swolfs)
Inkleuring: Stéphane Pairtreau
Vertaling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2025, 56 blz. € 11,95 (softcover), € 21,95 (hardcover)


donderdag 9 april 2026

Beschuiten met suiker

Drie fragmenten uit dagboeken. De eerste twee zijn in de verleden tijd geschreven, de laatste in de tegenwoordige tijd. Dat komt doordat ze uit twee verschillende dagboeken komen. Het zijn maar fragmenten, flarden, en dat zijn mijn herinneringen eigenlijk ook. 

Hier en daar heb ik een kleinigheidje toegevoegd om de tekst wat duidelijker te krijgen, maar ik heb er weinig aan geredigeerd. Ik zal op zoek gaan naar meer fragmenten over mijn grootouders, maar de stukjes staan verdeeld over vier verschillende dagboeken. Er zullen waarschijnlijk overlappingen in zitten en natuurlijk zitten er gaten in mijn herinnering, die ik niet ingevuld krijg. 

Ik noem hieronder nog de geiten van mijn opa. De foto die daarbij passend zou geweest zijn, heb ik al geplaatst bij de bijdrage Koppige opa. Daar staat hij op met zijn geiten en met het hout dat hij gejut heeft bij de Waal. 

Deze keer heb ik gekozen voor een foto van opa en oma met mijn moeder en haar drie kinderen. Ik had net een groen plastic pistool gekregen, waarmee je een soort kleine frisbee kon afschieten. Ik zorgde ervoor dat het ding goed te zien was op de foto.  




2 januari 2023

Aan mijn grootouders bewaar ik goede herinneringen. Mijn opa van vaders kant heb ik het minst lang meegemaakt: tot mijn achtste. Ik herinner mij hem als een beminnelijk mens, die van muziek hield. Als hij langskwam op zijn brommer, vroeg hij mijn moeder vaak om iets te spelen op haar mondharmonica en dan stak hij een wijsvinger omhoog, ten teken dat we goed moesten luisteren.

Mijn oma Bunt (opoe Loenen) was niet makkelijk, hoor ik van verschillende mensen, maar zo herinner ik mij haar niet. Toen mijn opa overleden was, wilde ze niet meer ‘s nachts alleen zijn en door de week logeerde er dan altijd een kleinkind bij haar. Mijn nicht Johanna van maandag tot en met donderdag, ik van donderdag tot en met zaterdag. Daarna kwam tante Jannie op haar brommer, met mijn neef Joop achterop, zijn voeten in de fietstassen. Zij was er in het weekend.

Met oma had ik het altijd gezellig. Ze noemde me een ‘kwibus’ als ik grapjes maakte en ik maakte vaak tekeningen op de kladblokken die in een la lagen waarvan ik mij de geur nog herinner.  Of ik las in de Revu. Later heette die Nieuwe Revu en het blad heette ook een tijdje Revue. Achterop stond een strip. Daarvan herinner ik me Lucky Luke en Olivier B. Bommel, en ik denk dat ook Asterix een tijdje de vaste strip was. In het midden van het blad was er soms een uithaler, een foto van een voetbalteam, die je helemaal kon uitklappen. Die van Ajax hing ik op mijn slaapkamer.


4 januari 2023

Ik zou je nog vertellen over mijn grootouders van moeders kant, in het kort. Mijn opa Ganseman leerde mij het woord ‘opa’, volgens mijn moeder: ik liep om de ronde tafel, op de maat van dat woord, met de klemtoon op de laatste lettergreep: opá. Eigenlijk herinner ik me niet zo veel van deze opa, behalve dan dat hij heel goed het geluid van een duif kon nadoen. Maar het was zonder meer een aardige man. Gek genoeg heeft Marinus, mijn jongere broer, een heel stel herinneringen aan mijn opa die ik niet heb.

Mijn oma Ganseman heb ik tot na mijn twintigste meegemaakt. Het was een doodgoed mens, dat alles weggaf als ze er iemand een plezier mee kon doen. Ook als het dingen betrof die niet van haar waren. Ze overleefde mijn opa en trouwde met Van de Brand. Die was toen nog niet gepensioneerd. Hij werkte als schilder in het bedrijf van zijn broer en heeft later wel eens verteld dat hij altijd een hekel aan het werk heeft gehad. Maar hij heeft het tot zijn vijfenzestigste gedaan.

Oma kwam als huishoudster bij hem en zijn twee zonen (Tonnie en Eddie) in huis. Ze zijn in stilte getrouwd en ze hebben indertijd nog een feestje gegeven bij hun 12,5-jarig huwelijk. Er is nog een foto van die gelegenheid waar ik op sta.

Ik logeerde in de zomervakantie bij oma en draaide dan LP’s op de pick-up. Ik herinner me platen van Corrie en de Rekels en van Ben Cramer, die in de verte nog familie was. ‘Hij lijkt op zijn moeder’, zei oma altijd. Van de Brand fietste met me naar de Oud-Veluwse dag in Barneveld, waar ik nog een keer een ontbijtkoek won. Die moest je met een knuppel doormidden slaan. Dat lijkt niet zo moeilijk, maar ze lieten hem in de verpakking zitten.

30 oktober 2023

In de vakantie mogen we altijd logeren. Bijvoorbeeld bij opoe en opa Dojewèrd. Daar zijn boven twee slaapkamers naast elkaar. Eentje is van ome Dik, maar die is er eigenlijk nooit, omdat hij altijd met de marine aan het varen is. Hij stuurt dan kaarten van verre plaatsen, waarbij ik me niets kan voorstellen. Maar het klinkt prachtig, Gibraltar bijvoorbeeld.
 
Wakker worden bij opa en opoe is heerlijk. Ik blijf dan nog even liggen om te luisteren naar het geronk van de schepen op de Waal. Dat is een prettig geluid. Ik kleed me snel aan en ga naar beneden. In de keuken haalt mijn oma een washand door mijn gezicht. Ze heeft al thee gezet.
 
Opoe ontbijt eigenlijk niet. Ze neemt een paar droge beschuiten. Die doopt ze in de thee en dan eet ze die op. Voor mij maakt ze een beschuit met dik roomboter erop en daarop suiker. Dat is een traktatie! En ik mag er zoveel eten als ik wil. Dan ga ik gauw naar achteren waar opa al bezig is. Hij heeft de geiten uit het schuurtje gehaald en zet nu elke geit met een ketting aan een ijzeren pin in de grond. Bij elke geit zet hij een emmer water. Verschillende keren per dag moet hij ernaar gaan kijken, want zo’n domme geit loopt de emmer zomaar om en dan heeft hij niks te drinken.
 
Bij het schuurtje van opa is altijd veel te zien. Opa haalt altijd van alles op bij de Waal. Daar spoelen planken en touwen aan. Soms zelf een hele deur. Opa stapelt die op, want hij kan die nog goed gebruiken, denkt hij. Ik weet niet of ik wel eens gezien heb dat hij er iets mee doet. Of verstookt hij het hout in de kachel? Dan moet het eerst wel drogen.
 
Verder zijn er soms bessen of aardbeien die geplukt moeten worden. Ik herinner me de bessenstruiken en de aardbeienplanten, maar niet dat ik meehelp met plukken. 

Vaak ga ik naar de Waal, waar al die schepen voorbijkomen. Daar is altijd wat te zien. Als je de krib op loopt en op het puntje gaat zitten, zie je allemaal water om je heen. Dat klotst gezellig. Ik mag niet het water in. Bij de kribben zijn draaikolken en daar verdrink je in. Ik kijk wel uit. Ik kan niet zwemmen, dus ik kom het water niet in.
 
Vlak bij de krib ligt het bootje van de pierenvisser. Hij vist in de Waal op wormen en daar heeft hij een moeilijk woord voor: tubifex. Als hij klaar is, laadt hij de emmers met pieren in zijn auto. Na het overlijden van mijn opa zal de pierenvisser met zijn gezin in het achterhuis gaan wonen. Dat geeft nog wel eens problemen. Hij maakt een keer ruzie met een van mijn omes Henk. Dat is maar een klein mannetje, maar die blijkt hem wel aan te kunnen. 

woensdag 8 april 2026

Exovida (Adriaan Bijloo / Govert Schilling)


Tom Friend wil later striptekenaar worden. Bovendien stelt hij bovenmatig veel belangstelling in ruimtevaart en sterrenkunde. Gelukkig stuit hij op een oude strip uit het begin van de twintigste eeuw, Via Dexo. Hij wordt gegrepen door het verhaal van de ruimtevaarders Virgil en Alan, die te maken krijgen met maanbewoners. 

Zijn moeder, Mary Friend, werkt bij de NASA en haar team doet een grote ontdekking: een exoplaneet waarvan de omstandigheden erg lijken op die van de aarde. Daar zou dus leven op mogelijk kunnen zijn. 

Scenario

Dat is zo'n beetje het begin van de graphic novel Exovida, waarvoor het scenario werd geschreven wetenschapsjournalist Govert Schilling, in samenwerking met de tekenaar, Adriaan Bijloo. Tom en zijn moeder maken een trip met een Volkswagenbusje door een deel van Amerika. Ze bezoeken een expositie, een telescoop, Roswell (van het Roswell-incident) en meer plaatsen die, niet toevallig natuurlijk, te maken hebben met het onderwerp van dit boek: de mogelijkheid van buitenaards leven. 

En passant krijgen we de hele geschiedenis mee van het denken over buitenaards leven, waarbij grote namen, zoals Epicurus, Giordano Bruno en Johannes Kepler passeren. Die laatste schreef misschien wel de eerste science-fictionroman, Somnium. Al zou je ook heel andere titels kunnen noemen. Er worden meer voorbeelden uit dat genre gegeven, zoals het werk van H.G. Wells. 

Tom heeft zijn oude strip, maar het is slechts het eerste deel van een serie van vier en misschien is er nog wel een vijfde deel. Hij probeert de andere delen ook te pakken te krijgen. Tijdens zijn speurtocht ontmoet hij verschillende beroemde mensen. 

Gesprekken

Aan de ene kant wil Exovida veel informatie meegeven. Er komen dan ook veel gesprekken in voor waarin de leergierige Tom vragen stelt en zijn gesprekspartners hem de antwoorden geven. Dat vertraagt het verhaal wel, maar ik heb het idee dat het boek er net mee wegkomt. Op tijd zijn er kleine gebeurtenissen zodat we toch ook een beetje voortgqng blijven houden. Maar het verhaal is wel duidelijk het karretje waarop de boodschap vervoerd wordt. 

Het oude stripverhaal is een mooie vondst. De stukken eruit zijn in een andere stijl getekend op een andere kleur papier. En Tom tekent zelf ook. De grens tussen fictie en werkelijkheid wordt vaag en dat is het interessantste aan het boek. Van veel dingen weet je lange tijd niet of ze, binnen het verhaal, werkelijkheid of fictie zijn. 

Dat wordt mooi verbonden met de theorie van het multiversum. Als er verschillende universa zijn, zal er ook wel een universum zijn waarin werkelijkheid is wat in de onze fictie is. Dat geeft een speelse kant aan Exovida en die staat me wel aan. 

Tekeningen

De tekeningen zijn van de hand van  Adriaan Bijloo. De personages bewegen nogal stijfjes en de gezichten hebben weinig expressie. Ook lukt het niet goed om leeftijd weer te geven. Je moet goed kijken om te zien dat de ene persoon een generatie ouder is dan de andere. Verder gaat het tekenen van vogels niet altijd goed. 

Dat mag allemaal waar zijn, maar er is ook veel goeds over de tekeningen te zeggen. Bijloo hanteert verschillende stijlen, die hij ook nodig heeft omdat de stijl waarin de strip Via Dexo getekend is duidelijk anders moet zijn dan die van het verhaal van Tom. 

De belangrijkste kwaliteit is de helderheid. Er zijn geen details die afleiden, in elke tekening weet je meteen waarom het draait. En dat is maar goed ook, omdat je je hersens al zo bij de informatie in het verhaal moet houden. Het verhaal blijft helder dankzij de tekeningen en de inkleuring helpt daar ook bij. Naast de stukken waarin minder kleur gebruikt wordt (de verhalen in het verhaal) worden er in het hoofdverhaal veel vrij heldere kleuren gebruikt, met weinig kleurnuance. Dat ondersteunt het verhaal goed. 

Het onderwerp van Exovida is bijzonder interessant. Er moet heel veel informatie overgebracht worden en dat gaat een beetje ten koste van het verhaal, maar doordat er zoveel speelse elementen in het verhaal zitten, blijft het toch boeiend. Naast het onderwerp is het spel met fictie en werkelijkheid het boeiendste van het boek. 

Aandacht vasthouden

Exovida is een dik boek, meer dan driehonderd bladzijden, en dan moet je de aandacht van de lezer een hele tijd vasthouden. Bij deze lezer is dat zeker gelukt. Voor de volledigheid staat achter in het boek een lexicon van namen en gebruikte termen, gedrukt in een soort typemachineletter. Dat werkt goed en het geeft ook duidelijk een onderscheid aan met de rest van het boek. Het is fijn dat je bepaalde zaken op deze manier nog eens kunt nazoeken. Bovendien is het lexicon geïllustreerd en er zijn markeringen aangebracht in de tekst. De gemarkeerde termen of namen zijn weer op te zoeken. 

Daarna krijgen we ook nog, kort, de ontstaansgeschiedenis van dit boek (met schetsen), iets over de bronnen en een literatuurlijst voor wie verder wil lezen over dit onderwerp. In de literatuurlijst zijn alleen boeken opgenomen, geen artikelen of sites. 

Exovida ziet er aantrekkelijk uit, leest lekker genoeg en je krijgt ook nog eens veel informatie mee. Interessant boek.  



dinsdag 7 april 2026

Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen (Ingrid Biesheuvel)


Sommige titels uit de Middelnederlandse literatuur kent bijna iedereen: Karel ende Elegast, Van den vos Reynaerde en Beatrijs bijvoorbeeld. Tijdens mijn studie vond ik het heerlijk om teksten te leren kennen waar ik daarvoor nog nooit gehoord had, zoals twee van de Bliscappen van Maria en Die wrake van Ragisel. De literatuur uit de Middeleeuwen is nooit mijn specialiteit geweest, maar ik heb er altijd graag over gelezen en graag over verteld. In de loop van de jaren heb ik er aardig wat van gelezen en van wat ik niet gelezen heb, ken ik meestal wel de titels en de strekking. 

Weet- en leeslustige taalminnaars

En dan ineens verschijnt er een hertaling van een tekst waarvan ik nog nooit gehoord had: Van den VII vroeden binnen Rome. In 1889 is die tekst toegankelijk gemaakt door K. Stallaert, een uitgave die terug te vinden is in DBNL. Die was mij ontgaan. Er was indertijd wel kritiek op, bijvoorbeeld door F.A. Stoett. Stallaert schreef dat de tekst nu verstaanbaar was gemaakt voor de 'weet- en leeslustige taalminnaars'. Stoett had een andere mening:

Ik voor mij geloof daarentegen, dat de gedenkstukken onzer voorvaderen geen lectuur zijn voor weet- en leeslustige taalminnaars, doch alleen voor hen zijn bestemd, die de oude letterkunde als wetenschap beoefenen en de taal der middeleeuwen verstaan. Wil men de middeleeuwsche werken voor Jan en alleman verstaanbaar maken, laat men het dan doen zooals het door J.A. Alberdingk-Thijm zoo voortreffelijk is gedaan in zijne uitgave der Karolingsche Verhalen.


Zoals gezegd: ik kende Van den VII vroeden binnen Rome niet, maar nu is er een schitterende hertaling door Ingrid Biesheuvel, die eerder Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant hertaalde. Het boek over de zeven vroeden verscheen onder de intrigerende titel Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen. Je kunt aan het 'Van' in de titel al zien dat het om een oudere tekst gaat. Dat doet namelijk denken aan bijvoorbeeld Van den vos Reynaerde. Tegenwoordig zouden we dat woord vervangen door 'over'. 

Ik vermoed dat Stoett enthousiast geweest zou zijn over deze uitgave. Net als Alberdingk Thijm koos Biesheuvel voor een prozatekst, die dicht bij het origineel blijft. In een verantwoording legt ze overtuigend uit waarom ze voor deze vorm heeft gekozen en waarom ze de Middelnederlandse tekst niet heeft opgenomen in haar uitgave. 

Van den VII vroeden binnen Rome blijkt niet alleen een prachtig verhaal te zijn, het is ook beroemd. Een deel ervan is afkomstig uit het oosten en indertijd is het verspreid over een groot deel van Europa in allerlei talen, waarbij de Middelnederlandse tekst de vroegste is. Ook op andere plekken op het continent is er nog steeds belangstelling voor het werk. Zo verscheen er vorig jaar een uitgave in het Duits, door Rita Schlusemann, met wie Biesheuvel nauw heeft overlegd. Deze uitgave vind je hier

Soepel Nederlands

De hertaling van Biesheuvel is geschreven in soepel Nederlands, dat heel lekker leest, zodat het boek voor een breed publiek geschikt is. Je hoeft er niet eens een weet- of leeslustige taalminnaar voor te zijn. Als je houdt van een goed verhaal is Van minzieke vrouwen al geschikt voor je. 

Wat is het verhaal? In Rome woont een keizer, die getrouwd is met een lieve en alom beminde vrouw, maar zij overlijdt. Ze laat een kind na, dat de keizer buiten Rome laat opvoeden door zeven wijzen (vroeden). De keizer hertrouwt en zijn nieuwe vrouw beseft dat de zoon van de keizer een bedreiging is voor haar positie. 

Die zoon groeit op en rondt zijn opleiding af. Als hij terug zal keren naar het paleis wordt er uit de sterren duidelijk dat zijn leven op het spel staat, maar de jongeman kan ook uit die sterren aflezen dat hij zijn leven kan redden als hij na de ontmoeting met zijn vader zeven dagen niet zal spreken. 

De keizerin tracht de jongen, net teruggekeerd in het paleis, te verleiden, een passage die doet denken het Bijbelverhaal over Jozef en de vrouw van Potifar. De prins gaat er niet op in, waarna ze hem ervan beschuldigt haar te hebben willen verkrachten en vermoorden. Zoiets moet natuurlijk bestraft worden. De keizer beveelt om de jongen buiten de stadsmuur te brengen en hem te doden. 

De keizerin zet haar verhaal kracht bij door het vertellen van het verhaal over de pijnboom en de uitloper. Die uitloper werd zo krachtig, dat hij de oorspronkelijke boom verdrong. De keizer is overtuigd; de volgende dag zou de prins gedood worden. 

Maar dan komt de eerste wijze op de proppen en die zegt tegen de keizer dat door het doden van zijn zoon het de keizer mogelijk net zo zal vergaan als de ridder die zijn woede koelde door zijn hazewindhond te doden en daarmee een groot onrecht beging. 

Dat verhaal wil de keizer wel horen, maar dan moet de terechtstelling van de zoon opgeschort worden en dat gebeurt. De keizerin is teleurgesteld en ook zij vertelt een verhaal, waarna de keizer besluit het vonnis toch de volgende dag uit te laten voeren. 

Zo gaat het steeds: de keizerin vertelt een verhaal dat de keizer overtuigt, maar voor de terechtstelling is er een wijze die parabel vertelt, waarna de keizer het vonnis terugdraait, waarna de keizerin weer een verhaal vertelt. Nadat ze zeven verhalen heeft verteld en de zeven wijzen ook elk hun eigen verhaal hebben verteld neemt de zoon van de keizer het woord en uiteindelijk loopt het natuurlijk allemaal goed af. 


Raamvertelling

Van den VII vroeden binnen Rome is een raamvertelling. Binnen het raam van de dreigende terechtstelling worden er verhalen verteld. Zo'n constructie kennen we ook uit Duizend-en-één nacht en The Canterbury Tales. Dat is het mooie van dit verhaal. Aan de ene kant bevat het elementen die bekend zijn. Zo wordt de jongen opgevoed in een huis dat staat in een tuin die aan alle kanten omheind is, de hortus conclusus. Aan de andere kant is het een heel eigen verhaal. 

Behalve dat de tekst voorbeeldig toegankelijk is gemaakt door Ingrid Biesheuvel, heeft Walburgpers het ook nog eens uitgegeven als een mooie hardcover, rijk geïllustreerd door Fred Marschall. Elk hoofdstuk begint met een klein portret van de verteller/vertelster in dat hoofdstuk. Heel gepast, omdat dat doet denken aan een miniatuur, een versierde hoofdletter waarin in oude teksten een hoofdstuk begint. Verder zijn er paginagrote illustraties en kleinere illustraties tussen de tekst door. Het zijn prachtige, realistische tekeningen. Hij zou een uitstekende striptekenaar zijn, dacht ik en dat blijkt hij ook te zijn. Hij komt in ieder geval voor in de Comiclopedia.

Alles bij elkaar (de mooie hertaling, de heldere inleiding en verantwoording, de fraaie tekeningen, de aantrekkelijke manier van uitgeven) maakt Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen tot een schitterend boek dat een groot publiek verdient. Koop het, lees het, vertel erover. 


Ingrid Biesheuvel, Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen. Middeleeuwse verhalen van de zeven wijzen van Rome. Met illustraties van Fred Marschall. Uitg. Walburgpers, 2026; 152 blz. € 20,00 (hardcover)


maandag 6 april 2026

De helden van Amoras 2: Kolmanskop (Marcel Legendre / Charel Cambré)

Het is waarschijnlijk vloeken in de Vandersteenkerk, maar ik ben nooit een heel groot liefhebber van Suske en Wiske geweest. Ik vermoed dat mijn zoon meer van die rode albums heeft gelezen dan ik. Mijn neef Joop had Bessy en daar heb ik toen aardig wat deeltjes van gelezen. Onderhoudend, zeker, maar dat was het dan ook wel. Maar misschien zou ik het een en ander moeten herlezen om er een afgewogen oordeel over te vormen. 

Toen de spin-off van Suske en Wiske verscheen, Amoras, de saga, ben ik die wel gaan lezen. Daarover heb ik geschreven bij de bespreking van Doodvonnis, het eerste deel van de serie De helden van Amoras. Onder die bespreking vind je ook de links naar eerdere besprekingen.  De helden van Amoras is al de derde serie. Tussendoor is de reeks De kronieken van Amoras verschenen. 

In De helden van Amoras zal elk deel een afgerond verhaal vormen, waarin de twee hoofdpersonen, Suske en Wiske dus, weer centraal zullen staan. Het tweede deel in die reeks is Kolmanskop. Het scenario is van Marc Legendre, de tekeningen zijn van Charel Cambré

Kolmanskop 2016

Kolmanskop

Kolmanskop is tegenwoordig een spookstadje in het zuiden van Namibië, in het zuiden van de Namibwoestijn. Het was ooit een klein, maar heel rijk stadje. Er waren namelijk diamantmijnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen bleek dat de mijnen uitgeput waren, raakte het stadje in verval. Intussen herneemt de woestijn zijn rechten. Op Wikipedia is een foto uit 2016 te zien die een indruk geeft. 

Die foto is duidelijk ook gebruikt door Cambré om Kolmanskop te tekenen. Daar komen Suske en Wiske namelijk terecht. 

Het begint ermee dat ze professor Barabas met een vrouw zien. Ze gaan samen bij een diamanthandelaar naar binnen. Sus en Wis denken er het hunne van, maar uiteindelijk krijgen ze het hele verhaal te horen. 

Vader en zoon

Lothar Schweiberg is de eigenaar van de mijnen. Hij wil Kolmanskop teruggeven aan de plaatselijke bevolking, de Herero, als compensatie voor de misdaden die Duitsers daar lang geleden pleegden. Zijn zoon, een projectontwikkelaar, heeft echter andere plannen en hij schuwt daarbij het gebruik van geweld niet. 

De vrouw met wie Barabas gezien is, is al onderweg naar Namibië, maar ze loopt gevaar. Suske en Wiske moeten er als de donder heen en dat gaat snel, met de teletijdmachine. Natuurlijk wordt het spannend en er komt nog een race met oude racewagens in voor (waarvan er eentje gesaboteerd is), maar het loopt, zoals te verwachten, goed af. 

Het onderwerp van dit deel is zeker interessant. Zo wist ik niets af van Kolmanskop en het is prettig dat mijn kennis daaromtrent wat aangevuld is. Verder is het verhaal aardig, maar eigenlijk ook niet meer dan dat. Legendre houdt er nog behoorlijk de vaart in, maar je weet al gauw wie er deugt en wie niet en dan is de afwikkeling ook weer niet heel erg verrassend. 

Tekeningen

Met de tekeningen van Cambré is trouwens niets mis. Lekker soepel getekend met een sfeervolle inkleuring door Marloes Dekkers. De tekeningen zijn geïnkt door Patrick van Oppen. 

Het is wel een onderhoudende strip, maar eigenlijk had ik er net iets meer van verwacht. Ik ben wel van plan de reeks te blijven volgen. Het volgende deel zal Cross Road Blues gaan heten en daarin zal een nieuwe scenarist aantreden, Kristof Berte. Ik ben benieuwd wat hij ervan maakt. De titel doet vermoeden dat Rober Johnson er een rol in speelt. 

vrijdag 3 april 2026

Afgestoft: Woorden om het licht te horen (Lenze L. Bouwers)

Lenze Bouwers is een bijzondere auteur. Waarschijnlijk is er geen nog levende dichter te vinden die zo veel rondelen heeft geschreven. Technisch kan Bouwers veel en toch heb ik vaak wat op zijn gedichten aan te merken gehad. Als je nauwkeurig leest, blijken zijn zinnen vaak net niet nauwkeurig geformuleerd. 

Maar misschien ben ik gewoon een dorknoper die muggen aan het ziften is en zullen anderen zich helemaal niet ergeren aan zijn formuleringen en voluit genieten van zijn gedichten. Zijn verzamelbundel met rondelen, Woorden om het licht te horen, besprak ik in Liter jaargang 13, nr. 57 (2010). Het is een vrij korte bespreking. Mogelijk was mij niet meer ruimte toebedeeld, mogelijk vond ik een korte recensie gepast voor de bundel. 

Daarbij heb ik niet een compleet gedicht geciteerd en dat is toch wel jammer. Ik vermoed dat ik indertijd geen complete gedichten kwijt kon in de vrij smalle kolommen, maar dat weet ik niet zeker. Maar nu vind ik het vreemd dat er een poëziebundel besproken wordt zonder dat je een gedicht uit die bundel te lezen krijgt. Ook om het werk van Bouwers recht te doen, alsnog een rondeel in zijn geheel. 

een stem nog sterker dan de storm die raast:
kom snel -gebons- help mee, de dijk bezwijkt,
verzamelpunt de kerk, met schop en laars;
de hele nacht zat ik op wacht, verbaasd
dat je niet sterft bij zoveel angst, verdwaasd
omdat de zondvloed zeker verder reikt
dan zeeland - hoor hoe vader wakker blijkt:
een stem nog sterker dan de storm die raast;
hij gaat, terwijl zijn schildknaap achterblijft
en week bij moeder waakt, die langzaam strijkt,
gaat zitten, op het uur naar buiten kijkt
en met haar handen onverstaanbaar praat:
een stem nog sterker dan de storm die raast

Bij nader inzien heb ik over dit gedicht wel wat te zeuren: waarom maar een enkele laars? Maar er zit ook veel moois in dit rondeel. 


Bouwers' rondelen verzameld


Toen Lenze Bouwers in 1985 de bundel Rondelen op de markt bracht, kreeg hij er behoorlijk wat aandacht mee: een hele bundel vormvaste gedichten, geschreven in een compacte taal, dat zag je in die tijd niet vaak. Bouwers bleef rondelen schrijven. Soms hele bundels vol (De route van de rondvaartboot, De schaduw van de buizerd), soms kwamen er een paar in een bundel met andere gedichten terecht (Biotoop, Groeiringen).

Nu zijn Bouwers' rondelen verzameld in Woorden om het licht te horen. De eerste afdeling bevat een complete, nieuwe rondelenbundel, de tweede een ruime keuze uit de vroegere bundels.

De gedichten van Lenze Bouwers lees ik vaak met een mengeling van ergernis en interesse. Ze hebben altijd wel iets aangenaams: een metrum dat lekker loopt, een aardig rijm, soms een mooie beeldspraak. Ik zet meteen een plusje in de kantlijn bij ‘een manchestersterk profeet’ en ik heb ook een streepje gezet bij ‘zo zilverwit als i in lichtgewicht / zo zwaar vaak als ik keurend naast je sta’.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat in deze regels eigenlijk onzin staat. De i is immers helemaal niet wit. Verder is zo'n woord als ‘zilverwit’ ook wel erg nadrukkelijk poëtisch. Ik zie die bezwaren wel, maar toch werken deze regels. Bouwers heeft het woord ‘lichtgewicht’ goed gekozen. Hij had ook kunnen schrijven ‘zo zilverwit als i in internist’. Ik had dan misschien een witte jas voor me gezien en had het witte van de i me beter kunnen voorstellen.

Maar Bouwers doet het geraffineerder: hij schrijft dat het over het witte gaat, maar in je hoofd blijft het woord ‘lichtgewicht’ hangen, vooral ook doordat hij de regel erna ‘zwaar’ gebruikt. Zo gaat het dus niet alleen over het witte, maar ook over het lichte. De associatie zorgt ervoor dat je meer leest dan er staat. Bouwers op zijn best.

Vaak vertrouwt Bouwers op die associatie en heel vaak ook gaat dat mis. Wanneer je nauwkeurig gaat lezen wat er nu precies staat, klopt het dan domweg niet.

De uitgever citeert zelfs zo'n kromme zin op de achterflap: ‘De ronding heeft een eigen zeggingskracht, / zoals een vrucht er is, de aarde, maan.’ De ronding heeft blijkbaar zeggingskracht zoals een vrucht, de aarde en maan. Tja, het is zo dat die alledrie een ronding hebben, maar heeft de juttepeer eenzelfde zeggingskracht als ‘de ronding’?

Ook de asymmetrie ‘de aarde, maan’ staat mij niet zo aan. Ik vermoed dat bij de maan het lidwoord weggevallen is vanwege het metrum, zoals ik ook vermoed dat Bouwers bij ‘De dagen en nacht voorbij’ een lettergreep te veel had en daarom niet ‘nachten’ schreef. Het maakt een onmachtige indruk.

Vaak speelt Bouwers nogal gemakkelijk op het effect, door het gebruik van sfeerwoorden en expliciete typeringen: je lippen zo zacht, je lieve mond, bleek verfijnd, vederlicht, ik vind je mooi, uw gulle lach, je intieme lach, zomerpracht, korengoud, blaadje van fluweel, warm ingebed, blij verliefd, droomtrance, bladgoud (over bladeren in de herfst, een ‘vondst’ die hij in twee gedichten gebruikt). Eerlijk gezegd stellen de meeste gedichten dan ook literair gezien niet zoveel voor.

Toch hebben ze iets aangenaams. Misschien komt dat wel door de geest die door veel gedichten waait. Overduidelijk blijkt de betrokkenheid van de dichter bij zijn omgeving, bij de mensen om hem heen. Ziekte en dood komen in veel gedichten terug. In sommige worden nadrukkelijk een rolstoel, multiple sclerose, een chemokuur, kanker, opname, de vechtlustige zieke genoemd en met veel compassie schrijft de dichter over mensen die vechten voor hun leven en vaak toch verliezen.

Veel van de gedichten zijn sympathiek, omdat je gemakkelijk kunt meevoelen met welke emotie ze waarschijnlijk geschreven zijn. Maar in poëzie gaat het uiteindelijk niet om de emotie van de dichter, maar om die van de lezer. Soms weet Bouwers die te raken, maar vaker missen de gedichten daarvoor de kracht.

Eerder schreef ik over: