donderdag 16 april 2026

Een gevoarlijk mins

Weer een stukje uit een dagboek, dat zich voornamelijk afspeelt in Loenen, in de Betuwe. Daar woonden mijn grootouders en een oom en tante en mijn vader had er zijn boomgaard. Ik beschrijf hoe opa niet goed wordt en op een luik langs het huis gedragen wordt. Achteraf denk ik dat dat niet klopt. Opa was peren aan het plukken, Buerré Alexander Lucas, en die stonden in een deel van de boomgaard waar je met een ambulance gemakkelijk via een andere ingang kon komen. 

Mogelijk heeft mijn geheugen hier een andere gebeurtenis ingevuld: de keer dat opa niet goed werd en op een ladder weggedragen werd. 

Aan het begin vertel ik over een koekenpan met een opscheplepel erin die helemaal meegaat naar Loenen, achter op de auto. Die lepel met de platte, beetje gebobbelde onderkant, heb ik mee naar huis genomen na het overlijden van mijn moeder en die ligt nu in mijn besteklade. Ik gebruik hem nog steeds. 

Wat hieronder staat, komt uit een enkel dagboek. Ik schreef het stukje op 5 september 2023. Meestal schreef ik de stukjes zonder voorbereiding: ik ging zitten en schreef wat in me opkwam. Dat levert geen keurige bijdragen met een inleiding, een kern en een slot op. Dit stukje eindigt bijvoorbeeld heel abrupt. Niets aan te doen. Nou ja, er is wel iets aan te doen, maar dat laat ik na. 

Op de foto sta ik met opa en opoe Loenen voor hun huis, de bungalow. Die dag trouwden tante Gerrie en ome Henk. 


Opa en opoe Loenen verhuizen als ik een jaar of vier oud ben. Ze wonen op de boerderij De Grote Doorn, die mijn opa in 1926 gekocht heeft. Ze hebben nog gevraagd of mijn ouders bij ze komen wonen, maar mijn moeder wil dat zeker niet. Daarom gaan ome Wout en tante Met in Loenen wonen. Ze woonden daarvoor in de Kalkestraat in Dodewaard.
 
Mijn moeder vertelt me op welke kamer mijn vader als kind heeft geslapen. Het is maar moeilijk voor te stellen dat mijn vader ook kind geweest is. Hij deelde een kamer met Ome Wout. Ze namen een pispot mee naar boven als ze naar bed gingen, zodat ze ‘s nachts niet beneden naar de wc hoefden. Maar ‘s ochtends hadden ze geen zin om die pot in de wc te legen. Die kiepten ze uit het raam en dat kon je wel ruiken.
 
In 1963 blijven mijn grootouders en oom en tante niet langer in hetzelfde huis wonen. In de boomgaard wordt een bungalow gebouwd. Het wordt een houten huis. Soms loop ik daar wat rond als vierjarige, als de timmerlui bezig zijn. Je kunt al een beetje zien hoe het wordt.
 
Het huis wordt geel geschilderd. Later zal het allerlei kleuren krijgen: donkergroen, paars, oranje. Blijkbaar wordt het goed onderhouden. Ome Wout en tante Met laten ook wat verbouwen aan hun huis. Er komt een badkamer en een wc die je kunt doortrekken. De trap naar de zolder wordt verplaatst. Die staat daarna niet meer midden in de keuken. Je moet een deur opendoen om bij de trap te komen.
 
Als opa en oma er nog wonen, is er een deur van de keuken naar de deel. Die wordt weggewerkt. De boerderij is best bijzonder: er zijn twee delen: de nieuwe deel, waar ome Wout de koeien heeft staan en de oude deel, die we ook wel 'opa’s deel' noemen. Daar staat de stier op stal en wat jongvee. Er zijn ook nog een paar hokjes met een varken erin. Ik loop met mijn opa mee als hij die varkens gaat voeren. Blijkbaar heeft hij nog een varken (of meer varkens) als hij al in de bungalow woont. Opa loopt langzaam, ik loop achter hem over het smalle paadje door de boomgaard. 
 
Nog een bijzonderheid: de boerderij heeft twee huiskamers. In de ene zit heel hoog in de muur een deurtje. Ome Wout moet op een stoel gaan staan om het open te doen. In de muur zit een kastje, naast de schoorsteen. Ome Wout bewaart daarin zijn sigaren en misschien ook wel wat van zijn administratie. In de andere kamer is de trap naar opkamer. Die trap kun je in twee delen naar de zijkant opklappen en dan zie je een trapje naar beneden, naar de kelder. 

We komen vaak bij ome Wout en tante Met op de boerderij en ook wel bij opa en opoe. De boomgaard waarin de bungalow staat is van mijn vader, dus als het de oogsttijd van het fruit is, zijn mijn ouders vaak daar. Als wij uit school komen, zijn mijn ouders niet thuis. We moeten op de fiets van Herveld naar Loenen.
 
Ik ben een jaar of tien, elf misschien, en ik moet weer naar Loenen, maar ik heb geen zin om ‘dat hele eind’ te fietsen. Zo’n eind is het trouwens niet. Drie kilometer? Vier? Soms zijn mijn ouders met de trekker en de wagen naar Loenen, als ze bijvoorbeeld kisten mee moeten nemen naar de boomgaard. Soms gaan ze met de auto. Mijn vader gaat ook wel eens alleen.
 
Na de warme maaltijd doet hij altijd een dutje. Mijn moeder ruimt in die tijd de tafel af en doet de afwas. Met de etensresten voert ze de hond en de kippen. Op een dag heeft ze weer zo’n prakje. Ze doet het in de koekenpan en loopt daarmee naar de kippen. Als ze die gevoerd heeft, zet ze de pan achter op de auto en ze gaat kijken of de kippen nog eieren hebben gelegd. Dat is altijd even zoeken, want de kippen lopen los en kunnen nesten maken waar ze willen.
 
Na afloop vergeet ze de pan mee te nemen. Ze zal met een schort vol eieren naar binnen gelopen zijn. Mijn vader stapt in de auto, ziet de pan niet staan en rijdt naar Loenen. Hij rijdt blijkbaar rustig, want de pan blijft achter op de auto staan. Pas bij de laatste bocht, bij het huis van Gèrt van Bernd, schuift de pan van de auto af. We vinden hem een dag later. De opscheplepel die in de pan ligt, is door het hobbelen helemaal plat aan de onderkant.
 
Maar goed, ik ben dus tien, elf jaar oud en moet naar Loenen. Ik besluit om niet te gaan fietsen, maar om de brommer van mijn moeder te nemen. Mijn moeder heeft een grijs brommertje, een Tips. Die gaat behoorlijk snel. Ik krijg hem gestart door hem van de bult af te rijden en dan de koppeling los te laten. We hebben namelijk een vloedschuur, die we 'de hoge schuur' noemen. Die ligt op een bult.
 
De motor van de bromfiets slaat aan en ik rijd door het bos naar Loenen. Ik weet dat de politie je niets kan maken in het bos. De boswachter wel, maar hij weet wie ik ben en wij mogen met een auto of een trekker door het bos. Of met een brommer dus.
 
Ik kom aan bij de boerderij van ome Wout en ik minder gas. De brommer gaat langzaam rijden, maar ik krijg hem niet helemaal stilgezet. Langzaam rij ik rondjes achter het huis van ome Wout en ik weet niet goed wat ik moet doen. Er moet wel iets gebeuren.
 
Dan besluit ik om de mestvaalt in te rijden die achter het huis van ome Wout ligt. Dat werkt. De brommer zakt met het voorwiel in de mest en komt niet meer vooruit. De motor slaat af. Ik zie het als een overwinning, maar ik moet nog wel aan mijn ouders vertellen dat ik in mijn eentje met de bromfiets gekomen ben. Ze doen er niet moeilijk over.
 
Mijn vader doet niet gauw moeilijk. Ik ben zijn oudste kind en hij vertrouwt mij veel toe. Ik mag ook wel eens met de trekker rijden en een enkele keer zelfs met de auto. Als mijn vader bijvoorbeeld kisten met peren achter in het volkswagenbusje moet laden, moet het busje steeds een stukje verder rijden naar de volgende drie, vier of soms vijf of zes kisten. Als mijn vader steeds moet in- en uitstappen kost dat veel tijd. Daarom mag ik op die kleine stukjes de auto rijden.
 
Later zal hij me ook wel alleen met de auto naar huis laten rijden. Maar ik moet wel oppassen dat de politie mij niet ziet. Op een gegeven moment hebben we een volkswagenbusje met problemen met de versnelling: hij schiet steeds uit de vierde. Mijn vriendje Gerard rijdt met mij mee door het bos. Als ik overgeschakeld heb naar de vierde, houdt hij de pook vast. We rijden blijkbaar wel aan de harde kant, want later spreekt de boswachter mijn vader aan omdat wij het wild verschrikken.
 
In de boomgaard help ik mee met plukken. Soms, bij niet al te hoge bomen. Bij de hoge goudreinetten raap ik de ‘val’ op, de appels die gevallen zijn en die dus gekneusd zijn. Ze zijn voor ‘de industrie’: er wordt appelmoes van gemaakt. Ik raap de appels en doe ze in een kist. Als ik een stukje schoon heb, schuif ik de kist wat verder over het gras, totdat hij te zwaar voor me wordt. De rotte appels mogen er niet bij.
 
Ik moet het wel systematisch aanpakken. ‘Van de voet af aan oprapen,’ zegt mijn vader altijd. Soms helpt mijn vriendje Joekie (Gerard) mij. Als we aan de rand van de boomgaard zijn, zien we over de sloot de koe van Gèrt van Bernd lopen. We proberen hem te raken met een rotte appel. Koeien zijn eigenlijk vrouwelijk, maar wij zeggen tegen elk dier ‘hij’ en ‘hem’. Gèrt ziet dat wij een appel gooien, en waarschijnlijk denkt hij dat we de koe iets te eten geven. ‘Dat vrèt hij wel op,’ zegt hij en loopt door. Wij verzamelen veel rotte appels, gaan aan de rand van de sloot staan en richten een spervuur van appels op de koe. Bij elke appel roepen we: ‘Dat vrèt hij wel op!’

Maar vaak ook hoef ik helemaal niet te helpen en ga ik binnen bij mijn oma spelen. Ze heeft een knikkerspel: een rijtje houten honden en katten naast elkaar, met een gat tussen hun poten. Je rolt er knikkers naar toe en probeert er zoveel mogelijk in de gaten te laten verdwijnen. 
 
Dan is er commotie: oma haast zich het huis uit naar de boomgaard, maar ik moet in huis blijven. Even later komt mijn moeder om op mij te passen. Zijn er ook kinderen van ome Wout bij?

Later zal ik horen dat mijn opa, die meehelpt met peren plukken, ineens niet goed geworden is. Hij is hartpatiënt dus hij is ‘een gevoarlijk mins’. Samen met mijn moeder is hij aan het plukken. Mijn moeder hoort een vreemd geluid en gaat kijken. Opa ligt op de grond.
 
Snel gaat mijn moeder hulp halen. Bij ome Wout zijn de schilders aan het werk. Die pakken een van de luiken die mijn tante wel voor de ramen doet. Die brede plank is bruikbaar als brancard. Daar wordt opa op gelegd. Ze komen met opa langs het huis, maar ik kan het niet goed zien. Iemand heeft blijkbaar de ziekenwagen gebeld, want die staat al klaar. Opa gaat naar het ziekenhuis. Hij heeft een hartaanval gehad, maar het loopt goed af.
 
Het komt ook een keer voor dat opa niet goed wordt en op een ladder wordt gelegd. Daar zal ik later nog maar weinig herinneringen aan hebben, al ben ik er wel bij.
 
Opa ligt wel vaker in het ziekenhuis, maar nooit lang. Hij wordt een keer geholpen aan een breuk. Als hij naar huis mag, mag ik hem samen met mijn vader ophalen. Opa moet zich nog aankleden. Ik zie hem voor het eerst in zijn onderbroek.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten